2.212
44

Oud-minister van Volkshuisvesting

Marcel van Dam was in 1969 voor het eerst te zien op de VARA-televisie met het programma 'De Ombudsman', dat werd uitgezonden tot hij in 1973 de politiek inging. Tot 1977 was hij staatssecretaris, vervolgens werd hij lid van de Tweede Kamer, in 1981 werd hij minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening en van 1982 tot 1985 was hij weer lid van de Tweede Kamer voor de PvdA. Van Dam was van 1986 tot in 1995 voorzitter van de VARA. Na ‘De Ombudsman’ was Marcel van Dam ook nog te zien als presentator van 'De Achterkant van het Gelijk' –waarvoor hij de Nipkowschijf won- en als medepresentator van het debatprogramma 'Het Lagerhuis'. In 2009 volgt de VARA-documentaire ‘De Onrendabelen’, die op initiatief van Marcel van Dam is gemaakt door filmmaker Hans Heijnen.

Terug naar de vooruitgang

Landen met de beste sociale zekerheid blijken het meest concurrerend.

Vanaf begin jaren tachtig wordt de verzorgingsstaat met economische argumenten uitgekleed. Maar telkens als ik mensen hoor beweren dat de verzorgingsstaat onbetaalbaar is geworden, of dat onze concurrentiepositie erdoor wordt ondermijnd, of dat de verzorgingsstaat mensen met een uitkering lui maakt, of dat hardwerkende Nederlanders minder hard werken als zij er veel aan moeten bijdragen, denk ik: waar blijkt dat dan uit? Hoe is dat berekend? Wat waren daarbij de vooronderstellingen? Welke variabelen werden gebruikt en welke niet? In welke context werden de uitkomsten van betekenis voorzien?

Verbazend is dat het neoliberale beleid, gestoeld op het geloof dat de samenleving beter af is als iedereen voor zichzelf zorgt, een toetsing kennelijk niet nodig heeft. Critici van de verzorgingsstaat denken de logica aan hun kant te hebben, een soort waarheid waaraan de moraal ondergeschikt is. Maar de moraal volgt nooit uit een berekening. De twee ordeningsmodellen, het Angelsaksische model en het Rijnlandse model, zouden, met morele criteria als uitgangspunt, op hun bruikbaarheid moeten worden getoetst met een kosten-batenanalyse. Waarbij kosten en opbrengsten van de verzorgingsstaat naast elkaar worden gezet.

In de afgelopen decennia werden mensen met een minimuminkomen op een steeds grotere achterstand gezet. Zelfs nu nog is hun koopkracht lager dan in 1980. De uitkeringen werden niet alleen verlaagd om te bezuinigen maar ook om mensen aan het werk te zetten. Coen Teulings, directeur van het Centraal Planbureau, legde het in NRC/Handelsblad van 25 mei j.l. uit: ‘Als je mensen die volstrekt kansloos op de arbeidsmarkt zijn hun uitkering ontneemt, dan doe je maar één ding: iemand in armoede storten. Maar in veel gevallen zie je toch dat mensen bij het stoppen van hun uitkering gedwongen zijn een baan te zoeken. En dat lukt dan meestal. Dus lagere uitkeringen of uitkeringen die minder lang doorlopen vertalen zich in meer banen.’

In de jaren tachtig was het beleid mensen in armoede te storten heel succesvol. Helaas kregen ze toch geen werk. Maar als Teulings gelijk zou hebben, is het dan moreel gerechtvaardigd mensen in armoede te storten? En moet de economische winst op korte termijn niet worden afgewogen tegen maatschappelijke uitverdien effecten op lange termijn? Armoede en achterstand veroorzaken een reeks van maatschappelijk problemen waarvan de bestrijding miljarden kost.

