1.501
60

Politicoloog

Roeland Stolk, MA (1987) is politicoloog en studeert op dit moment af in de bestuurskunde op de ontwikkeling van (de overheidsresponsies op) rechts-radicalisme (Universiteit Leiden). Daarnaast is hij werkzaam bij de marktgroep Veiligheid en Openbaar Bestuur van adviesbureau Berenschot.

Verleg de focus in de discussie over Noorwegen

Is Nederland voldoende in staat een dergelijke aanslag te voorkomen?

De aanslag in Noorwegen is verschrikkelijk, maar vanuit bestuurskundig en politiek perspectief ook buitengewoon interessant. Daarom is het verbazingwekkend dat de publieke discussie zich nu voornamelijk op schuldvragen richt en niet op de veel relevantere vraag over hoe goed het Nederlandse systeem voorziet in het voorkomen van vergelijkbare incidenten op eigen bodem. Het antwoord op deze vraag levert voer voor discussie over het Nederlandse beleid.

Het is van belang allereerst een tweetal opmerkingen over de aard van de dader te maken. Eén: de constant gebruikte term lone wolf  impliceert te voorbarig dat dit de actie van één individu is. We weten dat één iemand schoot, niet dat hij dit volledig zelfstandig heeft bedacht. Twee: in tegenstelling tot de meeste ‘lone wolves,’ handelde deze dader uit ideologie. Zijn ideologie valt onder de noemer rechts- radicalisme. Het fundamentele verschil tussen die ideologie en, bijvoorbeeld, islamitisch- radicalisme is dat er een tweeledig vijandbeeld bestaat. In jargon bestaat er een onderscheid tussen het volksvreemde element (de moslim, jood of allochtoon) en het volksvijandige element (de slappe multiculti elite). Anders Breivik bleek het op die elite gemunt te hebben.

De gebeurtenis in Noorwegen roept in beginsel drie vragen op over de Nederlandse veiligheid. Kan dit in Nederland gebeuren? Wat is de status van rechtsradicalisme in Nederland? Bestaat er beleid om deze dreiging tegen te gaan? Het antwoord op de eerste vraag is ja. Wat betreft de staat van extreemrechts stelt de overheid in diverse stukken dat de dreiging gering is.

Deze conclusie is  te voorbarig. De Nederlandse overheid heeft enkel gekeken naar traditionele vormen van georganiseerd extreemrechts. Deze vormen zijn het afgelopen decennium inderdaad gemarginaliseerd, maar tegelijkertijd is extreemrechts van gedaante veranderd. Er wordt echter weinig onderzoek gedaan naar nieuwe vormen en netwerken. We weten het dus niet precies. Dit gebrek aan kennis maakt ons kwetsbaar.

Het antwoord op de derde vraag is positiever. In Europees perspectief heeft Nederland een beleidslijn die goed aansluit bij de bedreiging van geradicaliseerde individuen, waarvan het eerste strafwaardige feit direct gruwelijk is. Onder invloed van de islamitische terreurdreiging is het Actieplan Polarisatie en Radicalisering 2007-2011 ontwikkeld, waarvan de uitwerking zich voornamelijk richt op het tegengaan van het proces van radicalisering in een vroegtijdig stadium. De premisse is dat het dan nog kan. De regierol is daarbij expliciet bij de lokale overheid gelegd. Vroegtijdig signaleren en lokaal ingrijpen. In theorie wordt zo, onder andere met deradicaliseringstrajecten, het individuele proces van radicalisering tegengegaan. In praktijk blijkt deze beleidslijn echter niet eenvoudig tot krachtige uitvoering te brengen. Er zit in de verschillende aanpakken weinig lijn en gemeenten lijden nogal eens aan ontkenningsdrang. Angst voor imagoschade en een gebrek aan kennis en kunde (vroeg signaleren vergt geavanceerde methoden en expertise) maken regelmatig dat men beginnende radicalisering niet fluks erkent. Begrijpelijk uiteraard, maar fnuikend voor beleid dat uitgaat van vroeg signaleren en aanpakken.

Een plotselinge individuele terroristische daad is nooit volledig te voorkomen. Maar wanneer men er (terecht) van uitgaat dat radicalisering een proces is, lijkt het meest adequate antwoord een vroegtijdige signalering en aanpak van individuen te zijn. Op papier liggen we daarmee op koers, de praktijk van die aanpak moet echter nog aan kracht winnen. Daarnaast loopt deze beleidslijn in 2011 af. Wat overblijft zijn vele vragen. Hoeveel gevorderde rechtsradicalen zijn er in Nederland? Hoeveel individuen zitten in riskante voorstadia daarvan? Wordt er wel voldoende onderzoek gedaan om de signalering van nieuwe vormen mogelijk te maken? Is er überhaupt voldoende focus op rechts- radicalisme?  Hoe kunnen lokale overheden hun regierol beter invullen en zou deze regierol eventueel bij anderen kunnen worden gelegd? Het zou goed zijn als de publieke discussie zich meer op deze vragen zou richten in plaats van op de vraag of Wilders nu ook ‘schuldig’ is of niet. 

Geef een reactie

Laatste reacties (60)