3.104
187

Oud-fractievoorzitter GroenLinks

Femke Halsema (1966) is voormalig fractievoorzitter van GroenLinks. Ze zat vanaf 1998 in de Tweede Kamer en was sinds november 2002 fractievoorzitter. Femke werkte van 1993 tot 1997 bij de Wiardi Beckman Stichting, het wetenschappelijk bureau van de PvdA, en van 1996 tot 1998 bij politiek-cultureel centrum De Balie. Ze woont in Amsterdam.

Van de straat naar de staat

De PvdA moet een keuze maken tussen het sociale conservatisme van de SP of voor de progressieve krachten van GroenLinks en D66

Er zijn dringende economische, maatschappelijke en politieke redenen voor samenwerking en het vestigen van progressieve macht in Nederland. De contouren voor progressieve samenwerking is internationalistisch, toekomstgericht, veranderingsgezind, anti-bureaucratisch en democratisch.

Goede middag partijgenoten, belangstellenden,

Het is geruststellend en een troost dat, terwijl je zelf ouder wordt, de partij waaraan je verbonden bent, ook enigszins met je meegroeit (hoewel het bij mij toch echt harder lijkt te gaan).

Nu bij ‘ons’ 20e levensjaar ligt er een prachtig historisch boek, waarvoor ik de auteurs graag bedank. Het beschrijft onze geschiedenis van ups en downs, van rumoer en harstocht en laat de gestage ontwikkeling zien van een fusiebeweging tot een coherente, moderne politieke partij.

Ik vind dat ook een partij om trots op te zijn. Zoals gebruikelijk in een historisch boek is er veel aandacht voor de grote en kleine gebeurtenissen, en voor de incidenten die tot intern en politiek rumoer leidden. Wat minder – en dat is dan ook mijn enige kanttekening – komt de ontwikkeling van het politieke denken tot zijn recht.

Ik weet dat toen ik in 1997 de keuze maakte voor GroenLinks, dat vooral was omdat de partij een proeftuin was van nieuwe politieke ideeën en opvattingen. De kwaliteitsoppositie onder mijn voorganger Paul Rosenmöller betekenden serieuze doorrekeningen van linkse voorstellen, volwaardige groene belastingplannen en initiatiefwetten.

Kenmerkend daarbij is dat Groenlinks zich altijd minder heeft laten leiden door electoraal opportunisme dan door de maatschappelijke en economische omgeving die om verandering van onze opvattingen vroeg. Toen wij in de jaren negentig met gezonde tegenzin de NAVO aanvaardden was dat vanwege het wegvallen van de koude oorlog en de gruwelijkheid van de oorlog in Voormalig Joegoslavië. Datzelfde geldt voor de bijstelling van onze sociale opvattingen in 2004: toen vond geleidelijk – en eerst met horten en stoten – ingang in Groenlinks dat de verzorgingsstaat steeds meer outsiders kent wier recht op werk en emancipatie ook door linkse partijen onvoldoende werd verdedigd.

Waar ik – kortom – trots op ben als ik die twintig jaar overzie, is dat GroenLinks er nooit voor heeft teruggedeinsd bij de linkse en progressieve voorhoedes te horen, ook als dat intern pijn deed. Veranderingen in opvatting kwamen altijd voort uit mededogen en emotie, uit een groot gevoel van rechtvaardigheid, en dat tekende ook dikwijls – zeg ik met understatement – de levendige politieke discussies.

Bij het 20-jarig bestaan is de prangende vraag, en hoe nu verder? Aan het slot van het boek wordt door Paul Lucardie en Gerrit Voerman in 4 scenario’s de toekomst van GroenLinks geschetst: van kleiner worden, via consolidatie op het huidige zeteltal tot zelfstandige groei of fusie met andere linkse en progressieve partijen.

Hoewel wij natuurlijk vanzelfsprekend verder groeien, zijn het reële scenario’s, waarvoor een partij als de onze niet wegloopt. Deze tijd van rechts-populistisch revanchisme en rechtse machtspolitiek dwingt ons ook om kritisch na te denken over de toekomst van de progressieve beweging waarvan Groenlinks deel uit maakt.

Politiek draait uiteindelijk om macht. Als de afgelopen formatie ons 1 ding heeft geleerd is het wel dat rechtse partijen meer machtsbelust zijn en ook beter hun zin weten te krijgen.

