2.579
26

Cultureel Antropoloog

Dr. Sinan Çankaya (1982, Nijmegen) is cultureel antropoloog en richt zich op politiesociologie. Hij doet onderzoek naar en adviseert gericht op de politieorganisatie, veiligheid en diversiteitsmanagement. Verder is hij befaamd vingerkootjesknakker en espressoliefhebber.

Verkeerde aanpak onderzoek naar racisme bij Haagse politie

Onvoldoende bewezen dat etnisch profileren niet structureel voorkomt

Cultureel antropoloog Sinan Çankaya, die onderzoek verricht naar de politieorganisatie, in- en uitsluiting en multiculturalisme, fileert een recent onderzoek naar etnisch profileren in Den Haag.

De Universiteit Leiden concludeerde recent dat etnisch profileren niet structureel voorkomt in Den Haag. Agenten zouden doorgaans objectieve en rechtvaardige motieven hebben om mensen te controleren, beweren de onderzoekers. De bewoners ervaren daarentegen discriminatie door de politie. Hoe moet dit onderzoek nu worden beoordeeld?

Mijns inziens biedt het onderzoek van de Universiteit Leiden onvoldoende bewijs voor de stelling dat etnisch profileren niet structureel voorkomt in Den Haag. Het eerste discussiepunt ontstaat door de definitie. De onderzoekers kiezen voor een zeer smalle definitie van etnisch profileren, waarbij etniciteit een vrijwel doorslaggevende rol lijkt te moeten spelen in de overwegingen van agenten. In andere gangbare definities wordt echter ook gesproken over etnisch profileren, wanneer etniciteit onder ándere een onredelijke en niet-objectieve rol speelt in de oordeelsvorming van agenten, bijvoorbeeld in relatie tot leeftijd, klasse en buurt. Wanneer voor een dergelijk perspectief of analysekader wordt gekozen, dan kan ik me voorstellen dat de interpretatie van de casussen er anders had uitgezien.

Mijn tweede kanttekening gaat over de criteria die zijn gehanteerd om de redelijkheid en de objectiviteit van de controles te beoordelen. Immers, het feit dat er nieuwe Nederlanders door de politie worden gecontroleerd, impliceert niet per se discriminatie. Agenten kunnen redelijke en objectieve gronden hebben voor het controleren van burgers, zoals de onderzoekers stellen. Gelijk hebben ze.

Maar alledaags politiewerk wordt begrensd door de wet. En juist de juridische redelijkheid en objectiveerbaarheid van het optreden wordt nergens in het onderzoek besproken. Zo worden ook de specifieke bevoegdheden die tijdens het proactief optreden zijn ingezet niet benoemd. Het is mij onduidelijk hoe de redelijkheid van de controles kan worden vastgesteld zonder daarbij de rechtmatigheid van het optreden te bespreken. Dit is een wezenlijke tekortkoming van het onderzoek. Als gevolg kunnen de onderzoekers naar mijn oordeel de redelijkheid en objectiveerbaarheid van de controles niet aannemelijk maken. Ik neem hierbij niet eens in overweging of er al dan niet sprake is van etnisch profileren. 

Renault Clio
Buiten die juridische toets, beoordeel ik in het algemeen dat de onderzoekers nauwelijks vraagtekens zetten bij de motieven en rechtvaardigingen van de agenten. Neem bijvoorbeeld de casus van de rode Renault Clio met daarin drie autochtoon uitziende jongens van ongeveer achttien jaar oud. Let wel, ook hier gaat het niet om etnisch profileren, het betreft drie autochtone jongeren. Op de vraag waarom deze auto wordt gestopt, zegt de agent: ”Het was een gevoel.” De andere agent zegt: ”Ik zag de bestuurder met zijn vuist in de lucht op de muziek bewegen. Dat trok de aandacht.” De onderzoekers concluderen dat de controle redelijk te rechtvaardigen is vanwege deze verdachte gedraging. Waarom? Wat is hier de objectieve en redelijke rechtvaardiging? Wat is de relevantie van dit optreden in relatie tot algemene politietaken? Hier schieten de onderzoekers mijns inziens tekort, door enerzijds de casussen niet te toetsen aan juridische normen en anderzijds wordt niet ingegaan op de effectiviteit en efficiëntie van het politiewerk: een tweede wezenlijke criterium in de vaststelling van de redelijkheid van politiecontroles. Want wat levert de controle nu daadwerkelijk op?

Ik ontkom niet aan de indruk dat de onderzoekers de door de agenten als verdacht getypeerde gedragingen vrijwel automatisch categoriseren als redelijk en objectief. Diezelfde indruk heb ik ook bij de vrijwel vanzelfsprekende wijze waarop politie-informatie als een rechtvaardiging voor politiecontroles wordt gehanteerd. Onduidelijk blijft hoe actueel, nauwkeurig, gedetailleerd, concreet en geïndividualiseerd die informatie is, en of vormen van algemene informatie (vooroordelen) en concrete politie-informatie mogelijk niet door elkaar lopen. 

