4.863
27

Directeur Stichting Bootvluchteling

foto: Bertina Kramer

Tussen het snel groeiend aantal vluchtelingen op Lesbos

Soms voel ik me met mijn organisatie een roepende in de woestijn. We ploeteren, maken lange dagen, maar aan de oorzaak van de ellende verandert niets

Foto: Bertina Kramer

Ik staar naar het getal op mijn beeldscherm. Dagelijks krijgen we als organisatie te horen hoeveel mensen er zijn aangekomen in vluchtelingenkamp Moria op Lesbos. Vandaag zijn het er 600, waarmee het aantal inwoners op 10.000 uitkomt. Iets waar we al heel lang bang voor waren. Een niet te bevatten getal, 10.000 mensen die in een kamp in Europa leven zonder voldoende basale voorzieningen. Je kunt het bijna geen leven noemen. Even verderop in Griekenland is het al niet veel beter. Daar gaan we dus ook helpen. De bootjes blijven komen. Er zijn momenteel meer vluchtelingen in Griekenland dan op het hoogtepunt van de crisis in 2015/2016, met één groot verschil: nu zitten ze muurvast, toen mochten ze door.

Als stichting werken we met een medisch en een psychologisch team in Griekenland. Nederlandse en internationale vrijwilligers geven hier enkele weken tot soms maanden van hun tijd om deze bootvluchtelingen te helpen. Inmiddels zijn zo’n 3000 vrijwilligers dit aangegaan. Dat is allang geen druppel op de gloeiende plaat meer. Dagelijks worden zij blootgesteld aan de verhalen van vluchtelingen die verschrikkelijke dingen hebben meegemaakt.

Vertel mij eens hoe je niet gefrustreerd moet raken als je als arts maar liefst 125 patiënten ziet op één avond, waarvan een groot deel tijdens hun vlucht is verkracht. Vrouwen én mannen. Als een jonge vrouw je vertelt dat ze is verkracht door vijf soldaten, voor het oog van haar gezin… waarna ze haar man doodschoten. En dat je die vrouw vervolgens naar haar tent terug moet sturen met niet meer dan een pilletje en een verwijsbriefje voor de psycholoog die over acht maanden tijd heeft. Vertel mij eens wat dat met jou zou doen? Wat het voor deze vrouw betekent?

Ik zou honderden psychologen aan het werk kunnen zetten en het zou nog niet genoeg zijn.

We ploeteren om fondsen binnen te krijgen, om aan geld te komen voor de noden die er zijn. We sturen updates naar politieke partijen. Ik reis heel Nederland door om te praten met mensen in de hoop dat er hartverwarmende donaties worden toegezegd zodat we verder kunnen met plannen maken. Steeds vaker zit ik moedeloos in de trein naar huis. Ik wil de morele keuzes van onze organisatie kunnen baseren op de nood en niet op onze steeds leger wordende portemonnee. Onze uitgaven stijgen maar fondsen worden steeds huiveriger om hun naam aan deze kwetsbare doelgroep te verbinden. Het is tenslotte ‘politiek beladen’ hulp.

Maar heeft die vrouw in onze kliniek daar een boodschap aan? Heeft onze arts daar een boodschap aan als hij zich midden in de nacht na zijn shift vol frustratie naar ons vrijwilligershuis rijdt en zich niet te bevatten machteloos voelt, terwijl hij een wereld van verschil heeft gemaakt die avond? Heeft de leerkracht van onze school daar een boodschap aan, als het haar niet goed lukt om het tafel-bonkende jongetje te helpen die steeds in zijn broek plast en nachtmerries heeft doordat zijn vader voor zijn ogen is verdronken?

Ik hoorde laatst een mooi verhaal van een pastor. Ik ken het niet meer exact, maar de strekking was dat deze man maar bleef helpen en prediken tegen mensen die niet luisterden. Zijn hulp veranderde niets, het bleef even erg. Toen de mensen hem vroegen waarom hij er toch mee doorging hoewel het zinloos leek, en waarom hij niet wanhopig werd, zei hij: ik doe dit zodat het míj niet verandert.

Dat trof me. Soms voel ik me met mijn organisatie een roepende in de woestijn. We ploeteren, maken lange dagen, maar aan de oorzaak van de ellende verandert niets. De bootjes blijven aankomen, de wachtrij voor onze kliniek wordt elke dag langer, de opvang blijft slecht, de wachtlijst voor onze school wordt nooit korter, Europa lijkt nog steeds geen warm welkom aan deze mensen te willen geven en onze teams raken uitgeput.

Toch gaan we door. Omdat er mensen nodig zijn die een glimlach bezorgen aan kinderen die niet kunnen vluchten voor hun boze dromen, die trompet spelen op de puinhopen van hun bestaan. Die hun hand pakken en met hen touwtjespringen op het roze stoepkrijt naast het prikkeldraad. Er zijn dokters nodig die ballonnen blazen van plastic handschoenen voor dat 14-jarige meisje dat onderweg is verkracht. Er moeten mensen zijn die zeggen: kom maar in mijn armen. Er moeten mensen zijn die pleisters plakken op gebroken harten. Er moeten juffen zijn die liedjes zingen met kinderen van verdronken moeders. Er moeten mensen zijn die op de hekken van Moria in grote witte letters LIEFDE verven en liefde zijn.

Bij dat soort mensen wil ik horen.


Laatste publicatie van Annerieke Berg - de Boer

  • Kwetsbaar Begin

    Wat iedereen moet weten over adoptie

    2010


Geef een reactie

Laatste reacties (27)