Het CDA verloor de verkiezingen dramatisch, maar Maxime Verhagen passeerde de informateur, de Koningin, de mastodonten, zijn partij, … en greep de macht. Omwille van de regeringsmacht heeft Mark Rutte het veranderingsgezinde deel van zijn programma bij het grof vuil gezet en zich overgeleverd aan de ruziemakers van de PVV.

Het meest opvallend is wel de ‘sfeer van afrekening’ die daarbij heerst. Rutte c.s. doen het voorkomen alsof – na jaren gekneveld te zijn geweest door de ‘Linkse kerk’ – eindelijk rechts Nederland iets heeft om zich de vingers bij af te likken. Wie voorbij de succesvolle spin kijkt van rechtse en conservatieve politici, moet vaststellen dat rechts revanchisme merkwaardig is, want er is geen kabinet geweest zonder het CDA of de VVD, of beiden.

Er is in Nederland slechts één periode geweest waar progressieve partijen de politieke agenda bepaalden. Dat was begin jaren zeventig toen PvdA, D66 en de PPR samenwerkten. Keerpunt 72 was het stembusakkoord waarmee een programma voor de spreiding van kennis, macht en inkomen werd gepresenteerd. De progressieve partijen haalden geen meerderheid, maar wonnen voldoende om met progressieve Christen-Democraten van de KVP en ARP in 1973 het kabinet Den Uyl te vormen.

Wat leert ons die periode vooral?

Dat voor progressieve partijen samenwerking tot effectieve macht kan leiden, die het uitvoeren van een politiek programma mogelijk maakt. Anders dan de Lucardie en Voerman ben ik minder geïnteresseerd in de gevolgen van samenwerking voor de vorm van GroenLinks, als wel – hoe door samenwerking met anderen de progressieve macht groter kan worden dan het zeteltal van de afzonderlijke delen.

Er zijn namelijk dringende economische, maatschappelijke en politieke redenen voor effectieve progressieve samenwerking en het vestigen van progressieve macht. Ik som ze op.

Agenda voor de toekomst

1. Internationale lotsverbondenheid

In reactie op globalisering en de internationale financiële crisis is er de al te menselijke neiging om dijken op te werpen tegen de grote invloed die het buitenland heeft op onze welvaart en ons welzijn. Nationale identiteit wordt geplaatst tegenover Europa, mensenrechtenverdragen worden in toenemende mate beoordeeld als lastige vliegen op de schouder van het nationale veiligheids- en migratiebeleid.

Internationalisering van welvaart en welzijn is een onomkeerbare ontwikkeling. Voor een nog altijd rijk land als Nederland is en blijft er de internationale verplichting om de desastreuze effecten van onze levensstijl – die zich openbaren in een wereldwijde voedsel- en klimaatcrisis – te helpen keren.

Bovendien bestaat er geen tegenstelling tussen het belang in de derde wereld om gezond en veilig te mogen leven en ons belang om onze welvaart ook duurzaam te bewaken. Grote internationale tegenstellingen en onrechtvaardige handelsbarrières zien wij in onze samenleving terug, bijvoorbeeld in de komst van grote groepen migranten die op zoek zijn naar een beter lot. Onze open economie, die drijft op de export van producten en de import van schaarse grondstoffen, kan zich geen naar binnen gekeerde, nationalistische mentaliteit permitteren.

Een agenda voor progressieve politiek begint met dan ook met de erkenning van noodzakelijke en effectieve internationale samenwerking, en de moedige verdediging daarvan. Dat betekent bijv. herziening van de ontwikkelingssamenwerking, niet om deze om binnenlandse redenen weg te kunnen bezuinigen, maar deze langzamerhand overbodig te maken door handhaving van de mensenrechten en rechtvaardige, internationale economische en klimaatpolitiek.

2. De vergrijzing verzilveren

In de binnenlandse economische en sociale politiek is er een dubbele uitdaging. Door de economische crisis worden er banen vernietigd. Jongeren met een lage opleiding, flexwerkers en ouderen die te duur zijn geworden, worden nu weggereorganiseerd. Voor hen moet er nu werk worden geschapen.

