844
24

Socioloog

Rineke van Daalen (1947) werkt als socioloog aan de Universiteit van Amsterdam. Ze schreef Overgebleven werk. Kinderen tussen de middag op school (Het Spinhuis, 2005). Met Ali de Regt schreef ze verschillende artikelen over onderwijs, waaronder ‘Verborgen krenkingen in het onderwijs’.

Succes op school moet anders gedefinieerd worden

Schoolprestaties worden mede bepaald door motivatie. Het is net zo goed een zaak van de school als van de omgeving daar aan bij te dragen.

In een postindustriële meritocratie zijn schools succes en schooldiploma’s de belangrijkste maatstaf van verdienste. Intellectueel presteren is daarvoor doorslaggevend. Het is hét onderscheidende criterium op school en in de klas, en er klinkt een echo in door van het primaat van het hoofd boven de handen.

In dat schema wordt het diploma met de hoogste intellectuele moeilijkheidsgraad het hoogst gewaardeerd. En daarbij hoort de gedachte dat mensen hun intellect zo goed mogelijk moeten aanwenden en een bezorgdheid om intellect dat om verschillende redenen verloren kan gaan. Het typeert het westerse onderwijs dat de angst voor verspilling van intellectueel talent veel groter is dan die voor het doen verdwijnen van motivatie.
In het tot stand komen van schoolprestaties zijn de intellectuele vermogens van leerlingen echter niet meer dan een van de ingrediënten. De aanwezigheid van motivatie is even belangrijk, en een noodzakelijke voorwaarde om tot iets te komen. Die drijfveer is ten diepste verbonden met de sociale relaties en met het zelfbeeld van leerlingen. Met de verwachtingen van hun trotse of onverschillige ouders, met de steun van een broer of de nonchalance van een flierefluitende zus, met vrienden op de hoek van de straat, met de basisschool waar zij zich zo thuis hebben gevoeld. Die buitenschoolse oriëntatiepunten zijn van belang, maar dat zijn de relaties en interacties in de klas ook.
Ook die zijn verweven met de manier waarop leerlingen over zichzelf en hun eigen vermogens denken, en waarop ze hun kansen op school inschatten. Het is afhankelijk van hun zelfbeeld of zij zich voor school willen inspannen of dat zij daar alleen hun tijd uitzitten.
Op het vmbo houden docenten en leerlingen zich nog meer dan op andere schooltypen met schoolprestaties en schoolniveaus bezig. Dat wordt gestimuleerd door de interne differentiatie naar niveau die verband houdt met de grote verscheidenheid aan leerlingen. In de praktijk bevordert die differentiatie een permanente selectie. Die preoccupatie met niveaus houdt voor docenten in dat ze ernaar streven om leerlingen te brengen tot het maximale waartoe deze intellectueel in staat zijn, en dat ze het spijtig vinden wanneer dat niet lukt. Voor leerlingen staat met schools succes nog meer op het spel: de erkenning door anderen van wat ze kunnen en wat ze zijn, en hun teleurstelling en boosheid wanneer die kennelijk uitblijft. Preoccupatie met presteren kan uiteenlopende gevolgen hebben. Deze kan stimulerend werken, maar vaker worden leerlingen en docenten erdoor afgeleid van hun interacties. Leerlingen komen dan niet aan de slag, maar vragen zich in plaats daarvan af: ‘Kan ik het wel?’, ‘Vindt de leraar dat ik het kan?’, ‘Wat vinden anderen van mijn werk?’ En hun gerichtheid op niveaus kan een belemmering vormen om verder te kijken dan school.
In zijn Kohnstammlezing van 2009 verzet socioloog Frank Furedi zich ertegen dat scholen een taak zouden hebben bij het vergroten van de eigenwaarde van kinderen, bijvoorbeeld door hen ‘gedragsmanagement’ aan te leren. Aandacht voor sociale en persoonlijke ontwikkeling vindt hij ten koste gaan van de tijd die anders besteed kan worden aan de studie van traditionele, formele onderwerpen.
Die kant zou het weer op moeten, aldus Furedi. En daarmee zit hij op dezelfde lijn als de Vereniging voor Beter Onderwijs Nederland, die ‘de docent zijn vak wil teruggeven’.
Furedi doet de aandacht voor de eigenwaarde van leerlingen op school nogal honend af als een kwestie waarvoor de school niet bedoeld is, maar hij gaat eraan voorbij dat de school juist een cruciale rol speelt in de vorming van die eigenwaarde. Dat is zeker het geval in naar meritocratisering strevende samenlevingen met strakke toetsregimes en een breed gedeelde ideologie van gelijke kansen. Kinderen zijn daarin geneigd om hun eigen presteren op school als eigen verdienste te zien, en ze ervaren eigen falen dan eerder als bron van schaamte.
Leerlingen nemen in dat proces een kwetsbare positie in. Ze kunnen zich niet of nauwelijks tegen de oordelen van hun docenten verweren. Daarin ligt voor hen een voortdurende dreiging besloten van allerlei varianten van schaamte en pijnlijkheid, uiteenlopend van zich onbekwaam, ondeskundig, ongeschikt en dom voelen tot een gekrenkt zelfvertrouwen en een besef van falen. Deze schaamtegevoelens hebben steeds een sociale component: ze zijn in de woorden van Joop Goudsblom (1997) als sociale pijn te beschouwen. Mislukken en degraderen op school gaan gepaard met de angst dat de beoordeling van anderen een afwijzing in zal houden. Die emoties klinken door in de klas, in de verklaringen die leerlingen voor eigen succes en eigen mislukken geven; in hun motivatie, ambitie, aspiraties, en bovenal in hun gedrag.
Een nadruk op prestaties en selectie – iets waarvan in het Nederlandse onderwijsstelsel van hoog tot laag sprake is – kan niet alleen de eigenwaarde en de motivatie van individuele kinderen ondermijnen, maar ook de interactierituelen in de klas en daarmee het collectieve leerproces.
Dat is een probleem dat serieus moet worden genomen. Cursussen eigenwaarde zijn daarvoor niet de oplossing, daarin heeft Furedi gelijk. Veranderingen moeten eerder in het onderwijs zelf worden gezocht. Daarbij oriënteer ik me op Martin V. Covington, die pleit voor nieuwe definities van succes en falen, in termen van individuele doelen die studenten zichzelf stellen en waarvoor ze hun best willen doen. Door op school zinnige dingen goed te doen kunnen leerlingen zelfvertrouwen verwerven, kunnen ze hun nieuwsgierigheid en verwondering voeden, en kan worden tegengegaan dat hun wil tot leren verlamd raakt. Schools succes is niet afhankelijk van de lengte van de tijd die leerlingen op school doorbrengen; wat doorslaggevend is, is de manier waarop ze die tijd besteden.
Deze bijdrage is de conclusie van het hoofdstuk ‘Presteren en sorteren in de klas: Motivatie, inzet en talent’ uit het zojuist verschenen boek ‘Het vmbo als stigma’, uitgeverij Augustus.

Geef een reactie

Laatste reacties (24)