Neutrale agent
Laat ik daarbij een ander punt noemen: zelfs als de controles juridisch te rechtvaardigen zijn, dan nog kan etnisch profileren voorkomen. In mijn eigen onderzoek heb ik meermaals geobserveerd dat agenten gebruik maken van de zogenaamde pretext controle. Hierbij wordt bijvoorbeeld een lichte verkeersovertreding gebruikt als een juridische ingang voor de controle. Daarmee voldoen agenten aan het beeld van de ‘neutrale agent’ en immuniseren zij zich voor het verwijt van discriminatie.

Mijn derde opmerking: wordt in het onderzoek überhaupt het verschijnsel van etnisch profileren onderzocht? In de methodische verantwoording stellen de onderzoekers dat – ik citeer – ”gezien het karakter van de diensten niet gestructureerd is gevraagd naar het waarom van hun handelen”. Een merkwaardige mededeling. Is dan wel gemeten wat men wilde meten? Is er onderzocht, wat men wilde onderzoeken? Deze vragen hebben betrekking op de validiteit van het onderzoek. Hoe kun je de redelijkheid en objectiviteit van het optreden vaststellen als er niet systematisch is gevraagd naar het perspectief van de agenten, naar hun motieven? 

Ik wil de vraag van zoëven herhalen: is er onderzoek gedaan naar het verschijnsel van etnisch profileren? Is er gemeten, wat men wilde meten? Zo is er gekozen voor drie wijken in de stad Den Haag, waarvan er twee een uitgesproken multi-etnisch karakter hebben, omdat, zo stellen de onderzoekers, daar de problematiek mogelijk sterker naar voren komt dan elders. Later ondergraven de onderzoekers het nut van die keuze. Zo stellen ze dat in multi-etnische buurten het verschijnsel van etnisch profileren minder aan de orde is, omdat etniciteit geen onderscheidend vermogen heeft in die wijken. De onderzoekers vinden zelfs een rechtvaardiging in deze demografische feitelijkheden, door te stellen dat de politie ook etnische minderheden controleert, omdat ze hoofdzakelijk wonen in de bestudeerde wijken. Die argumentatie ondermijnt juist het nut van de methodische keuze voor multi-etnische wijken. Zo kan door die keuze het perspectief van out of placeness niet bestudeerd worden.

In mijn eigen onderzoek beschrijf ik uitgebreid het verschijnsel wat ik de ”agent als verschillenzoeker” noem. De politieliteratuur spreekt over out of placeness: personen die niet zouden passen in bepaalde locaties trekken de aandacht van de agent. 

In mijn onderzoek in Amsterdam heb ik de observaties verspreid over meerdere wijkteams en daarmee wijken in de stad. Ook zijn er agenten geïnterviewd op 22 verschillende wijkteams. Hierdoor is de geografische spreiding van mijn onderzoek vele malen groter dan het onderzoek in Den Haag (drie wijken). Dit was een bewuste keuze om de specifieke contextuele kenmerken van de alledaagse beslissingen te kunnen bestuderen. Zo is in mijn onderzoek het perspectief van out of placeness in de overwegend witte en vaak vermogende wijken een duidelijk patroon. Agenten motiveren deze controles onomwonden door te stellen dat ze mensen met een kleurtje controleren, omdat ze daar niets te zoeken hebben, want ze wonen er niet. 

Out of placeness is in een kwalitatieve opzet mogelijk een van de sterkste aanwijzingen voor etnisch profileren. En juist dat perspectief is niet of nauwelijks bestudeerd als gevolg van de keuze voor drie buurten, waarvan er twee een multi-etnisch karakter hebben. Mijn vraag is dan ook of etnisch profileren werkelijk is bestudeerd.

Hoewel het onderzoek zonder meer aantoont dat politiewerk complex en ondankbaar werk is, zijn een aantal belangrijke componenten van etnisch profileren niet bestudeerd. 

Al met al denk ik dan ook dat er onvoldoende bewijs is voor de conclusie dat etnisch profileren niet structureel voorkomt in Den Haag. En voor de duidelijkheid, ik stel niet dat etnisch profileren wel structureel voorkomt in Den Haag. Mijn argument is vooral dat op grond van het bestaande onderzoek het doorslaggevende bewijs niet is geleverd.

Wat we nu moeten doen? ”Meer onderzoek”, zei de onderzoeker.

Dit artikel verscheen eerder op ZamanVandaag. Volg Sinan op Twitter.

Geef een reactie

Laatste reacties (26)