13.853
45

Journalist

Brenda Stoter is geboren en getogen in Rotterdam. Sinds 2010 is ze als freelancer werkzaam in de journalistiek en schrijft ze voornamelijk voor het AD, stichtingen en bedrijven. Eerder schreef ze artikelen voor de Elsevier, Roest, HP/De Tijd, stichting Music Matters en werkte ze mee aan het Hoofdboek. Ze is gespecialiseerd in de multiculturele samenleving, jongerencultuur, Rotterdam, Egypte en Rwanda.

Straattaal en ABN, een tantoe spange combi

Nee mensen, het is geen buitenlandse taal

“Kill, check die chimeid. Wajoo… Tantoe spang!” roept een jongen met een kaalgeschoren hoofd en twee gouden tanden. Zijn vriend -met pet, twee diamanten oorbellen en een flinke bos dreads- is blijkbaar niet onder de indruk. “Nooo, ik hou niet van tatta’s kill. Doe mij maar een Mocro of een Su. Hun asser is omin biggie.” De eerste jongen, die me flowde, kijkt me na tot aan het einde van de straat. Ik fake een aanval van Oost-Indisch doof zijn.

Sommige mensen zullen nu hun wenkbrauwen optrekken, zich afvragen of het over mij ging en denken dat ik beledigd was. Weer anderen zullen hard lachen, zich erin herkennen en doorgaan met lezen. Anderen zullen na het lezen van de eerste zin afgehaakt zijn omdat ze denken dat het in een andere taal geschreven is. Voor eenieder die om een bepaalde reden bleef lezen, heb ik een boodschap. Deze tekst gaat over straattaal. De taal die jongeren met verschillende culturele en sociale achtergronden in het dagelijks leven en op school met elkaar spreken.

De jongen met de kale kop gaf me een compliment. Hij zei dat ik er goed uitzag. Zijn vriend was het hier niet mee eens. Nederlanders vindt hij niet aantrekkelijk. Voor hem liever een Marokkaanse of een Surinaamse met een grote kont. Voor zover de vertaling naar het Algemeen Beschaafd Nederlands, kortweg ABN. Velen zullen denken dat ze in het Basmadineens spraken, of zoiets. Nee mensen, het is geen buitenlandse taal. Het is een verbastering van verschillende talen, vermengd met het Nederlandsch. De Rotterdamse straattaal. Want laten we eerlijk wezen, de straattaal bestaat niet.

Wanneer de straattaal er bij mij ingeslopen is, weet ik niet. Wat ik wel weet, is dat ik op jonge leeftijd een aardig woordje Turks sprak, mede door mijn klasgenootjes. In de loop der jaren is het Turks verdwenen en heeft het plaatsgemaakt voor straattaal. Al die jaren Rotterdam Zuid hebben ervoor gezorgd dat ik geïntegreerd ben ik de straattaalcultuur. Onbewust, want ik heb er geen cursus voor gevolgd. Ik heb er zelfs niet eens mijn best voor gedaan.

Dat ik een extra taal sprak, had ik eerst niet door. Pas toen ik de straattaal toelatingstest voor de Post Academische Dagblad Opleiding Journalistiek moest maken, merkte ik het. Het is de enige test waar ik ooit glansrijk voor geslaagd ben. Ik had nul fout, cum laude. Dat ik eerder bij wijze van spreken bijna iedere andere taaltest (zoals Duits) verkloot had, maakte me niet uit. Ik had iets wat die andere kandidaten niet hadden. Ik sprak straattaal.

Straattaal is een manier van jongeren om met elkaar te communiceren. Sommigen zien het als een geheime taal, maar anderen spreken het zonder dat ze het doorhebben. Zoals ik dus. Ik loop niet de hele dag te brullen dat ik naar mijn osso moet omdat mijn kapsel kaka zit en dat ik geen doekoe heb om mijn wierie te doen. Ik gooi er af en toe een woord uit wanneer ik met vrienden ben. En dan geen compleet onverstaanbare woorden, maar eerder modewoorden zoals chillen, lau of flex. Laatst floepte ik er tijdens een interview het woord fokop uit. Per ongeluk hoor, want dat zou ik normaal nooit doen. Maar omdat het een gesprek met jongeren was, en ik me op mijn gemak voelde, had ik het niet door. Ik ben tenslotte ook nog jong.

Natuurlijk zijn er critici die deze verbastering van taal een doorn in het oog vinden. Critici die bang zijn dat het Algemeen Beschaafd Nederlands eraan gaat. Critici die zich druk maken over het feit dat leraren hun leerlingen niet meer verstaan. Ik snap dat best. Als je de Nederlandse vertaling van het woord chadding (=grappig) niet meer kunt spellen, heb je een probleem. Dan raad ik je persoonlijk het boek ‘Nederlands voor dummies’ aan. Sterker nog, ik koop het voor je! Maar tot die tijd heb ik er weinig problemen mee. En als die jochies mij een tantoe spange tatta vinden, dan zeg ik voortaan netjes dankjewel, mits ze niet over assers (=billen) beginnen. In het Nederlands, want je kunt natuurlijk ook te ver gaan. Je weet zelluf, mattie.

Volg Brenda op Twitter, lees haar blog

Geef een reactie

Laatste reacties (45)