Laatste update 10:19
664
3

Universitair hoofddocent, UvA

Joost van Spanje is universitair hoofddocent politieke communicatie aan de Universiteit van Amsterdam. Hij is gespecialiseerd in onderzoek naar de reacties van de gevestigde orde op nieuwe politieke partijen. Dit omvat juridische reacties (bijv. strafvervolging), politieke reacties (bijv. cordons sanitaires) en media-reacties (bijv. doodzwijgen). Joost is winnaar van de Jaarprijs Politicologie 2010, van een NWO Veni-onderzoeksbeurs in 2012 en van een NWO Vidi-onderzoeksbeurs in 2015.

Verslagschaamte

Politieke partijen en de strijd om media-aandacht

Politici van nieuwe partijen beklagen zich vaak over de aandacht die ze krijgen. Ze klagen dat nieuwsmedia te weinig over hen berichten, of verkeerd over hen berichten. In hoeverre zijn die klachten terecht? Recent wetenschappelijk onderzoek geeft een – heel beperkte – eerste indruk.

“Jullie moesten je schamen!” Een “dame die lesgeeft aan het mbo” spreekt journalist Ariejan Korteweg bestraffend toe op FvD Summer Nights te Zaandam. De anonieme dame vervolgt: “Niets dan leugens verspreiden jullie!” In De Volkskrant van de dag erna, 3 september, meldt Korteweg dat op die samenkomst van FvD-aanhang het idee leeft “dat de media de affaires hebben opgeblazen”.

Dit geluid is niet nieuw. Ook bij andere anti-immigratiepartijen werd luid geklaagd over “de media.” Het schoolvoorbeeld hiervan is CD-leider Hans Janmaat. Toen een reporter hem na de Tweede Kamerverkiezingen van 1998 vroeg waardoor zijn partij al haar zetels had verloren gaf een zichtbaar geëmotioneerde Janmaat live op TV het antwoord: “Door u!”, waarna hij de verslaggever te lijf ging.

Aandacht
Waar de mbo-docente en Janmaat het hadden over negatieve aandacht, klaagde Trots op Nederland-leider Rita Verdonk over gebrek aan aandacht. Drie dagen na de verkiezingen van 2010 zei Verdonk tegen De Volkskrant: “Het is aan de media te wijten dat Trots op Nederland geen plekje in de Tweede Kamer heeft gekregen.” Immers, als “partij heb je de media nodig” maar “de kiezer zag mij niet”.

Volgens Verdonk hebben nieuwe partijen een probleem: “De media bepalen welke partij interessant is voor de kiezer (..) Als nieuwe partij kom je gewoonweg niet aan de bak.” Jan Nagel, coryfee van een andere nieuwe partij, 50Plus, zal het met haar eens zijn. Hij overwoog ooit een kort geding tegen de NOS: 50Plus werd “enorm gediscrimineerd.” Dat ‘nieuws’ haalde op 17 februari 2011 De Volkskrant.

Image via www.vpnsrus.com

Zo kan een Calimero-houding media-aandacht genereren. Een andere strategie, het zoeken van de confrontatie met gevestigde nieuwsmedia om aandacht te krijgen, werd toegepast door de LPF van Pim Fortuyn in 2002. Fortuyn zette bijvoorbeeld zonder duidelijke reden een team van verslaggevers uit zijn palazzo. Eenzelfde strategie wordt al jaren gevolgd door Amerikaans president Donald Trump.

Onderzoek
In hoeverre zijn die klachten terecht? Hoeveel aandacht krijgen nieuwe partijen nu eigenlijk – en welk soort aandacht? Mijn collega Paul Lucardie van de Rijksuniversiteit Groningen deed al in de jaren ’90 onderzoek naar die vragen. Hij richtte zich op niet in de Tweede Kamer vertegenwoordigde partijen in NRC Handelsblad, Trouw en De Volkskrant. Hij vond 132 artikelen in 1994 en 22 vier jaar later.

Dat aantal van 22 was gelijk aan wat de SGP in haar eentje kreeg – een partij met destijds slechts twee zetels. Over een andere partij met twee zetels tijdens de campagne van 1998, de SP, verschenen tweemaal zoveel artikelen: 44 stuks. Lucardie merkte op: “Binnen tal van randpartijen klaagde men dan ook – met slechts lichte overdrijving – over een ‘boycot’ door de media.” Het lijkt van alle tijden.

De magere opbrengst was ook nog eens scheef verdeeld: zeven van de 22 artikelen gingen over één partij: De Groenen, onder leiding van Roel van Duijn. Aan elk van zeven andere “randpartijen” werd hooguit vier artikelen gewijd en aan twee zelfs geen enkel. De tweede vraag, naar het soort aandacht, blijft hierbij onbeantwoord: een analyse van de inhoud van een zo klein aantal artikelen is niet zinnig.

Nieuwe partijen
En bij andere Tweede Kamerverkiezingen? In een recente studie kijken UvA-collega Rachid Azrout en ik naar in totaal zo’n 370.000 maal dat nieuwe partijen zijn genoemd. We doen dat op twee manieren: ten eerste in vijf kranten voor elk van de 183 partijen die sinds 1948 debuteerden bij zulke verkiezingen en ten tweede in 33 online en offline nieuwsbronnen voor de 14 nieuwelingen in 2017.

Hoe zichtbaar waren de novieten? Hooguit één op tien kan zich meten met kleine gevestigde partijen. In 2017 kwamen alleen Denk, FvD en VNL enigszins in de buurt. Ze werden elk ruwweg 25 maal vaker genoemd dan de zes minst bekende debutanten. In de data vanaf 1948 vinden we 82 van de 183 nieuwelingen helemaal niet terug in onze – weliswaar ruwe – meting gebaseerd op krantenmateriaal.

Enerzijds strookt dit niet met het dominante idee dat media een podium moeten bieden aan velerlei politieke stromingen. Anderzijds kunnen media niet elke partij veel aandacht geven. Overigens blijkt uit onze analyses dat een nieuwe partij die al zetels heeft, zoals Denk en een eventuele partij van Henk Otten, relatief veel aandacht mag verwachten. Maar toch halen de meeste van hen de kiesdrempel niet.

Stigmatisering
Tot slot de tweede vraag: voor zover jonkies in de media komen, hoe worden ze dan geportretteerd? Waar Denk bijvoorbeeld over klaagde, maar waar weinig aanwijzingen voor zijn, is dat ze negatief werden bejegend. Dat kan op veel manieren. De literatuur verwijst naar drie bij uitstek beschadigende manieren van berichtgeving: criminalisering, trivialisering en stigmatisering van een nieuwe partij.

Criminalisering omvat de associatie van een partij met politiek geweld, gevaar of extremisme. Trivialisering is de typering als protestpartij, onervaren of incompetent. Stigma’s zijn ‘populistisch’ of ‘antidemocratisch’. Criminalisering komt het vaakst voor: in 8% van de krantenartikelen sinds 1948 (vooral bij controversiële partijen als CP’86) en in 4% van de online en offline berichtgeving in 2017.

Trivialisering (3% en 0%) en stigmatisering (4% en 2%) komen minder vaak voor. Samen komen ze grofweg driemaal zo vaak als bij gevestigde partijen in 2017. Bedenk wel dat er bij oudere partijen relatief veel neutraal nieuws is over dagelijkse routines, dus de vergelijking gaat deels mank. Verder komt media-inhoud natuurlijk deels tot stand door aanvallen van andere partijen, niet van journalisten.

Dus moeten journalisten zich schamen? Nog lastig te zeggen.

Geef een reactie

Laatste reacties (3)