415
2

schrijfster/journalist

Annemarie Haverkamp is 42 jaar. Geheel onverwacht kwam haar zoon Job in 2004 ernstig gehandicapt op de wereld. Eenmaal van de schrik bekomen, besloot Annemarie in De Gelderlander een column te schrijven over Job. Omdat ze de buitenwereld graag wil laten zien hoe het echt is, het dagelijks leven met een gehandicapt kind. De columns werden gebundeld in twee boeken. Haar eerste non-fictieroman Dolgelukkig zijn wij verscheen 19 oktober 2010 bij uitgeverij Nieuw Amsterdam. Het taboedoorbrekende boek genereerde veel media-aandacht. Annemarie studeerde culturele antropologie, werkte als redacteur, redactiechef en columnist bij De Gelderlander, was chef van het Arnhem/Nijmegen-magazine Luxity en is nu hoofdredacteur van universiteitsblad Vox.

Tuinpad

Om de uitbouw heen legde mijn vader een nieuw tuinpad. Jaja, daar kon hij dan zo met die rolstoel overheen hobbelen als hij later oud en krakkemikkig was

Ik hoor het mijn vader nog zeggen: “als ik dan later in een rolstoel zit, kan ik tenminste mijn huis nog in”. Hij trok er een gezicht bij. Triomfantelijk. Mijn vader de grappenmaker. Mijn vader de uitvinder.

Job (7) – zeven – is door een chromosoomafwijking verstandelijk en lichamelijk gehandicapt

Het was ruim tien jaar geleden. De kinderen waren vertrokken en pa en ma hadden eindelijk geld om het huis uit te bouwen. Er kwam een slaapkamer beneden, met openslaande deuren naar de tuin. Deed mijn vader mijn moeder een groot plezier mee: ze zou elke ochtend wakker worden met uitzicht op haar paradijs dat ze zelf had geschapen en dagelijks met grote zorg onderhield. Pure luxe.

Papa bouwde de nieuwe kamer uiteraard zelf. Hij was timmerman. Overdag werkte hij voor de baas, na vijf uur trok hij de werkoverall weer aan om thuis aan de slag te gaan. Op de plek waar vroeger de auto stond, zou het bed komen. Daarachter verrees een nieuwe badkamer met zwarte hoogglans tegels en een parelmoeren kraan.

Om de uitbouw heen legde mijn vader een nieuw tuinpad. Jaja, daar kon hij dan zo met die rolstoel overheen hobbelen als hij later oud en krakkemikkig was. En hup de kamer in. Zagen we het voor ons? Weer dat gezicht.

Tien jaar geleden waren mijn ouders midden vijftig. Ze mankeerden nooit iets, hadden zich in hun werkende bestaan nog geen dag ziek gemeld. Het enige ongemak waar mijn afgestudeerde broer en ik in onze universiteitssteden mee kampten, waren heftige katers. Eigen schuld. We konden tijdens het uitgaan ook cola bestellen. Een goede gezondheid was in ons gezin net zo vanzelfsprekend als halfvolle melk bij het ontbijt.

Nu is het december 2011. Over het inmiddels ingesleten tuinpad rijd ik mijn zoon Job naar de openslaande deuren. Mijn moeder helpt me de wielen van de rolstoel over het drempeltje te tillen. Een koffer vol luiers en slabbers gooi ik op het tweepersoonsbed. Ik zie dat papa – allesbehalve oud en krakkemikkig – Jobs bed al heeft klaargezet; een logeerbed van planken op maat gemaakt in de inloopkast van mijn ouders. Hier slaapt Job veilig, hier horen ze hem als hij hoest.

‘Hoe is het met hem?’, vraagt mijn moeder.

Ik zeg haar dat het iets beter gaat, maar dat Job nog niets eet. Hij heeft ruim een week griep, we lieten hem al twee keer door de huisarts onderzoeken.

’We zullen goed voor hem zorgen’, zegt mama. ‘Maak je maar niet druk.’

Ik zet de antibiotica in de koelkast. Mijn zoon geef ik een laatste knuffel en via de achterdeur voor de gezonde mensen verlaat ik het huis van mijn gepensioneerde ouders.
 We mochten de vakantie niet afzeggen vanwege een zieke zoon, hadden ze ons op het hart gedrukt. Dus vliegen de vader van Job en ik morgen met een dubbel gevoel naar Bonaire. Een ontspannen weekje weg zonder gehandicapt kind.

Dit stuk verscheen eerder op de weblog van Annemarie Haverkamp


Laatste publicatie van Annemarie Haverkamp

  • Job gaat viral

    November 2016


Geef een reactie

Laatste reacties (2)