4.526
81

Norman Kapoyos is muzikant en ondernemer. Hij is zakelijk en artistiek leider van het in 2005 opgerichte kunstenaarscollectief Swinging Mood Orchestra. Daarnaast is hij actief als live- en studiomuzikant (o.a. bij NL hiphop-formatie Great Minds), producer, dj, muziekprogrammeur, schrijver, regisseur, acteur, coach en docent.
Foto: Marije Kuiper

Verbijstering over de zaak JFK

Longread: De enige werkelijke reden waarom we nog steeds niet weten hoe het grootste moord-mysterie van de Twintigste Eeuw in elkaar steekt, is omdat we het niet echt willen weten

Op 10 december 2013 is het precies 65 jaar geleden dat in Parijs de “Universele Verklaring voor de Rechten van de Mens” werd aanvaard. Achtenveertig van de op dat moment zesenvijftig landen in de Verenigde Naties namen deel aan deze stemming en de verklaring werd met achtenveertig tegen nul stemmen aangenomen.

In het kader van een andere ‘verjaardag’ in 2013, wil ik even een specifiek artikel uitlichten uit deze universele verklaring:

Artikel 11
1.    Een ieder, die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd, heeft er recht op voor onschuldig gehouden te worden, totdat zijn schuld krachtens de wet bewezen wordt in een openbare rechtszitting, waarbij hem alle waarborgen, nodig voor zijn verdediging, zijn toegekend.
Ik denk dat de meesten van ons de mate waarin dit ‘universeel’ geacht wordt zonder problemen kunnen accepteren. Het voelt namelijk als alleszins rechtvaardig dat je als verdachte in een misdrijf de kans krijgt jezelf te verdedigen totdat eventuele onschuld uitgesloten is. Toch? De kans bestaat namelijk dat iemand onterecht wordt beschuldigd van een misdaad en de eventuele straf die een veroordeelde staat te wachten wenst geen enkel met empathie behept persoon een ander toe.

Uit bovenstaande mogen we afleiden dat wanneer een zaak de media haalt er ook  volgens dit uitgangspunt gecommuniceerd wordt. Althans, je zou denken dat dit wenselijk is in een zogeheten free society. Persoonlijk vind ik dit in elk geval wel en meestal gaat dit ook goed. Wanneer er nog geen rechtszaak plaatsgevonden heeft, spreekt men steevast over een “verdachte” in de pers.

Echter in een specifieke, niet bepaald de minste, zaak maakt men – wereldwijd – al een halve eeuw een uitzondering: de zaak van Lee Harvey Oswald. Voor wie het niet weet, of de media de afgelopen weken niet in de gaten hebben gehouden: Lee Harvey Oswald is, dit weekend exact vijftig jaar geleden, door de politie van Dallas, Texas aangewezen als de enige verdachte in de moord op de vijfendertigste president van de Verenigde Staten, John Fitzgerald Kennedy.

1963: De misdaad en verdachte
De feiten zijn als volgt: de vierentwintig jarige Oswald werd gearresteerd op verdenking van het neerschieten van een politieagent nadat hij het beruchte Texas School Book Depository (waar hij als werknemer actief was) had verlaten eerder die middag. De president was met een limousine tijdens een rondrit door de stad voor dit gebouw langs gereden en vervolgens neergeschoten. Veertien minuten na de aanslag ging er een signalement rond via de politieradio en patrouillerend agent J.D. Tippit hield ongeveer een kwartier later in een buitenwijk van Dallas een persoon aan die aan dit signalement voldeed. Tippit wilde de man ondervragen, maar werd ter plaatse door hem neergeschoten. Even later pikten ongeveer dertig agenten Oswald op uit een bioscoop, waar hij naar binnen was gegaan zonder een kaartje te kopen. Bij zijn arrestatie was direct pers en publiek aanwezig.

Aangekomen op het politiebureau bleek de arrestant twee verschillende identiteitsbewijzen in zijn bezit te hebben; een voor Lee Harvey Oswald en een voor Alek James Hidell. Hij wilde niet toegeven welk van de twee hij was. Toch wist de politie van Dallas vrij snel te achterhalen dat het om Oswald moest gaan; een ex-marinier die in 1959 – op het hoogtepunt van de Koude Oorlog – overgelopen was naar de Sovjet-Unie, daar met een Russin trouwde en in 1962 terugkeerde naar zijn eigenlijke vaderland. Een potentiële communist dus.

