473
1

Schrijver

Said El Haji (1976, Marokko) is schrijver. Hij won in 2000 de El Hizjra-aanmoedigingsprijs voor het korte verhaal “De kleine Hamid”. In hetzelfde jaar publiceerde hij zijn debuutroman De dagen van Sjaitan. Wat volgde waren vele lezingen en voordrachten op talloze podia en fora. Ook werkte hij als columnist voor tal van regionale en landelijke kranten en bladen. In 2006 stelde hij de bloemlezing 25 onder de 35 samen, waarvoor 25 van de nieuwste lichting Vlaams-Nederlandse schrijvers onder 35 jaar werden geselecteerd. In datzelfde jaar verscheen Goddelijke duivel, zijn tweede roman. Najaar 2011 publiceerde El Haji zijn derde roman, De aankondiging.

Verval is onomkeerbaar

Onomkeerbaar als verval is, zo onuitroeibaar is de hoop

De Dichter des Vaderlands kan tekeergaan wat hij wil, maar als het waar is wat hij schrijft, dat we ‘ziek, nihilistisch, narcistisch en gestoord’ zijn en onze politieke leiders slechts excelleren in een decadent isolationisme, dan heeft het geen enkele zin om tekeer te gaan. Dat doe je niet bij een opa die op sterven ligt. Feit is dat verval, zoals alle verval, eenrichtingsverkeer is. Een doodlopende weg bovendien. Je kunt het hoogstens uitstellen.

Dat weet Ramsey Nasr ook. Wat hij bekritiseert is dan ook niet zozeer het verval op zich, maar de wijze waarop we haar beklagen. ‘Normloosheid spreidt zich uit als een olievlek over onze politiek, onze media en heel onze cultuur. Moet kunnen. Maar dan moeten we ook ophouden met het geëmmer over onze nationale cultuur. Het is het een óf het ander.’

Toch lijkt hij erin te geloven het tij te kunnen keren. Waarom anders zo moralistisch ten strijde trekken? Hoop is ons aller geestelijk bloed en gaat waar hij niet gaan kan.

Kenmerkend voor verval is dat zij onafwendbaar is. Joseph Roth noemt in zijn roman De kapucijner crypte, die gaat over het verval van het Oostenrijks-Hongaarse rijk vlak voor de Eerste Wereldoorlog, nog enkele andere eigenschappen. Hij heeft het over de ‘sceptische lichtzinnigheid’, de ‘melancholieke waanwijsheid’, de ‘zondige nonchalance’ en de ‘hoogmoedige verlorenheid’ van de aristocratische en artistieke kringen. Allemaal tekenen van decadentie, de naderende ondergang. Een beeld dat veelvuldig in het boek terugkomt: ‘Boven de glazen waar we overmoedig uit dronken, kruiste de onzichtbare dood reeds zijn knokige handen.’ Het is de onafwendbaarheid van de ondergang.

Zelfs zij die de tirade van Nasr verwelkomen, er waarheid in zien, hebben niet in de gaten dat ze hun eigen ondergang verwelkomen.

Spreken we vandaag de dag over decadentie en verval, dan kunnen we niet om Griekenland heen. Deze bakermat van beschaving en democratie is al heel lang niet meer wat het moet zijn. Geloof het of niet, maar het is dankzij de Noord-Afrikaanse geleerde Ibn Chaldoen (1332-1406) dat ik de crisis van dit land, die symptomatisch is voor die van de gehele Westerse wereld, begrijp. Wie zijn standaardwerk al-Muqaddima leest, kan niet anders concluderen dan dat de wereld anno nu, hoewel gejaagder en ondoorzichtiger, in wezen niet zo veranderd is. Het is daarom dat Ibn Chaldoen, de Erasmus van de Maghreb, er beter in slaagt de crisis uit te leggen dan welke hedendaagse stereconoom ook. Het heeft alles te maken met groepssolidariteit.

Groepssolidariteit is het kernbegrip in ’s mans analyse van opkomst en ondergang van staten. Zonder groepssolidariteit geen politieke macht. ‘De drang om te overheersen en verzet te bieden kan alleen ontstaan op basis van groepssolidariteit, waarin trots en de bereidheid om voor elkaar op te komen of zich voor elkaar op te offeren een essentiële rol spelen,’ schrijft hij.

Ergens schrijft Ibn Chaldoen ook dat een staat soms te weinig inkomsten heeft. Dat komt ‘doordat de leden van de dynastie rijk zijn geworden, hogere eisen stellen en meer geld uitgeven, waardoor de belastingopbrengsten te laag zijn om aan hun behoeften te voldoen en hun kosten te dekken.’ Wat doen machthebbers dan? ‘Soms heffen ze belasting op handelstransacties en markten (…), en soms zetten ze hun functionarissen en belastinginners onder druk en halen ze hun het vel over de oren. Dit laatste gebeurt echter alleen als ze hebben ontdekt dat er veel belastinggelden zijn verdwenen die niet in de boeken zijn terug te vinden.’ Aldus de Middeleeuwer, die natuurlijk nooit van onze gepimpte bancaire systemen met hun warrants, quants en credit default swaps heeft gehoord en zich mede daarom juist de nodige eenvoud en eerlijkheid kan permitteren. Hij hoeft ons niet te imponeren met kennis die afleidt van waar het om gaat. En waar het om gaat is gesjoemel. Waar het om gaat is verval. De naderende ondergang.