Tegelijkertijd weten we dat er over 10 jaar enorme krapte op de arbeidsmarkt ontstaat. Als we nu geen maatregelen treffen om mensen langer te laten werken, om te zorgen dat er meer vrouwen gaan werken, dan komen we alleen al in de zorg 500.000 mensen tekort. Of we moeten straks onze grenzen wagenwijd openzetten voor arbeidsmigratie.

De verzorgingsstaat is verouderd. Teveel mensen worden in een uitkering gevangen gehouden. Minder mensen hebben een vaste baan voor het leven, diegenen die nog wel deze voordelige positie hebben zijn ook nog eens het beste beschermd in de sociale regelingen. De verzorgingsstaat beschermt vooral het arbeidsverleden van mensen, en geeft hen veel te weinig toekomst. Een kortere en betere WW moet mensen snel perspectief op werk bieden, ook doordat werkgevers meer dan nu verleid en gedwongen worden om mensen in dienst te nemen. Scholing, omscholing en bijscholing zijn nodig om mensen werkzekerheid te bieden, ook na afloop van de WW. Daarbij hoort ook modern ontslagrecht, waarbij werkgevers gestimuleerd worden te investeren in de herplaatsing van mensen, in plaats van in peperdure ontslagvergoedingen.

In een economische agenda voor progressieve samenwerking staan de welvaart en het welzijn van de komende generaties centraal: zij mogen niet worden opgezadeld met de schulden van de huidige. Hervormingen van de sociale zekerheid en de arbeidsmarkt stimuleren werkgelegenheid. Aanpakken van de hypotheekrenteaftrek geeft ook toekomstige starters op de woningmarkt weer een kans. Investeringen in onderwijs vergroten de kansen van onze jongeren.

3. Politiek vertrouwen

Een van de grootste problemen van moderne politici is dat zij niet vertrouwd worden in de problemen die zij schetsen en de oplossingen die zij aandragen. Het antwoord van rechts op diepgewortelde onvrede, en het wegvallen van het geloof in lotsverbetering, is een neerwaartse spiraal van het voeden van angst voor criminaliteit en migratie, door deze te vergroten en daarna met symbolische incidentenpolitiek te bestrijden.

Rechts-populistische politici beschouwen de overheid als een ‘veiligheidsmachine’ waarbij geen maatregel – tanks en jaren durende wijkverboden – gek genoeg zijn om de illusie van veiligheid te vergroten zonder zich er rekenschap van te geven dat gevoelens van onveiligheid juist worden aangewakkerd.

Progressieve politici moeten repressieve incidentenpolitiek niet willen kopiëren, maar mensen sterker en mondiger maken. Natuurlijk horen daar praktische maatregelen bij zoals het vergroten van de pakkansen en het versterken van de inburgering van migranten.

Maar belangrijker nog, is de erkenning dat de overheid niet alles kan. Cultuur en religie zijn niet maakbaar, criminaliteit hoort – nadat je het zo effectief mogelijk hebt bestreden – bij een moderne dichtbevolkte samenleving.

De crisis in de politiek is namelijk een crisis in de verhouding tussen politiek en burger. Politici schroeven verwachtingen van wat ze kunnen leveren op – ze bedrijven illusiepolitiek – en burgers worden bij het uitblijven van resultaten ontevredener. Dat is een neerwaartse spiraal die tot wantrouwen leidt. Progressieve politiek moet eerlijk zijn over wat de overheid wel en niet kan.

De overheid moet zich richten op haar kerntaken. Publieke diensten worden niet aan de markt overgedragen, maar de overheid gaat ook niet ieder probleem in de samenleving te lijf met nieuwe regels en wetten. De overheid is inmiddels een doolhof van ondoordringbare lagen, semi-publieke en verzelfstandigde organen en organisaties geworden. Een drastische herformulering van verantwoordelijkheden en taken moet leiden tot een herkenbare overheid. Zodat de overheid bondgenoot kan zijn voor mensen en bedrijven die zelf hun toekomst maken. Door hen ruimte en kansen te bieden, in plaats van hen dwars te zitten en te frustreren.

Bij eerlijke verwachtingen hoort ook het toekennen van zeggenschap en de mogelijkheid voor Nederlanders om vaker hun stem te laten horen. Het ideaal van democratisering uit Keerpunt 72 is nooit uitgevoerd, maar zeker nu actueel: meer zeggenschap in de buurt, op school, in het ziekenhuis en op het werk. Maar ook op nationaal niveau door niet bang te zijn om mensen belangrijke besluiten in referenda voor te leggen.