Rond middernacht werd de voormalige landverrader officieel verdacht verklaard voor de moord op de president. Bij een raam op de zesde verdieping van het School Book Depository was een Italiaans 6.5 Mannlicher-Carcano geweer gevonden met drie lege hulzen. Dit geweer was in maart van dat jaar via een postorder bedrijf besteld door Alek James Hidell. De cirkel was rond; het geweer behoorde toe aan Oswald, of in elk geval aan zijn alias.

Wat men vervolgens niet heeft kunnen vaststellen is dat Oswald daadwerkelijk geschoten heeft. Volgens nitraat-testen had hij geen geweer afgevuurd die dag en tevens was men op dat moment niet in staat zijn vingerafdrukken op de Mannlicher-Carcano aan te wijzen. Waartoe de politie van Dallas ook niet in staat bleek was het bijhouden van enige vorm van verslag van de getuigenissen van de verdachte, die dat weekend maar liefst twaalf uur is ondervraagd. Geen geluidsopnames, geen filmopnames, geen schriftelijke notities van enig woord dat uit zijn mond kwam die cruciale uren na de misdaad die hem ten laste werd gelegd en geen advocaat voor de verdachte. Zonder wat men in het Amerikaanse justitiële systeem noemt een chain of evidence wordt het bij een latere rechtszaak moeilijk om eventuele verdenkingen over frauduleuze handelingen in aanloop naar het proces uit te sluiten.  Waarom de politie van Dallas zo achteloos omging met juist deze man – de verdachte in de moord op de president – blijft een kwestie van speculatie.
Dat een dergelijke stelling over achteloosheid allesbehalve overdreven is, is gebleken uit de gebeurtenissen die zich op zondagochtend 24 november voor het oog van televisiekijkend Amerika voltrokken. Oswalds overplaatsing van het politiebureau naar de gevangenis werd live op tv uitgezonden. Temidden van zeventig man politie, een klein leger aan pers en met enkele anonieme telefoontjes aan het adres van de politie eerder dat weekend, dat Oswald vermoord zou worden, schoot nachtclubeigenaar Jack Ruby de verdachte dood. Einde Lee Harvey Oswald, einde vooruitzicht op een proces en begin van een eindeloze storm aan geruchten over een samenzwering in de moorden op zowel Kennedy als Oswald, die een halve eeuw later onverminderd door raast. De summiere uitlatingen die Oswald gedurende dat weekend aan de pers heeft kunnen doen helpen niet echt bij het wegnemen van vermoedens dat er meer aan de hand geweest moet zijn: “I didn’t shoot anybody, no sir”, “I emphatically deny these charges” en “they have taken me in because of the fact that I lived in the Soviet Union; I’m just a patsy”.

2013: De media en perceptie
Op dinsdag 12 november jl. besteedden Pauw en Witteman in hun uitzending, zoals velen in de media deze weken, aandacht aan het onderwerp. Aangeschoven was Amerika-deskundige Maarten van Rossem, een historicus die, dankzij zijn eruditie en zeer herkenbare, met gortdroge humor doorspekte stijl een graag geziene gast is op de Nederlandse televisie. Althans door mij.

Groot was dan ook mijn schok toen ik de man die ik zo hoog achtte moest betrappen op grove historische incorrectheid in deze zaak die al zo lang de gemoederen bezighoudt. Ik mag aannemen dat van Rossem de officiële lezing (die in september 1964 na negen maanden onderzoek door een presidentiële commissie, voorgezeten door opperrechter van het Hooggerechtshof Earl Warren werd gepubliceerd in een 888 pagina’s tellend rapport) als uitgangspunt neemt. Het alternatief is namelijk dat Lee Oswald onderdeel van een samenzwering is geweest, of nog gekker: misschien wel helemaal onschuldig was aan de moorden op Tippit en Kennedy.