Via groepssolidariteit wordt nog meer duidelijk. Het begrip legt namelijk een dynamiek bloot die door een woord als “democratie” ongezien blijft. Bijvoorbeeld waarom toenmalige premier Papandreou, toen hij werd geconfronteerd met de strenge maatregelen die moesten worden getroffen om het land uit de crisis te trekken, zijn volk aanvankelijk een referendum wilde voorleggen. Dat deed hij om de broodnodige groepssolidariteit af te dwingen. Daarom hield hij zijn landgenoten het meest democratische instrument boven het hoofd. Papandreou kon zich geen voorbeeldiger politiek leider betonen. Deed hij dat niet, dan zou het volk de crisismaatregelen als louter vernederend kunnen zien. En dan zou het verval niet alleen voor de Grieken, maar voor ons allen in een versnelling zijn gekomen. Een versnelling die geen ruimte laat voor de illusie dat het verval is afgewend.

Wisten de andere EU-lidstaten, die het referendumvoorstel unaniem afbrandden, dan niet dat Papandreou een totale anarchie bezwoer? Vast, maar zij hadden rekening te houden met hun eigen groepssolidariteit, zonder welke zij natuurlijk ook niks konden beginnen.

Kraakheldere analyse, vindt u ook niet? Met dank aan Ibn Chaldoen.

Maar er zit dus ook iets verontrustends in. ‘Aftakeling is een chronische aandoening die niet kan worden behandeld of genezen, omdat er sprake is van een natuurlijk proces, en in natuurlijke processen kan men niet ingrijpen.’ Hij verklaart dit door erop te wijzen dat het voor mensen die een zekere mate van invloed en welvaart gewend zijn onmogelijk is om genoegen te nemen met minder. Ook van de groep wordt geen heil meer verwacht. Omdat wanneer een staat eenmaal door aftakeling is aangetast, de groepssolidariteit vaak al verdwenen is. Niet voor niets grijpen conservatieven dan terug op nationalistische neigingen als culturele eigenheid en een gemythologiseerde vaderlandse geschiedenis. Kijk naar de 19e-eeuwse Hollanders die de eigen Jan Salie-geest bekritiseerden, uit verlangen naar de Gouden Eeuw. De 21e-eeuwse Jihadisten die naar de vestiging van een nieuw kalifaat dorsten, in de hoop de glorietijd van de islam te doen herleven. De PVV die de teloorgang van de welvaartstaat verhaalt op de mythe van een opgedrongen multiculturele samenleving.
Is de groepssolidariteit in Nederland verdwenen? Niet als we kijken naar de Oranjegekte die losbarst tijdens grootschalige voetbaltoernooien. Niet als we delen in het leed en geluk van de leden van het Koningshuis. Kortom, zaken die ons gezamenlijk verbinden omdat ze boven de partijen uitgaan. Dat is broodnodig. In Nederland willen wij namelijk ook dat er iets te kiezen valt als we naar de stembus gaan. Wij Nederlanders zijn trots op onze keuzerijkdom, de vele politieke partijen waarop we kunnen kiezen. In de meeste landen kunnen mensen slechts kiezen uit twee partijen. Echter, in het besef dat de onderlinge groepssolidariteit tussen de verschillende kiezers verbrokkelt wanneer partijen te veel van elkaar afdrijven, blijft de keuzerijkdom oppervlakkig. De enige polarisatie die we kennen is nog altijd die tussen de partijen ter linker- en rechterzijde van het politieke spectrum, ondanks de veelheid aan politieke partijen.

Een andere uitdaging is die van de immigratie en integratie. Hier is al veel over gezegd en geschreven. Het volstaat om te onderkennen dat de verschillende groepen mensen met hun verschillende sociale en culturele afkomst een overmatige beroep doen op de groepssolidariteit wanneer ze zich van elkaar afzijdig houden, zoals in sommige wijken al te lang is gebeurd.

En er is nóg een uitdaging die in dit kader genoemd moet worden, en wel de vergrijzing van onze samenleving. Deze is door de economische crisis pregnanter geworden, omdat hij een groot gewicht legt in de schaal die we de verzorgingsstaat noemen. De verzorgingsstaat zoals we die kennen is daardoor onhoudbaar geworden. Steeds meer ouderen hebben steeds meer zorg nodig en daar staan niet voldoende jongeren tegenover om de kosten ervan te dragen. Dit tast de onderlinge solidariteit tussen de generaties aan. Illustratief is de opkomst van de jongerenbeweging G500, die de partijcongressen van de middenpartijen wil bestormen om de vermeende politieke dominantie van de ouderen tegen te gaan.

Ik blijf ondanks alles hoop houden.  Onomkeerbaar als verval is, zo onuitroeibaar is de hoop. Zoals de Dichter des Vaderlands die even triomfantelijk als zinloos ageert tegen een land in verval, en erom geroemd wordt in de hoop de totale ondergang te stuiten.

Geef een reactie

Laatste reactie