Ander voorbeeld: door de woningmarkt gedeeltelijk te liberaliseren werd de woningdistributie uit handen gegeven en kwamen mensen met de laagste inkomens in achterstandswijken terecht. Al enkele decennia besteden we miljarden om daar de leefomgeving te verbeteren. Maar achterstand kleeft niet aan de leefomgeving maar aan mensen. Nu wil de politiek de woningmarkt verder liberaliseren waardoor de segregatie naar inkomen zich zal versnellen. Met de voorspelbare uitkomst dat aantal en omvang van probleemwijken zal groeien. Wat is dan de winst van de liberalisering?

Vanwege de globalisering moeten we een flink deel van onze sociale zekerheden opgeven. Anders missen we immers de concurrentieslag? Weer is de grondfout dat alleen kosten van de verzorgingsstaat worden gezien, opbrengsten niet.

De vader van de sociologie, Emile Durkheim, introduceerde op het eind van de negentiende eeuw het begrip anomie. Als verbondenheid en continuïteit op de tocht komen te staan, ontstaat het gevoel van uitsluiting en doelloosheid, gevolgd door normloosheid. Dat gebeurt bij het trimmen van de verzorgingsstaat vooral bij mensen die daarop het meest zijn aangewezen.

Voor deze groep is juist het bieden van meer zekerheid en veiligheid het antwoord op de globalisering. Niet alleen uit maatschappelijke overwegingen maar ook uit economische noodzaak. Mensen die zich zeker en veilig voelen zijn productiever en zijn bereid meer voor de samenleving te doen. Landen met de beste sociale zekerheid blijken het meest concurrerend.

Achterstand kost klauwen met geld. Daarom moeten kinderen niet in een arme maar in een kansrijke omgeving opgroeien. De beste bestrijding van achterstand is voorkomen dat die geërfd wordt. Veel mensen met achterstand blijven het liefst thuis en ontwikkelen samenlevingsvrees. Dat uit zich ook in werkschuwheid. Wat de middenklasse als luiheid en onwil ziet is in werkelijkheid vaak angst niet aan verwachtingen te kunnen voldoen en angst voor vernedering. Goed opgeleide mensen die bevrediging en respect ontlenen aan een baan gaan met vreugde naar hun werk. Maar iemand met een uitkering die verplicht wordt smerig, vernederend en onderbetaald werk te doen ziet de bijstandsambtenaar die hem daartoe verplicht als vijand. Het gaat erom mensen de kans te geven zo normaal mogelijk in de samenleving te participeren en ze te respecteren voor wat ze zijn, niet voor wat ze kunnen.

Een eerste vereiste is dat ze een minimaal inkomen hebben op een niveau dat dit mogelijk maakt en dat aan de welvaartsstijging is gekoppeld.

Volgens de internationale armoede grens van de OESO is iemand arm als hij minder verdient dan 60% van het middelste inkomen. Bij ons is die armoede toegenomen van 4% in 1980 tot 11% nu. De inkomensverdeling in een kenniseconomie die steeds productiever wordt moet worden afgestemd op het groeiend aantal mensen dat niet mee kan komen.

Sinds de ideologische veren zijn afgeschud en technocraten de richting bepalen, komt daar weinig van terecht. Beleidsdoelen en resultaten worden door elkaar gehaald en de instrumenten en de morele rechtvaardiging worden daarop afgestemd. Als het rendement van een hulpverlener niet berekend kan worden, schiet de berekening niet tekort maar de hulpverlener. De omvang van een besparing is de rechtvaardiging, het effect op mensen wordt niet gemeten. En wat je niet kunt meten bestaat niet voor de technocraat. Gold dat ook maar voor de schade die hij aanricht.

Politici behoren de morele grondslagen van de samenleving te bewaken. Het gaat niet alleen om normen en waarden uit het strafrecht. Het bevorderen van maatschappelijke verbondenheid is een grotere morele opgave. Of is het geen zaak van moraal als iemand ongemerkt een paar weken dood in huis heeft gelegen?