Deze laatste twee opties zijn volgens van Rossem, die met zijn gebruikelijke snijdende humor zijn standpunten uiteenzette, uitgesloten. Vragen over waarom dan toch al die samenzweringstheorieën zo hebben kunnen floreren bood de historicus het hoofd aan de hand van zijn kennis van psychologie: cognitieve dissonantie moest het zijn. Van Rossem eindigde zijn optreden die avond door te stellen dat het voor veel mensen “onacceptabel is dat die man daar op die plek, op zo’n simpele manier is doodgeschoten”. Het is dit gebrek aan vermogen om de conclusies van de Warren Commissie te kunnen accepteren, die mensen maakt tot complot-theoretici, zo lijkt van Rossem te stellen. Hij ziet de moord op Kennedy als een dusdanig “verbijsterende” gebeurtenis, dat een groot deel van de mensheid niet in staat is dit te verteren zonder dat ze er zelf van alles bij bedenken om het “betekenis” te geven.

Wat de historicus en Amerika-deskundige wenst te negeren in deze is dat de research community in Amerika en elders in de wereld, die zich al vijftig jaar over deze zaak buigt, begonnen is met mensen die, net als hij, vertrouwen hadden in de Amerikaanse overheid. Natuurlijk was de moord een grote schok voor iedereen die dit bewust heeft mee kunnen maken, maar de echte verbijstering kwam bij velen pas toen ze de tijd namen om daadwerkelijk wat dieper op de zaak in te gaan, dus niet op voorhand. Iemand als Jim Garrison, de officier van Justitie van New Orleans die in 1969 de enige rechtszaak ooit aanspande tegen een mogelijke medeplichtige aan het complot om Kennedy te vermoorden, leefde van 1963 tot 1966 in de overtuiging dat Oswald de moordenaar was, omdat zijn overheid dit had onderzocht en hij vertrouwde op de integriteit van zijn overheid.

Pas toen hij het rapport daadwerkelijk ging lezen liep hij de ene na de andere tegenstrijdigheid tegen het lijf in getuigenverklaringen en verontwaardigde hij zich over het feit dat de politie van Dallas zo laks met de verdachte om was gegaan. Tevens vroeg hij zich af waarom er geen index bij het rapport zat en waarom sommige van de advocaten van de commissie niet de voor de hand liggende vragen hadden gesteld om dieper in te gaan op wat men had gezien op het grasheuveltje langs de route, waar maar liefst eenenvijftig getuigen schoten vandaan hadden horen komen. Ook verwonderde hij zich over het feit dat de commissie het nodig vond om in het onderzoek naar de moord op Oswald een hoofdstuk te wijden aan |A Study of the Teeth of Jack Ruby’s Mother”.

Uit de vragen die hem hierbij kwamen boven drijven, ontsproot aan Garrisons brein de wens om de zaak nader te onderzoeken en zelf getuigen te gaan ondervragen. Hierbij stuitte hij op een hoop gefrustreerde mensen die hem meldden dat de Warren Commissie hun woorden had verdraaid in het rapport, handtekeningen had gefingeerd of gewoon geen uitnodiging had gestuurd ondanks eventuele waardevolle bijdragen die ze konden leveren als getuigen. Daarnaast bleek een deel van de mensen die hij wilde ondervragen niet bereid tot praten, omdat ze vreesden voor hun levens. Jim Garrisons relaas (evenals bevindingen van onafhankelijke onderzoekers van de eerste generatie zoals onder meer Penn Jones jr, Harold Weisberg, Vince Salandria, Sylvia Meagher, Mary Ferrell, Mort Sahl, Dick Gregory, Robert J. Groden, Jim Marrs, Mae Brussell, Peter Dale Scott, L. Fletcher Prouty, Victor Marchetti, John Stockwell, Gary Mack, Carl Oglesby, Dorothy Kilgallen, Cyril Wecht en het in 1976 opgerichte House Select Committee on Assassinations, die officieel concludeerde dat Kennedy zeer waarschijnlijk vermoord is als gevolg van een samenzwering) is in 1991 door Oliver Stone verfilmd in JFK. Deze film wordt door Van Rossems intellect geduid als een “hele misleidende, levensgevaarlijke klote-film”. Onderbouwing van deze niet misselijke stelling blijft helaas uit.

