596
28

Medewerker Wetensch. Bureau GroenLinks

Katinka Eikelenboom (1982) is medewerker van Bureau de Helling, het wetenschappelijk bureau van GroenLinks. Ze studeerde Politicologie aan de Universiteit van Amsterdam en de University of Sussex. Daarna volgde ze een twee-jarige Master in International Affairs aan the New School in New York en liep ze drie maanden stage bij een onderzoeksinstituut in de Dominicaanse Republiek. Eikelenboom werkte vervolgens als assistant-editor bij het Ethics & International Affairs Journal en als beleidsadviseur bij de Vereniging van Universiteiten (VSNU). Bij Bureau de Helling werkte ze mee aan verschillende publicaties, zoals Banen of barbecues? Kanaleneiland als case study van het wijkbeleid (2009), GroenLinks regeert (2009) en Vrijzinnig paternalisme. Naar een groen en links beschavingsproject (2011). Zij schreef als secretaris van de programmacommissie mee aan het GroenLinks-verkiezingsprogramma 2010.

Verziekt klimaatdebat dient verduurzaming niet

het is tijd voor een discussie op basis van waarden

Al een aantal jaar buitelen klimaatwetenschappers, sceptici en alarmisten over elkaar heen in wat ‘het klimaatdebat’ is gaan heten. Het debat is zowel gepolariseerd, verwetenschappelijkt als gepolitiseerd. Tijd voor een meer waardengeladen discussie over waarom we moeten vergroenen.

“Klimaatscepticus bekeerd: ‘Global warming bestaat toch’”, kopte de Elsevier onlangs. Ook buiten komkommertijd is het klimaatdebat een dankbaar onderwerp voor de media. Regelmatig kruisen ontkenners en aanhangers van het klimaatprobleem de degens op de opiniepagina’s van kranten – in januari 2012 bijvoorbeeld in het NRC n.a.v. een column van rechtsfilosoof Thierry Baudet. Deze zomer, in Amerika de heetste in jaren, is het de Amerikaanse natuurkundige Richard Muller die zorgt voor een kleine oprisping in het klimaatdebat.

Muller zet in 2009 het Berkeley Earth Surface Temperature project op om zelf te kunnen onderzoeken of de temperatuur in de afgelopen eeuwen inderdaad is toegenomen – een gegeven waar de meeste klimaatwetenschappers het al jaren over eens zijn. Maar de bestaande data vertrouwt Muller niet. Niet alleen toont zijn onderzoek het gelijk aan van de mainstream klimaatwetenschap, ook moet hij toegeven dat de toenemende CO2-uitstoot de belangrijkste verklarende factor is.

In zijn ‘biecht’ in de New York Times  – waarin Muller met gevoel voor drama begint met de zin “Call me a converted sceptic” – spreekt hij de hoop uit dat zijn onderzoek zal helpen om het wetenschappelijk debat over de opwarming van de aarde af te sluiten (‘settle the debate’). En dat is spijtig, want hiermee valt de natuurkundige in de valkuil die ervoor zorgt dat het klimaatdebat tussen de zogenoemde sceptici en alarmisten telkens weer oplaait en verwarring en wantrouwen zaait onder het grote publiek. Onzekerheid, twijfel en scepsis zijn eigen aan wetenschap en hebben een onschatbare waarde voor de zoektocht naar meer kennis die wetenschappelijk onderzoek is. ‘Het’ klimaatdebat valt niet te ‘settelen’. Hoogstens kunnen aspecten ervan worden afgesloten, zoals de conclusie dat de aarde opwarmt en de uitstoot van CO2 daarin een belangrijke rol speelt.