Macht door samenwerking

Ziehier de eerste ruwe contouren voor een progressieve agenda: internationalistisch, toekomstgericht, veranderingsgezind, anti-bureaucratisch en democratisch.

De vraag is evenwel, hoe wij deze samen met andere partijen kunnen verfijnen, uitvoeren en ervoor kunnen zorgen dat deze effectief leidt tot macht? En wie maken eigenlijk deel uit van progressieve samenwerking? Hoe ziet deze eruit?

Al jarenlang concurreren linkse en progressieve partijen, vooral met elkaar op een minderheid van zetels. De SP maakt er bijvoorbeeld geen geheim van dat zij groter wil worden dan de PvdA, ook al leidt dit niet tot een grotere machtspositie van de twee partijen samen.

In een land dat al decennia een rechtse meerderheid kent krijgt dergelijke onderlinge concurrentie iets tragisch. De opgave voor linkse en progressieve partijen is om samen het aantal zetels te vermeerderen door ook gematigde VVD’ers en CDA’ers, en zwevende èn nieuwe jonge kiezers te verleiden.

Wie het speelveld links van het midden overziet (en daartoe reken ik SP, PvdA, GroenLinks en D66), kan ruwweg twee hoofdstromingen onderscheiden.

Er is een sociaal-conservatieve stroming waar de SP de meest duidelijke drager van is. Hoewel de SP deelt in de idealen van gelijkberechtiging en emancipatie met andere linkse of progressieve partijen, beoordeelt zij veel moderne ontwikkelingen als negatief. Europa levert een gevaar op, net als globalisering, verandering van de verzorgingsstaat is altijd verslechtering.

Tegenover deze sociaal-conservatieve stroming staan de sociaal-progressieven van GroenLinks en D66. Hoewel er tussen deze twee partijen verschillen zijn in de mate waarin men wil ingrijpen in de sociale en economische verhoudingen (en waarbij GroenLinks onmiskenbaar ‘socialer’ en ‘groener’ is) delen zij een opgewekt geloof in verandering en in de verworvenheden van de moderne samenleving. Individualisering betekent bevrijding, Europese samenwerking maakt onze welvaart sterker, verandering van de verzorgingsstaat kan mensen nieuw elan geven.

Nu vraagt u zich af, waar bevindt de PvdA zich dan? De scheiding tussen deze twee – sociaal-progressieve en sociaal-conservatieve – stromingen loopt loodrecht door de PvdA heen. Hervormingsgezindheid en behoudzucht zijn in even sterke mate aanwezig en bepalen ook de inhoudelijke stilte in de PvdA. Van oudsher kent de PvdA twee zielen in de borst (bijvoorbeeld de tegenstelling tussen biefstuksocialisme en cultuursocialisme), maar vooral de laatste jaren – sinds Kok de ideologische veren afschudde – lijkt dit de PvdA te verlammen en niet te leiden tot een sterke inhoudelijke koers .

Ik denk dat het voor linkse en progressieve partijen noodzakelijk is om samen te werken om daadwerkelijk toegang te krijgen tot de macht en een stempel te drukken op de Nederlandse politieke verhoudingen. Hoe breder deze samenwerking is, hoe effectiever deze zal blijken te zijn. Gezien de overeenkomsten ligt – wat mij betreft en volgend uit de agenda die ik net schetste – samenwerking tussen PvdA, GroenLinks en D66 het meeste voor de hand.

Dat betekent wel dat de PvdA een keuze zal moeten durven maken: kiest zij voor het sociale conservatisme van de SP waardoor zij vooral D66 wegduwt, of kiest zij voor de progressieve krachten van GroenLinks en D66. Durft zij met andere woorden, het kunstje van keerpunt ’72 nog eens te herhalen? Mij zou dat een lief ding waard zijn.

Bij deze oproep wil ik het nu laten.

Het geeft u stof tot nadenken, u zult het wel of niet met me eens zijn. Maar voor nadenken en debat is GroenLinks nog nooit bang geweest.

Dit artikel werd gepubliceerd op femkehalsema.nl

Geef een reactie

Laatste reacties (187)