Het mag duidelijk zijn dat Maarten van Rossem geen hoge pet op heeft van mensen die vragen stellen bij wat hun overheid ze voorlegt als waarheid. Iets dat anno 2013, te midden van Edward Snowden en het NSA-schandaal en na Julian Assange en Wikileaks, de wel heel plotselinge executie van Osama Bin Laden, de belofte van George W. Bush dat Saddam Hussein weapons of mass destruction in zijn bezit had, de vele vragen die de 9-11 Commissie opriep met haar onderzoek na de aanslagen op het World Trade Center en het Pentagon, een president Clinton die loog over zijn seksuele affaires, George Bush senior en zijn kruistocht tegen Irak, het Iran-Contra schandaal, de onthullingen over geheime operaties van de CIA gedurende de verhoren van de Frank Church Committee, Watergate, The Pentagon Papers, de moorden op Robert F. Kennedy, Martin Luther King en Malcolm X, toch wel een intellectueel, emotioneel en spiritueel opmerkelijke prestatie genoemd mag worden. En dat voor een zogeheten “Amerika-deskundige”.

De enige persoon die eventueel gepakt zou kunnen worden op het feit dat hij vragen stelde bij de hele affaire, zonder dat er ook nog maar sprake was van een officiële lezing, is Mark Lane. Deze advocaat en voormalige assistent van Robert Kennedy tijdens de presidentiële campagne van diens broer in 1960, publiceerde een kleine maand na de moord een artikel in de National Guardian. Centraal punt van dit artikel was dat hij het onterecht vond dat Oswald publiekelijk de dader genoemd werd, terwijl er nooit sprake was geweest van een proces. Hij stelde hierbij vijftien keiharde vragen vanuit het perspectief van een advocaat. De moeder van Lee Harvey Oswald zocht contact met Lane na het lezen van het artikel en vroeg hem haar zoon te vertegenwoordigen voor de Warren Commissie die net het onderzoek was gestart. Lane meldde zich bij de commissie, die er de voorkeur aan gaf om hem als getuige te horen in plaats van als verdediger van de verdachte.

Waar Mark Lane in 1964 wel toe in staat was en Maarten van Rossem in 2013 niet, is het handhaven van de wet in zijn reflecties op deze specifieke moordzaak. Een wet die door de Verenigde Naties, waar de Verenigde Staten een niet onbelangrijk onderdeel van uitmaken, als universeel wordt geacht: Iemand is onschuldig tot zijn schuld krachtens de wet in een openbare hoorzitting is bewezen. Lee Harvey Oswald heeft nooit een hoorzitting gehad, want voor het zover kon komen kreeg hij een kogel in zijn lichaam. Zelfs toen er een officieel onderzoek werd ingesteld op voordracht van de nieuwe president, werd verdachte Oswald het recht op verdediging ontzegd door Mark Lane als advocaat te weigeren. Nog zonder een betekenis aan deze toch enigszins dubieuze ontwikkelingen te willen geven: Hoe kom je er als Amerika-deskundige en historicus dan toe om in een praatprogramma zonder pardon uit te gaan van de schuld van Lee Harvey Oswald?

En passant haalt Van Rossem nog even de naam van de in 2004 overleden journalist Willem Oltmans door het slijk door hem het predicaat “chef fabulant” en “unieke komediant” toe te kennen. Oltmans, die net als Jim Garrison, Oliver Stone en vele anderen niet had getwijfeld aan de correctheid van de Amerikaanse overheid en media in deze kwestie, begon zijn onderzoek pas nadat hij in 1964 toevallig in een vliegtuig van New York naar Dallas naast de moeder van Oswald zat en deze hoorde vertellen dat haar zoon CIA-agent was geweest en als spion naar de Sovjet-Unie was gegaan, in plaats van als overloper en communistisch sympathisant.
Als Van Rossem op dat moment in de schoenen van Oltmans had gestaan, zou hij de moeder ter plekke voor gek verklaard hebben. Zo mogen we aannemen op basis van zijn overtuiging dat iedereen die “er van alles achter zoekt” last heeft van een vervormde realiteitszin. Natuurlijk is de moeder van een verdachte niet per se de meest emotioneel stabiele getuige, maar uitlatingen over de achtergrond van een vermoedelijke moordenaar van een president uit zo’n nabije bron zou toch ook de nieuwsgierigheid van een historicus moeten prikkelen. Door Oltmans postuum af te serveren als een fantast geeft van Rossem aan dat hij zich ofwel niet verdiept heeft in de zaak, ofwel een zeer selectieve manier van onderzoeken hanteert.

