752
1

Historicus en popproducer

Xavier François Baudet (Groningen 1975) is muziekproducent en schrijver van artikelen over politiek en popcultuur. Hij studeerde Amerikaanse- en Sociale Geschiedenis aan de Universiteit Leiden en schreef zijn scriptie over de wisselwerking tussen de Amerikaanse Burgerrechtenbeweging en de doorbraak van Rock ’n Roll. Zijn bijzondere interesse hebben The Beatles, Zeppelins, Kennedy, de EU en de Amerikaanse verkiezingen. Als producer was hij onder meer betrokken bij het album The Hunt van de art-rock formatie Glossy Jesus.

Te alto voor de mainstream

Press To Play is één van Paul McCartney's interessantste, maar meest onderbelichte soloplaten 

Eén van Paul McCartney’s interessantste, maar meest onderbelichte soloplaten is Press To Play uit 1986. Het album is bijzonder omdat de ex-Beatle net als op McCartney II (1980) en de albums Rushes (1998) en Electric Arguments (2008) die hij onder de naam The Fireman uitbracht, koos voor een elektronische, synthetische sound. Maar anders dan op genoemde platen leidt het hier niet tot geluidsexperimenten maar tot coherente uitgebalanceerde popsongs. McCartney brengt daarmee zijn twee grote talenten op smaakvolle wijze bij elkaar: experimenteren en aanstekelijke popsongs schrijven, iets wat in zijn post-Beatles jaren zeker niet van elk nummer kan worden gezegd.

Op Press To Play wordt McCartney bijgestaan door een ‘stellar cast’ bestaande uit producer Hugh Padgham (o.a. Peter Gabriel, The Human League), Carlos Alomar en Tony Visconti (beide bekend van David Bowie), toetenist Eddie Rayner (Split Enz), Eric Stewart (10CC), Pete Townshend (The Who) en Anne Dudley (Art of Noise, The Full Monty, Les Misérables) en Phil Collins. De personeelslijst alleen al getuigt van de ambitie om te verrassen.

Zwabberkoers
Maar ondanks goede recensies zou Press To Play maar weinig impact hebben. En hoewel een groot deel van McCartney’s solocarriere tegenwoordig meer waardering krijgt dan ooit, wordt dit album zelden genoemd als een hoogtepunt. Daar zijn een aantal redenen voor te noemen: allereerst zat McCartney zelf in het midden van de jaren ’80 nogal op een zwabberkoers. Na twee mega-hits met Michael Jackson en Stevie Wonder, het geniale, maar gezapige We All Stand Together (het kikkerlied!) en de artistieke missers Pipes Of Peace en Give My Regards To Broadstreet had hij alle aansluiting met de ‘serieuze’ popwereld (lees: de Indie-scene) verloren. Press To Play was echter té alto voor de mainstream van het moment.

Nu had McCartney sowieso al een geschiedenis van zijn eigen fans voor het hoofd stoten. Wings was natuurlijk al iets compleet anders dan The Beatles. En McCartney II (het eerste post-Wings album) brak weer radicaal met Wings. Dat ging lang goed, maar midden jaren ’80 was de Macca-achterban ondanks de doorgaans blinde (dove?) loyaliteit het spoor volledig bijster.

Rijp voor retro
Ondertussen was er iets aan het broeien dat pas enkele jaren later goed zichtbaar zou worden. In 1985 verscheen Back to the Future, in 1986 beleefden we de comeback van sixtiesicoon Paul Simon, in 1987 kwam de Beatles-catalogus op CD, en waarschijnlijk de ultieme jaren ’80 band, U2, bracht met Rattle And Hum (1988) een hommage aan het Amerikaanse (pop) verleden. Een jaar later zette Lenny Kravitz de klok 20 jaar terug met Let Love Rule. De wereld was rijp voor retro en de comebackalbums en -tournees van Bob Dylan, The Who, The Stones en ook McCartney.

Maar drie jaar eerder was Press To Play precies niet wat de wereld van hem wilde horen. Als hij dat jaar had willen scoren had hij zoals Simon, Sting en Peter Gabriel iets moeten doen met wereldmuziek. Of misschien had het moeten worden wat hij in 1989 met Elvis Costello en de producer van Crowded House deed: zijn verzameling tamboerijntjes, Rickenbacker Twelves en vooral de Hofner bas afstoffen en een Beatleplaat als Flowers In The Dirt maken.

Knap maar Pompeus
Overigens gebiedt de eerlijkheid te melden dat McCartney zelf de promotie verprutste door de verkeerde singles uit te brengen. Het titelnummer is een draak en de ballade Only Love Remains knap maar pompeus. Het eerste minpuntje van het album komt bovendien al vroeg: de tweede helft van het verder erg spannende Good Times Coming. Op de CD-versie staan bovendien ook nog een aantal nare bonustracks, terwijl een van de sterkere b-kanten, het Afrikaansige Hanglide, is weggelaten.

Maar dat neemt niet weg dat Press To Play verder bol staat van eigenzinnige, puntige popsongs. Het venijnige Stranglehold, het duistere Talk More Talk, het woedende Angry, het Depeche Mode-achtige Pretty Little Head, het ijzige (en stiekem Beatlesque) Footprints, het naar zelfspot riekende Move Over Busker en dan het sluitstuk However Absurd… Zo hadden The Beatles geklonken als McCartney niet tijdens de opnames van Sgt Pepper’s Lonely Hearts Club Band was overleden maar ingevroren, en 20 jaar later in een Terry Gilliam-film ontdooid.

De blijvende waarde van Press To Play bestaat daaruit dat McCartney in het inmiddels weer hip geworden jaren ’80 vocabulaire zijn bovennatuurlijke talent voor catchy popsongs en hooks botviert, en daarmee tot inspiratie kan dienen voor al die Indie-bands die de sixties gaaf vinden maar niet in de zelfde retrovijver willen plassen als bijvoorbeeld Tame Impala of Elephant Stone. Ik zelf heb tijdens de productie van het Glossy Jesus album The Hunt in ieder geval veel naar dit album geluisterd. 

Paul McCartney – Move Over Busker

Paul McCartney – Good Times Coming

Paul McCartney – Angry

Paul McCartney – However Absurd

Geef een reactie

Laatste reactie