De opbrengst van moraal, mededogen, en zorg is moeilijk te kwantificeren. Met de kosten gaat dat veel makkelijker. Omdat het liefdevol verzorgen van een demente bejaarde niet kan worden versneld, blijft de productiviteit in de zorg achter bij de rest van de economie. Daarom wordt de zorg duurder en moet er bezuinigd worden. Want voor technocraten en politici mag de collectieve lastendruk niet stijgen. Sterker nog: om te voorkomen dat te veel mensen in de verre toekomst als gevolg van de welvaartsstijging in hogere belastingtarieven terecht komen moeten die tarieven geleidelijk worden verlaagd. Door die belastingverlaging dalen de belastinginkomsten en ontstaat er een “houdbaarheidstekort” van 29 miljard euro. Ik ben ook voor houdbare overheidsfinanciën. Maar er is geen economische noodzaak de overheidsfinanciën eerst onhoudbaar te maken door in de toekomst de inkomstenbelasting geleidelijk te verlagen, om vervolgens het daardoor ontstane tekort te lijf te gaan met het verder uitkleden van de verzorgingsstaat.

We schuiven steeds verder op in Angelsaksische richting.

In geen enkele lidstaat van de OESO is tussen 1995 en 2007 het belastingpeil zo sterk gedaald als in Nederland, namelijk met 4% van het nationaal inkomen. Nederland zit daarmee in Europa onder het gemiddelde. De collectieve lastendruk als geheel is nog sterker teruggebracht. Die daalde onder het bewind van Kok met maar liefst 7% van het bruto binnenlands product. Dat ging gepaard met het afbouwen van de sociale bescherming. Nederland is het enige land in Europa waar de uitgaven voor sociale bescherming vanaf 1980 zijn gedaald, namelijk met 4% van het BBP, ook beneden het Europese gemiddelde. Terwijl we in 1980 met Zweden nog aan de top stonden.

Ook zonder extra geld is de samenleving hechter en rechtvaardiger te maken. Achterstand bestrijd je vooral door mensen te respecteren voor wat ze zijn, niet voor wat ze opleveren. Het kost helemaal niets eigen verantwoordelijkheid te integreren in gemeenschappelijke verantwoordelijkheid. Om te erkennen dat onze habitus geen verdienste is maar een geschenk.

Beleid moet worden gemaakt vanuit de belevingswereld van mensen waarvoor het is bedoeld, niet uit de belevingswereld van de middenklasse. Het is aan de onderkant vaak goedkoper de arbeidsmarkt geschikt te maken voor mensen, dan mensen voor de arbeidsmarkt.

De kunst is bestaande, verkokerde denkkaders te verlaten. Als de postbezorging terugloopt decreteert het marktdenken dat je postbezorgers moet ontslaan. Een onorthodox denkend kabinet zou samen met het bedrijfsleven een “BV Bezorgd” kunnen oprichten die minder rendabele mensen tussen de 60 en 70 in dienst neemt, van full time tot een halve dag in de week, om een reeks van functies te vervullen in hun directe omgeving, zoals het bezorgen van post, kranten, boodschappen voor mensen die aan huis zijn gebonden en die leren om problemen in hun “wijk” te signaleren en relevante hulpinstellingen in te inschakelen. De verschillende overheden kunnen het publieke deel van het inkomen van de werknemers voor hun rekening nemen, te financieren uit besparingen op uitkeringen.

Politici hebben zich tot gevangenen van het electoraat gemaakt en leiden aan faalangst. Zij zijn op weg naar een toekomst die technocraten voor hen berekenen. Maar een rechtvaardige toekomst voor iedereen is niet te berekenen, daar moet je in geloven. En dat geloof moet je willen verkondigen. We moeten terug naar de vooruitgang.

Dit is een sterk verkorte bewerking van de Drees lezing op 30 september uitgesproken in Den Haag

‘Terug naar de vooruitgang’ door Marcel van Dam

2010 De Bezige Bij. 

ISBN 9789023457947

10 euro

Geef een reactie

Laatste reacties (44)