Het optreden van deze tv-persoonlijkheid bij Pauw & Witteman was aanleiding voor de vraag die me deze weken steeds vaker door het hoofd spookt: waarom lijken zoveel mensen, zelfs zogeheten intellectuelen, liever niet te willen weten wat er zich afgespeeld heeft in Dallas vijftig jaar geleden? Want van Rossem is zeker niet de enige hierin. In de dagen rondom dit jubileum roept vrijwel elke deskundige, Peter R. de Vries incluis, dat Lee Harvey Oswald de moordenaar was van John F. Kennedy. Men durft nog net vast te stellen dat een meerderheid van het Amerikaanse volk deze conclusie nog altijd niet gelooft en dat het volgens velen dus een samenzwering geweest moet zijn. Elk jaar opnieuw wordt de publieke opinie in de VS met betrekking tot dit onderwerp via de welbekende Gallup Poll getest. Dit jaar staat de teller op 61% die nog steeds in samenzwering gelooft. Maar echt diep ingaan op hoe dit dan in elkaar gezeten moet hebben doet geen enkel nieuws- of achtergrondprogramma. De meest controversiële misdaadzaak van de afgelopen honderd jaar blijft een onderwerp waar men zich, wereldwijd, liever niet te veel vragen bij stelt. Waarom is dit?

Ver van ons bed
Als je in 2013 in Nederland woont dan is de Kennedy-zaak is natuurlijk eigenlijk ‘ver van je bed’. Want zeg nou eerlijk: er zijn zaken die actueler zijn en meer aandacht verdienen. In eigen land en in eigen tijd. Jazeker. En nee. Als dit exclusief zou kloppen, laat dan ook a.u.b. items op het nieuws over de herdenking van deze president achterwege en besteed geen aandacht aan de Tweede Wereldoorlog of welke andere historische figuren of tragedie ook maar. Als je ervoor kiest iets te benoemen, doe het dan correct en niet half gaar. De enige juiste manier om over de moord op Kennedy te spreken is in termen van het grootste onopgeloste misdaad-mysterie van de Twintigste Eeuw en niet als de diabolische verrichtingen van een vierentwintig jarige ex-marinier met dubieuze achtergronden waar verder geen chocola van te maken valt. Dat is niets meer en niets minder dan een schending van de Universele mensenrechten die de persoon van Lee Oswald nu al vijftig jaar postuum ten deel valt. Bovendien is dit het negeren van de bredere context van nalatenschap van John F. Kennedy als president, waarvan de daadwerkelijke impact pas de afgelopen decennia langzaam door begint te dringen.

Het is wel degelijk nog steeds belangrijk om te weten wie er achter de moord op Kennedy heeft gezeten, al was het alleen maar omdat het deel van de wereld dat ten tijde de Cuba-crisis van oktober 1962 vertegenwoordigd werd door deze jonge, relatief onervaren politicus, haar voortbestaan sindsdien voor een groot deel aan zijn diplomatie gedurende die crisis te danken heeft. Dus ook wij hier in Nederland. Kinderen van Uncle Sam sinds de start van het Marshall-plan direct na WOII. Er gaat geen Oscar-uitreiking of Amerikaanse presidentsverkiezing voorbij of wij volgen het hier op de voet, live op televisie als het even kan. Een dergelijke interesse tonen we als westers land niet bij verkiezingen in, ik noem maar wat, een voormalige kolonie als Indonesië. We achten het belangrijk op de hoogte te blijven van politiek Amerika en wanneer er ergens geïntervenieerd moet worden ten behoeve van de verspreiding van democratie, kan Amerika rekenen op Nederlandse militaire steun. Derhalve zouden we mogen stellen dat enige kennis en duiding van de recente politieke historie van het land waar we achteraan lopen op zijn plaats is.