Wetenschappers hebben de verwarring in het klimaatdebat deels aan zichzelf te wijten, maar ook politici zouden de hand in eigen boezem moeten steken. Aan de ene kant bezondigen zij zich aan fact free politics: het doen van uitspraken en voorstellen die niet zijn gebaseerd op feiten en wetenschappelijk onderzoek, maar op onderbuikgevoelens, vermoedens en persoonlijke observaties (‘het sneeuwt, dus het zal wel meevallen met de opwarming van de aarde’). Tegelijkertijd schuiven politici de verantwoordelijkheid voor politieke besluitvorming maar al te graag af op cijfers en onderzoek. Alles moet ‘evidence based’ zijn: bewezen effectief. Het ‘bewijsbeest’ zoals het Rathenau Instituut  het zo mooi typeert, leidt tot een technocratisering van het maatschappelijk debat. Het blindvaren op zogenaamd objectief onderzoek verdoezelt de ideologische verschillen die ten grondslag liggen aan keuzes door politici en beleidsmakers.

Het klimaatdebat stuitert heen en weer tussen de feitenvrije politiek en het bewijsbeest. De aanvankelijk verregaande technocratisering van het debat, belichaamd door het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC), dat elke vier jaar de stand van de klimaatwetenschap in kaart brengt, heeft van de weeromstuit geleid tot een tegenreactie van totale politisering en ideologisering. Die omslag heeft geleidelijk plaatsgevonden, maar raakte eind 2009 in een stroomversnelling toen emails van klimaatwetenschappers werden gehackt en er fouten bleken te staan in het IPCC-rapport.

De politisering die volgt verleidt links tot rechts tot wilde verdachtmakingen en complottheorieën en legt een onmogelijke druk op de klimaatwetenschap om met keiharde antwoorden te komen.

De politieke polarisatie in het klimaatdebat komt in de Nederland tot uiting via de PVV en de VVD. Vooral de PVV maakte in de afgelopen jaren van klimaatscepsis een politiek speerpunt, maar ook de VVD – die zich een aantal jaar geleden nog profileerde als ‘groen-rechts’ en verschillende groene prominenten onder haar leden mag rekenen, zoals Pieter Winsemius en Ed Nijpels – zet opeens vraagtekens bij de conclusies van de IPCC-rapporten. Zelfs ons eigen KNMI komt onder vuur te liggen, omdat het volgens VVD-kamerlid René Leegte ‘klimaatpartijdig is’.

Intussen kunnen klimaatwetenschappers het eigenlijk niet goed doen. Terwijl de onzekerheid over de aard van klimaatverandering tot eind jaren negentig aanleiding gaf tot scepsis, worden de toenemende consensus en zekerheid over aspecten van het probleem sinds de jaren nul net zo goed aangegrepen door ‘klimaatontkenners’ om hun gelijk te bevestigen. Die consensus zou immers wijzen op tunnelvisie, op dogmatisme en op een religieuze overtuiging.

Kees Vendrik, oud-Kamerlid voor GroenLinks, verwoordt het probleem als volgt: ‘Te vaak wordt het klimaatdebat teruggebracht tot een technocratisch moeras, waarin het uitsluitend lijkt te draaien om ingewikkelde reductiepercentages, doelen en grafieken, terwijl het zou moeten gaan om mensen. Klimaatverandering is bij uitstek een sociaal vraagstuk: hoe verdelen we de milieugebruiksruimte op aarde eerlijk over de generaties en de mensen hier en de mensen in de ontwikkelingslanden (Tweede Kamer 2009-2010b, p. 3303).’

De oproep van Vendrik is nog steeds actueel. Laten we het, naast CO2-reductie, klimaatgevoeligheid en zeespiegelstijging, vooral hebben over de noodzakelijke en wenselijke omslag naar een groene, duurzame samenleving en wereld. De opwarming van de aarde is lang niet de enige reden die ons noopt om hiermee vaart te maken. Naast het simpele feit dat olie en andere grondstoffen opraken, is verduurzaming ook in zichzelf simpelweg nastrevenswaardig: meer natuur, meer gezondheid, meer welzijn en tijd tegenover minder consumptie en economische groei en meer rechtvaardigheid ten aanzien van mensen elders en in de toekomst. Laten we dat vooral niet vergeten wanneer de volgende klimaat(ont)kenner zich roert.

Geef een reactie

Laatste reacties (28)