1.178
38

Universitair docent bestuurskunde

Willem-Jan Kortleven is universitair docent bestuurskunde aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Hij was eerder verbonden aan de sectie Rechtssociologie van de Erasmus Universiteit Rotterdam, waar hij promoveerde op het proefschrift Voorzorg in Nederland, en studeerde daarvóór Nederlands recht in Leiden (specialisatie rechtsfilosofie).

Teeven gebruikt regels als wapen in ongelijke strijd tegen tolk

Het politieke leven van een staatssecretaris weegt zwaarder dan een tolkenleven...Teeven kan best, maar wil gewoon niet

De dichter Rodaan Al Galidi plaatste eens een aantal kritische kanttekeningen bij onze volksaard: ‘Nederlanders drinken bureaucratie, eten bureaucratie, ze plassen bureaucratie, poepen bureaucratie.’ Nu is bureaucratie op zichzelf niet slecht. Dankzij de bureaucratische vorm van organiseren, met vooraf vastgestelde regels die zonder willekeur worden toegepast, functioneert onze samenleving betrekkelijk soepel en rechtvaardig. Problemen ontstaan waar bureaucratie ontaardt in bureaucratisme: regels krijgen een sacrale status, bureaucraten gaan handelen als potentaten, mensen worden onderworpen aan het systeem.

De manier waarop Nederland de Afghaanse tolk Abdul Ghafoor Ahmadzai behandelt, zou kwaadaardig bureaucratisme genoemd kunnen worden: de regels worden gebruikt als wapens in een ongelijke strijd tussen bureaucratie en individu. Staatssecretaris Teeven en zijn IND kunnen hun weigering Ahmadzai’s asielaanvraag inhoudelijk te beoordelen slechts rechtvaardigen door de toevlucht te nemen tot een dubieuze tactiek van kunstgrepen: enerzijds blazen zij de regels en procedures op tot buiten hun eigenlijke proporties, anderzijds bagatelliseren zij de feiten.

Eigen tolk eerst
Wat betreft het opblazen van de regels: Teeven werkt actief mee om het misverstand in stand te houden dat Nederland Ahmadzai geen asiel kan verlenen vanwege de zogenaamde Dublinverordening. Die bepaalt dat het eerste land in Europa waar iemand asiel aanvraagt, in deze zaak Noorwegen, verantwoordelijk is voor de behandeling van die aanvraag. En omdat Noorwegen Ahmadzai’s zaak al inhoudelijk heeft beoordeeld, zou Nederland dat niet nog eens kunnen doen.

Die interpretatie is onzin. Nederland hoeft Ahmadzai’s zaak niet inhoudelijk te behandelen, maar mag dat wel. De regels bieden die ruimte, en niemand in Europa zou zich erom bekreunen als Nederland die ruimte gebruikt, ook de Noren niet. Sterker: er is veel reden om te denken dat Noorwegen bij de afwijzing van Ahmadzai’s asielaanvraag het principe ‘eigen tolk eerst’ zwaar heeft laten meewegen. Dat land heeft zelf middels een collectieve asielregeling verantwoordelijkheid genomen voor tolken die het Noorse leger in Afghanistan hielpen; Ahmadzai zal zijn beschouwd als Nederlands pakkie-an.

Maar in zijn recente antwoorden op Kamervragen blijft Teeven doen alsof hij niet anders kan dan Ahmadzai’s asielaanvraag terzijde schuiven. Een afwijking van de Dublinverordening zou alleen mogelijk zijn bij bijzondere individuele omstandigheden. Je zou zeggen dat die bijzondere individuele omstandigheden in Ahmadzai’s zaak overvloedig aanwezig zijn: gewerkt voor het Nederlandse leger, identiteit bekend geraakt door levensgevaarlijke stommiteit van datzelfde leger, broer vermoord door Taliban die eigenlijk de tolk zelf bedoelden. De dreiging voor Ahmadzai is duidelijk, de morele verantwoordelijkheid van Nederland eveneens.

Bagatellisering feiten
Maar dat is buiten Teeven’s tactiek van bagatellisering gerekend. Hij isoleert de feiten eerst van elkaar zodat ze gemakkelijker afgeserveerd kunnen worden. De kern van Teeven’s argumentatie is, vreemd genoeg, dat ‘het enkele feit’ dat Ahmadzai voor ons leger werkte onvoldoende is om zijn asielaanvraag inhoudelijk te behandelen. Dat er naast dat ‘enkele feit’ nog twee uiterst relevante feiten zijn, wordt hier op een opzichtige manier tussen haakjes gezet.

Vervolgens maakt Teeven de feiten consequent kleiner dan ze zijn. Zo wordt er fijntjes op gewezen dat Ahmadzai slechts ‘een beperkte periode’ voor het Nederlandse leger heeft gewerkt. Alsof het relevant is hoe lang Ahmadzai voor ons leger tolkte: een beperkte periode van samenwerking leverde net zo goed risico’s op voor Ahmadzai en verantwoordelijkheden voor Nederland als een langere periode zou hebben gedaan. Ook de onzorgvuldige omgang van het Nederlandse leger met Ahmadzai’s identiteit wordt gebagatelliseerd: ‘Indien betrokkene tijdens de uitvoering van zijn werkzaamheden door de BBC herkenbaar in beeld is gebracht, is dat ongelukkig’. Met de ‘als-dan’-formulering wordt subtiel geprobeerd een hard en te verifiëren feit wat te verzachten, de kwalificatie ‘ongelukkig’ is van een tergende zuinigheid, en de stilte die na deze zin intreedt is oorverdovend: geen woord over het verbinden van consequenties aan deze schending van het eigen beleid.   

Ten slotte laat Teeven de moord op de broer van Ahmadzai, die het risico voor de tolk zelf meer dan aannemelijk maakt, simpelweg buiten beschouwing. Noorwegen heeft het verhaal van Ahmadzai immers al beoordeeld, dus hoeft Teeven het formeel niet meer te doen. Waarmee de paradoxale situatie ontstaat dat de beoordeling van Ahmadzai’s asielaanvraag door Noorwegen, die waarschijnlijk mede negatief uitpakte omdat Ahmadzai als een Nederlandse verantwoordelijkheid werd beschouwd, door Nederland wordt gebruikt om zijn verantwoordelijkheid te ontlopen.

Kwade trouw
Nederland heeft dus een morele plicht én de juridische mogelijkheid Ahmadzai asiel te verlenen, maar geen juridische plicht. Staatssecretaris Teeven hoopt de morele verplichting te kunnen negeren door de afwezigheid van een juridische verplichting met kunstgrepen te vermommen als een juridische onmogelijkheid. Dat gaat verder dan rigide bureaucratisch handelen: het is kwade trouw.

Dat de PvdA en de VVD het vervolgens niet op een debat met Teeven durven te laten aankomen, getuigt van een kwaad geweten. Als de staatssecretaris deugdelijk heeft gehandeld, waarom zou hij daar dan geen verantwoording van afleggen? Er zijn wel bewindslieden voor mindere wissewasjes naar de Kamer geroepen. Maar het politieke leven van een staatssecretaris weegt nu eenmaal zwaarder dan een tolkenleven.  
Willem-Jan Kortleven is universitair docent bestuurskunde aan de Vrije Universiteit Amsterdam

Geef een reactie

Laatste reacties (38)