1.514
19

Opiniepeiler

In 1971 ben ik afgestudeerd als Sociaal Geograaf bij de UvA in Amsterdam. Na een korte periode als wetenschappelijk medewerker ben ik 15 jaar actief geweest als onderzoeker, tussen 1973 en 1975 bij Inter/View, daarna samen met Hedy d’Ancona (Cebeon) en vanaf 1980 als mededirecteur van Inter/View. Vanaf 1976 was ik in de media actief op het terrein van verkiezingsonderzoek. Eerst bij Vara’s In de Rooie Haan. Later o.a. in Achter het Nieuws en NOVA.
In 1984 werd ik assistent van Anton Dreesmann, waarbij onder andere het project Micro Computer Club Nederland werd opgezet en ik directeur werd van Headstart in de Verenigde Staten. Bij de beursgang van Inter/View in 1986 werd ik gevraagd als voorzitter van de raad van commissarissen te functioneren. Dat heeft tot 1999 geduurd. Na vier jaar (1991-1995) te hebben gewerkt bij ITT Gouden Gids op het terrein van marketing en business development was ik drie jaar CIO bij Wegener Arcade. Daarbij onder meer verantwoordelijk voor de interne IT en de internetactiviteiten. Van 1998 tot en met 2001 ben ik CEO geweest van Newconomy.
Sinds 2002 run ik www.peil.nl, een opiniepanel, waarmee actuele ontwikkelingen in de Nederlandse samenleving op de voet gevolgd kunnen worden. En ik ben betrokken bij een aantal vernieuwingsprojecten op het terrein van technologie en media.

Verandert er nog wat? En waar zit het verschil tussen PvdA en VVD?

Blijkbaar is de eerste fase van een campagne heel bepalend voor de rest van de campagne tot aan de verkiezingen. 

Vijf dagen voor de verkiezingen hebben we weer een dag gehad waar geen veranderingen zijn in de stemkeuze. In 24 uur is minder dan 1.5% van de kiezers overgestapt van de ene naar de andere partij. En het nettoresultaat van die verschuivingen is vrijwel nihil.

Dagelijks vragen we nu al sinds 31 mei hoeveel kans men geeft dat de partij die men noemt ook inderdaad de partij wordt die men gaat stemmen. Begin van de week gaf 69% aan er (vrijwel) zeker van te zijn. Dat is gedurende de week gestaag gestegen tot 81%. Daarnaast is er ook een groep die zegt het volledig niet te weten, maar de ervaring leert dat die groep vooral niet opkomt.
De kiezers van SGP, CDA, SP, VVD en PvdA zeggen inmiddels tussen de 99% (SGP) en 83% er vrijwel zeker van te zijn die partij te stemmen. Alleen bij Partij voor de Dieren, Groen Links en D66 is deze groep rond de 60%. 
Nu betekent dit niet dat er zeker niets meer kan veranderen, maar het is interessant om te kijken naar de ervaring in 2003 en 2006.
In 2003 was het eerste debat van RTL, 3 weken voor de verkiezingen. Op dat moment stond de PvdA nog meer dan 15 zetels achter op het CDA. Bos, die toen voor het eerst als partijleider debatteerde maakte toen een sterke indruk.  Uit onze dagpeilingen was te zien dat in minder dan een week de PvdA vlak achter het CDA stond. In die twee weken daarna zijn de verschuivingen uiterst beperkt geweest.
In 2006 was het eerste debat van de NOS radio, 3 weken voor de verkiezingen. Op dat moment stonden CDA en PvdA vrijwel gelijk. In de dagen na het debat viel het PvdA duidelijk terug en die achterstand is tot de dag van de verkiezingen, 22 november, niet ingelopen.
En ook dit keer zien we dat de grote verschuivingen zich tot enkele weken voor de verkiezingen hebben voltrokken. Vanaf de val van het kabinet waren die van een ongekende omvang (PvdA in korte tijd van 15 naar 34 zetels en iets later de spurt naar boven van de VVD). Maar sinds half mei zien we dat de huidige stand er wel ongeveer is en dat nadien de verschuivingen per saldo beperkt zijn.
Blijkbaar is de eerste fase van een campagne heel bepalend voor de rest van de campagne tot aan de verkiezingen. Ook deze keer zien we dat bij voorbeeld met Roemer. Die was nog onbekend voor het Carré-debat op 26 mei. Kort erna ging hij in de peiling omhoog, maar dat is inmiddels ook weer stabiel.
Alleen als iemand op het eind van de campagne duidelijk anders is dan ervoor (een stuk beter of een stuk slechter) dan zouden kiezers nog kunnen wijzigingen. Dat is in 1998 gebeurt toen Els Borst in het laatste debat (ook in Carré) plotseling grapjes maakte en zij binnen 24 uur enkele zetels steeg ten kost van Paul Rosemöller, die in dat debat zichzelf overschreeuwde.
Een ander onderwerp is “strategisch stemmen”.  Dat is iets wat zich alleen heel kort voor de verkiezingen kan manifesteren. Dat is in 1986 gebeurt toen, op basis van het debat op de zondag voor de verkiezingen, een deel van de kiezers naar het CDA overstapte omdat men wilde dat Lubbers premier bleef.
In potentie zijn er twee onderwerpen die bij deze verkiezingen nog een rol kunnen spelen m.b.t. het strategisch stemmen.
1. Wie wordt de grootste Rutte of Cohen?
2. Halen VVD+CDA+PVV meer dan 75 zetels?
Ad. 1. Het overgrote deel der Nederlanders (65%)  denkt op dit moment dat de VVD de grootste wordt, 18% denkt dat de PvdA de grootste wordt. Als het gat tussen VVD en PvdA 7 zetels blijft tot dinsdag dan is de vraag of dit strategisch stemmen zich inderdaad in een duidelijke omvang zal aandienen.
Ad.2. Hoewel het wel zo is dat de combinatie van VVD+CDA+PVV in de peilingen al een aantal weken stabiel boven de 75 zetels scoort lijkt het er nu op dat door de opstelling van met name het CDA menigeen het niet aannemelijk acht dat die combinatie met de PVV er ook echt zal komen en ontbreekt wellicht de drang om strategisch te stemmen.
De komende dagen zullen het leren of de ontwikkelingen tot op het eind overeenkomen met die van 2003 en 2006 of dat zich toch nog duidelijke veranderingen aandienen.

