1.292
3

Schrijft vanuit Egypte

Natascha Lammerts van Bueren was vroeger advocaat in Amsterdam en woont na avonturen in Congo en La Réunion sinds 2011 met haar gezin in Caïro, Egypte. Waar iedere dag een verrassing in petto heeft. Leest het liefst alles (wat niet lukt), schrijft, promoot Egyptische wijnen en is secretaris van Stichting En Classe (www.enclasse.org).

Terug naar Congo

'Congo kroop onder mijn huid, zoals de witte worm dat bij mijn dochter deed'

Ik hoor het de anesthesist nog zeggen: “Mijn vorige baan was hoofd kwaliteit bier”. Het waren de allerlaatste woorden die ik hoorde voordat ik wegzakte in een diepe narcose. Wat er in mijn dromen gebeurde herinner ik me niet meer, maar ze moeten heftig zijn geweest. Uren later werd ik wild schoppend wakker. Ik leef nog was het eerste dat er door me heen schoot. Ik leef! Iemand hield mijn hand vast. “Alles is goed, hij is eruit”. “Hij” was de blinde darm, een onnodig aanhangsel dat was gaan ontsteken toen we net vijf maanden in Congo woonden.

Wat was ik ontzettend bang geweest. Nog nooit was ik geopereerd, en nu moest mijn blinde darm in Kinshasa ineens onder volledige narcose operatief verwijderd worden. Drie Congolese verpleegsters maakten me “operatie-klaar”, met de engste en kaalste scheermesjes die ik ooit heb gezien. Mijn urine was zwart, maar behalve ikzelf raakte niemand in paniek. Iemand nam bloed bij me af. Met schone naalden, zo werd me verzekerd. Ik moest het wel geloven, wat kon ik anders?

De operatie was een succes, de trombose in mijn linker arm niet. Na de operatie moest ik een paar dagen in het ziekenhuis blijven. Doordat een infuus niet op tijd vervangen werd raakte de ader in mijn arm verstopt. Met mijn arm hangend in een mitella vluchtte ik naar huis, waar ik dagelijks bloedverdunners moest spuiten. Hoe kon ik vermoeden dat het ergste nog moest komen?

Eenmaal thuis bleek dat het in Kinshasa niet langer veilig was. De eerste democratisch gehouden presidentsverkiezingen stonden voor de deur. Joseph Kabila en Jean-Pierre Bemba slepen hun degens met als inzet de uiterst lucratieve troon in het grondstoffenrijke Congo. Omdat niemand kon voorspellen hoe deze strijd zou aflopen moest ik uit voorzorg Kinshasa verlaten. En wel onmiddellijk. Nog zwakjes van de operatie en narcose had ik met mijn pijnlijke arm twee uur de tijd om alle koffers in te pakken; diezelfde avond vloog ik naar Brussel. Lopend naar het vliegtuig waarvan de motoren al warmdraaiden moesten mijn twee huilende dochtertjes abrupt afscheid nemen van hun papa, en ik van mijn maatje. Zelf pinkte ik een klein traantje weg, een stewardess beet me toe: “Alstublieft, verman uzelf omwille van de kinderen”. Op het vliegveld van Brussel vloog ik mijn ouders huilend in de armen.

Dat was acht jaar geleden. Af en toe komt deze herinnering boven drijven, zoals afgelopen week toen ik weer in Congo was. Ik was er voor onze stichting En Classe, die we in 2007 met vijf Nederlandse vrouwen, allen wonend in Kinshasa,  hebben opgericht. Omdat stilzitten voor ons geen optie was. Inmiddels ondersteunen we vijfentwintig basisscholen in de armste wijken van Kinshasa, onder meer door vervallen schoolgebouwen grondig te renoveren en van degelijke lesbanken te voorzien. Maar we geven ook training aan laaggeschoolde leraren en gaan binnenkort e-readers introduceren. Sinds vorige week hebben we een lokale medewerker in dienst: Giovanni, een jonge Congolees met een Italiaanse voornaam, wiens visie en bewezen daadkracht haast te mooi lijken om waar te zijn. Met heel zijn Congolese hart zal hij zich gaan inzetten. Zodat leerlingen op een bank zitten in plaats van op een vieze vochtige grond, en al hebben ze geen slippertjes aan hun voeten, ze in ieder geval een boek hebben om in te lezen. Zodat ze even kunnen ontsnappen aan hun vreselijke realiteit, een beetje kennis kunnen opdoen en zo wellicht kans hebben op een beter leven dan dat van hun ouders. Wat zou dat mooi zijn.

Hoe het afliep acht jaar geleden? Ik ging inderdaad terug. Na zes lange maanden ging ik uiteindelijk terug naar Congo. Al heb ik zwaar getwijfeld, toen ik mijn leven in het reservaat Amsterdam-Zuid eenmaal weer had opgebouwd. Ik wilde niet nóg een levende worm in het hoofd van mijn dochter ontdekken, de Spaanse vlieg die met zijn zuur de tere halshuid van mijn peuter op vrat zou ik evenmin missen en weg zou de kans op malaria zijn. Weg, weg, weg. En dan heb ik de hartverscheurende straatkinderen, de alles kapotmakende corruptie en de altijd loerende dood die als een windvlaag levens wegneemt in the rape capital of the world, nog niet eens genoemd. Welke jonge moeder zou er niet twijfelen? Maar ik besloot om Congo nog een kans te geven, en terug te gaan naar het land dat me tot in elke vezel van mijn ziel diep, misschien wel te diep, had geraakt. De drie jaren die volgden waren de meest onvergetelijke van mijn leven. Heftige, emotionele maar geweldige jaren. Geweldig dankzij de kleurrijke, uitbundige, creatieve, veerkrachtige, warme, lieve maar oh zo arme en noodlijdende Congolezen. Dankzij de uitgelaten kinderen op een school van En Classe, intens blij met die ene gele voetbal van de Johan Cruyff Foundation. Congo kroop onder mijn huid, zoals de witte worm dat bij mijn dochter deed. En daarom ga ik terug, nog steeds. Al had ik dat acht jaar geleden vanuit mijn ziekenhuisbed nooit kunnen bedenken.  

Geef een reactie

Laatste reacties (3)