1.842
39

Politiek historicus

Ewout Klei (1981) is historicus en heeft zich gespecialiseerd in de contemporaine politieke geschiedenis.

Stel verbod op erkenning en ontkenning Armeense genocide niet strafbaar

Een voorstel voor een verbod op de ontkenning van de Armeense genocide heeft in West-Europa niets met wetenschap te maken, maar alles met politiek

Turkije is woest. Waarom? Frankrijk heeft op 24 januari 2012 een wet aangenomen, die het strafbaar maakt de Armeense genocide van 1915 te ontkennen. Premier Erdogan noemt de Franse wet racistisch en discriminerend. Volgens Turkije zijn er honderd jaar geleden erge dingen gebeurd, maar gaat het veel te ver om deze gebeurtenissen een genocide te noemen. Men spreekt liever over de Armeense kwestie.

Turkije heeft een punt. In tegenstelling tot de Holocaust is de Armeense genocide omstreden. Werd van overheidswege besloten de Armeniërs uit te moorden? Hierover bestaat in de geschiedschrijving geen consensus. De gepolitiseerde controverse sleept zich al tientallen jaren voort.

In de negentiende eeuw stond het Ottomaanse Rijk – ooit een machtig rijk in het Midden-Oosten en op de Balkan, met het huidige Turkije als machtscentrum – onder druk. Europese mogendheden bedreigden het rijk van buitenaf, nationalistische bewegingen destabiliseerden het van binnenuit. In het Europese deel van het rijk slaagden sommige volken erin onafhankelijk te worden; in het Aziatische deel bleef de eenheid voorlopig bewaard.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog koos het Ottomaanse Rijk de kant van de Centralen (Duitsland en Oostenrijk-Hongarije) en raakte zo in oorlog met Rusland, dat de kant de Entente (Frankrijk en Groot-Brittannië) had gekozen. De christelijke Armeniërs hoopten met de steun van Rusland hun onafhankelijkheid te herwinnen. Volgens de pro-Turkse historicus Justin McCarthy, die over het onderwerp in 2005 in Leiden een lezing hield, bedreigde de Armeense opstand het Ottomaanse Rijk in zijn voortbestaan. De deportatie van grote aantallen Armeniërs naar Syrië was volgens McCarthy daarom meer dan logisch. Op deze manier hoopten de Turken de opstand te breken. Natuurlijk kwamen hier – door moord, honger en ziekte – veel onschuldige Armeniërs bij om, maar er stierven in de oorlog ook veel onschuldige moslims. Het sterftecijfer was volgens McCarthy onder beide groepen even hoog, ongeveer 40 procent.

Daarom is het volgens McCarthy onjuist de ene partij vrij te pleiten en de andere partij alle schuld in de schoenen te schuiven. Dat is volgens hem wel het doel van de Armeense nationalisten, die in Europa en Amerika sterk aan het lobbyen zijn om de genocide erkend te zien en een verbod op ontkenning strafbaar te stellen. De Armeense lobby wil een verbod op een alternatieve visie op de gebeurtenissen. McCarthy’s pleidooi is dan ook dat historici moeten beslissen over de vraag, of er sprake was van een genocide of een kwestie.

McCarthy’s betoog is sympathiek en lijkt overtuigend. De archieven lijken ook zijn gelijk te bevestigen: in de Turkse archieven wijst niets op een bevel tot genocide, er heeft nooit een Turkse Wannseeconferentie plaatsgevonden. De documenten van Amerikaanse en Engelse ooggetuigen, die uitgebreid verhaalden over de Armeense genocide, kunnen bovendien worden uitgelegd als anti-Turkse propaganda, met als doel de Centralen zwart te maken.
Daarentegen verhaalden Duitse militairen en diplomaten ook uitgebreid over de gebeurtenissen. Ze waren bondgenoten van de Turken, maar beschuldigden de Ottomaanse machthebbers wel degelijk van genocide. Ook maakte de manier waarop de Armeniërs werden gedeporteerd, hun dood wel heel waarschijnlijk. Ze moesten binnen een of twee dagen vertrekken, onderweg voor de meest elementaire levensbehoeften met goud betalen en in gedwongen marsen door de woestijn trekken, wat velen noodlottig werd. Er was bovendien geen enkele poging gedaan op de eindbestemming te zorgen voor onderdak, voedsel en water voor de gedeporteerden.

Het is onduidelijk hoeveel Armeniërs er tijdens de Eerste Wereldoorlog zijn omgekomen. De schattingen lopen uiteen van 300.000 tot 2 miljoen.
Sommige historici vermoeden dat niet de Ottomaanse overheid, maar een kerngroep van de Jong-Turken (een nationalistische partij, die in 1908 de macht had gegrepen) achter de plannen in de richting van genocide zat. Deze kerngroep greep de opstand aan om de Armeense kwestie voorgoed op te lossen. Helaas zijn de archieven van de verschillende organisaties van de Jong-Turken verdwenen en is het moeilijk tot definitieve conclusies te komen. De Duitse rapporten en de verklaringen die na de oorlog zijn afgelegd voor het Ottomaanse tribunaal, dat de vervolgingen van de Armeniërs onderzocht, wijzen wel op een doelbewuste uitroeiingspolitiek.

Tot zover de geschiedenis. Terug naar de politiek. In Nederland heeft de ChristenUnie meerdere malen voor een verbod op de ontkenning van de Armeense genocide verdedigd, een conservatief ideologisch pleidooi dat mede als doel had om het islamitische Turkije buiten de Europese Unie te houden. In Frankrijk speelt een ander, meer opportunistisch motief een grote rol, namelijk de stem van de Armeense immigranten. Franse politici willen deze grote groep kiezers niet voor het hoofd stoten. Een voorstel voor een verbod op de ontkenning van de Armeense genocide heeft in West-Europa dan ook niets met wetenschap te maken, maar alles met politiek.

In Turkije ligt de zaak nog gevoeliger, omdat een erkenning van de Armeense genocide een mea culpa voor vroeger inhoudt, een klap in het gezicht van de Turkse nationale trots. Sinds enkele jaren is in Turkije het erkennen van de Armeense genocide dan ook strafbaar. In het in 2005 in het Wetboek van Strafrecht opgenomen artikel 301 staat dat de Turkse identiteit niet beledigd mag worden. Meteen dat jaar al werd de Turkse schrijver Orhan Pamuk, winnaar van de Nobelprijs voor de Literatuur, met beroep op dit artikel voor het gerecht gedaagd. Pamuk had in een interview met een Zwitsers tijdschrift gezegd dat de Turken zo’n 30.000 Koerden hadden vermoord en zo’n 1 miljoen Armeniërs, maar dat geen Turk dit hardop durfde te zeggen, dus moest hij het maar doen. Uiteindelijk besloot men de zaak tegen Pamuk echter te seponeren.

Met de Armeens-Turkse journalist Hrant Dink liep het slechter af. Hij kreeg in 2006 zes maanden voorwaardelijk, en werd begin 2007 doodgeschoten door een Turkse nationalist. McCarthy zegt dat Armeense en Westerse voorstanders van een ontkenningsverbod een vrije academische discussie in de weg staan, maar van een vrij debat is in Turkije ook beslist geen sprake.

Turkije heeft een punt. De Franse wet is slechts symboolpolitiek, waar we niets mee kunnen. Of de Armeense genocide echt een genocide was of slechts een kwestie, blijft een lastige vraag. Het is echter een vraag die door historici moet worden beantwoord, en niet door politici.

Geef een reactie

Laatste reacties (39)