Waar zit het verschil tussen PvdA en VVD?

Via een vergelijking met de- belangwekkende- verkiezingen van 1994 is goed te zien wat het verschil op dit moment is tussen de VVD en PvdA en waar het electorale probleem van de PvdA ligt.

1994 waren de verkiezingen waar zowel PvdA als CDA fors verloren nadat ze ruim 4 jaar samen in kabinet Lubbers III hadden gezeten. PvdA verloor 12 zetels en eindigde op 37. CDA (Brinkman) verloor 20 zetels en eindigde op 34 zetels. De VVD haalde 31 zetels. Omdat D66 het zo goed had gedaan konden PvdA samen met VVD en D66 een regering vormen (het 1e kabinet Kok).

Als we inzoomen op de PvdA en VVD zien we dat, vergeleken met nu in de peiling,  de VVD en PvdA ongeveer omgedraaid zijn. De PvdA staat nu op 29 zetels en de VVD 36. Vanuit het onderzoek dat toen gedaan is kan een goed beeld gegeven worden van wat er toen met beide partijen het geval was en nu.

De richtinggevende variabele is het inkomensniveau. Daarbij vergelijken we de groep hoge inkomens (boven modaal) en lage inkomens (beneden modaal) om het zo goed te kunnen illustreren.

Allereerst de scores van de VVD in percentages:

Uit deze tabel is op te maken dat het verschil in score voor de VVD tussen 2010 en 1994 eigenlijk alleen komt doordat de groep hoge inkomens nu meer zeggen VVD te stemmen dan in 1994.

Vervolgens de scores van de PvdA:

En hier zien we dat de PvdA het vergeleken met 1994 beduidend slechter doet bij de groep met de lage inkomens. Daar is de achteruitgang 9%. Terwijl in 1994 de PvdA het bij de lage inkomens veel beter deed dan bij de hoge inkomens (verschil 13%), is dat verschil nu nog maar 3%. De VVD daarentegen doet het nu 20% beter bij de hoge inkomens dan bij de lager. Dat was in 1994 een kleiner verschil (16%).

Dit proces bij de PvdA was ook al bij de verkiezingen in 2002 en 2006 te zien. 

Het CDA vertoont een ander proces. Die liet in 1994 amper verschil zien naar inkomen (confessie was de dominante factor) en nu is duidelijk te zien dat de hogere inkomens meer op het CDA stemmen dan de lagere inkomens. Desondanks is de VVD daar nu duidelijk de grootste partij.

In 2006 was de SP bij de lage inkomens groter dan de PvdA. Nu is de PvdA wel de grootste partij bij de lage inkomens, maar de volgende partijen scoren meer dan de helft van de PvdA bij die groep: VVD, CDA, SP, Groen Links en PVV (alle tussen de 12% en 15%).

Zolang de PvdA het bij de lage inkomens niet net zo goed doet als de VVD bij de hoge inkomens legt de PvdA het bij de verkiezing af bij de VVD.

Geef een reactie

Laatste reacties (19)