Dus, heel even terug naar oktober 1962. Laten we vooral eens stil staan bij het feit dat geen enkele Amerikaanse president voor of na Kennedy ooit voor een groter dilemma heeft gestaan. Gedurende dertien dagen was de hele wereld in staat van paraatheid. Een verkeerde keus aan de kant van Amerika of de Sovjet-Unie en het was nucleaire oorlog geweest. Geduld, tact, strategie en wederzijds vertrouwen hebben gemaakt dat John Kennedy en Nikita Chroesjtsjov uiteindelijk tot een compromis kwamen met elkaar. De wereld kon opgelucht ademhalen. Een gedeelde Nobelprijs voor de Vrede zou beide heren niet hebben misstaan.

Echter, de realiteit is dat de ware historische impact van zo’n Cuba-crisis gauw vergeten wordt. Met de gedeelde wens van Kennedy en Chroesjtsjov na dit incident om de Koude Oorlog zo spoedig mogelijk te beëindigen en op zoek te gaan naar ‘vreedzame co-existentie’ bleken beide wereldleiders hun tijd nog zeker twintig jaar vooruit. Ondanks deze significante ontwikkelingen tijdens het bewind van Kennedy, vinden we het vijftig jaar later in de media vooral belangrijk om te praten over Kennedy’s beruchte capriolen als rokkenjager, de dubieuze maffia-connecties van zijn vader Joseph P., een vermoedelijke familie-vloek die ook broers Robert F. en zoon John jr. fataal moet zijn geworden, de glamour die de eerste tv-president en zijn beeldschone vrouw uitstraalden of waar u was toen u het nieuws van hoorde dat de president van de Verenigde Staten was vermoord. Iets waarvoor in 2051 ongetwijfeld de BN’ers van dat moment in groten getale op mogen komen draven, dan in het kader van 50 jaar 9-11.

De erfenis van John Kennedy lijkt op die van Sinterklaas in Nederland; alle aspecten van zijn persoon en historie komen aan bod, maar zodra je het woord samenzwering in de mond neemt en er eens goed op begint te kauwen om een werkelijk idee te krijgen van waar deze samenzwering naar proeft, word je ofwel niet serieus genomen, of je krijgt slechts gedeeltelijk de tijd om je punt te maken. Zoals we ook liever niet herinnerd willen worden aan onze historie van slavernij en niet geconfronteerd willen worden met de eventuele racistische connotatie van een traditioneel kinderfeest, zo denken we ook liever niet te veel na over deze politieke moord. Want kiezen we ervoor echt diep op de Kennedy zaak in te gaan, dan lopen we het risico verdwaald te raken in een labyrint van alarmerende of tegenstrijdige onderzoeksresultaten, waarvan het veel comfortabeler is ze op een hoop te gooien met mensen die niet helemaal goed wijs zijn. Daarom is het in diskrediet brengen van mensen die er meer achter zoeken een halve eeuw later nog steeds een item in onze media.

De enige werkelijke reden waarom we nog steeds niet weten hoe het grootste moord-mysterie van de Twintigste Eeuw in elkaar steekt, is omdat we het niet echt willen weten. Auteur James Douglass publiceerde in 2008 zijn boek JFK and the Unspeakable: Why he died and why it matters, waarin hij de vinger legt op dit gegeven. De daadwerkelijke achtergronden van een zaak als deze, zo stelt Douglass, zijn niet te bevatten en daardoor letterlijk onuitspreekbaar, omdat de directe conclusie die we eruit zouden kunnen trekken misschien wel eens met onszelf te maken zou kunnen hebben. Met onszelf als individuen, die onderdeel uitmaken van een democratisch systeem dat blijkbaar utopischer is dan we zelf zouden willen toegeven. Een systeem dat het mogelijk maakt dat democratisch gekozen leiders onder dubieuze omstandigheden omgelegd kunnen worden, terwijl ditzelfde systeem de direct verantwoordelijke personen vrijwaart van enige vervolging hiervoor en de geschiedschrijving hieromtrent een halve eeuw later nog weet te manipuleren.

In een dergelijk systeem is het inderdaad comfortabeler om, zoals Maarten van Rossem stelt “een halve zool als Oswald, die nergens voor had willen deugen” uit te kiezen. Ver genoeg van ons bed om hem het recht op artikel 11.1 uit de Universele Verklaring voor de Rechten van de Mens te ontzeggen. Dat is de werkelijke verbijstering in deze zaak.

Geef een reactie

Laatste reacties (81)