1.049
13

Boekvertaler, freelance redacteur

Maarten van der Werf (1970) is boekvertaler, freelance redacteur en nog een paar dingen. En hij publiceert af en toe wat. Hij schreef onder meer in De Volkskrant, NRC Next en Contrast.

Vier jaar je bek houden doe je vooral zelf

Democratie gaat verder dan een stem in het stemhokje. Als je meer invloed wil, kun je daar zelf toe besluiten.

‘En nu vier jaar je bek houden!’ stond een jaar of twintig geleden op een poster bij iemand thuis waar ik wel eens kwam. Als rebelse postpuber zag ik die uitspraak wel zitten, want wat was dat voor democratie, waar je een keer in de vier jaar mijn stem mocht uitbrengen en het landsbestuur verder maar aan ‘ze’ moest overlaten?

Ik hoor de leus nog steeds, en naar mijn idee steeds vaker. Er bestaat grote onvrede over het functioneren van de democratie, en een  van de grote kritiekpunten is dat politici ‘maar wat doen’ zonder de burgers te raadplegen en zonder zich op de hoogte te stellen van de wensen en noden van de bevolking. Het is blijkbaar een breed gedragen gedachte.  Maar is hij waar? Maakt de burger wel gebruik van al zijn democratische rechten en mogelijkheden zijn wensen en noden kenbaar te maken? Of valt de burger hier zelf ook een en ander te verwijten?
Natuurlijk is het actief stemrecht de basis van de democratie. Dat recht wordt iedere burger (en in sommige gevallen ook sommige ingezetenen)  toegekend als hij of zij een bepaalde leeftijd heeft bereikt. Het is een recht dat in principe door iedereen kan worden uitgeoefend, idealiter een keer per vier jaar per overheidsniveau (gemeentelijk, provinciaal, landelijk en Europees) en vergt weinig meer dan een loopje naar het dichtstbijzijnde stembureau. 
Het is dus, hoewel het actief stemrecht heet, een betrekkelijk passieve aangelegenheid: men krijgt het op het achttiende jaar in de schoot geworpen en kan het van tijd tot tijd uitoefenen tot Magere Hein daar zijn zeis voor steekt. Voldoende kennis  en tegenwoordigheid van geest strekken tot aanbeveling, maar zijn geen voorwaarde: men kan stomdronken of volkomen ongeïnformeerd zijn stem uitbrengen. Ook heeft men de vrijheid niet te stemmen, blanco of zijn stem ongeldig te maken. Een ruime keuze dus.
Het stemrecht is een laagdrempelig recht. Maar het is ook beperkt: met twaalf of dertien miljoen stemgerechtigden is een stem op landelijk niveau natuurlijk van beperkte invloed, laat staan bij het Europese parlement. Op provinciaal of gemeentelijk niveau is de invloed per uitgebrachte stem natuurlijk wat groter, maar heel veel scheelt het niet. Maar is dat alles wat een burger kan doen?
De wederhelft van het actief stemrecht is het passief stemrecht: iedere volwassen burger heeft het recht zich onder bepaalde voorwaarden zelf verkiesbaar te stellen. Hoewel dat theoretisch op persoonlijke titel kan, zijn de historisch gegroeide vehikels hiervoor de partijen, waarbij de kieslijst meestal via een of andere procedure  door de leden wordt vastgesteld. Het enthousiasme om dit recht uit te oefenen is veel beperkter dan het actief stemrecht zelf. Rond de 1 procent van de bevolking is lid van een partij, een fractie daarvan doet een poging op een lijst te komen. Dat is, om kort te gaan, niet veel. 
Met de PVV als fameuze uitzondering kan men binnen partijen invloed uitoefenen via de ledenvergadering, ledenraadplegingen en, als men zich daarvoor kandidaat stelt en steun weet te verwerven, allerlei bestuursfuncties. Die zijn over het algemeen gekozen door de leden. Natuurlijk zijn sommige mensen geschikter dan anderen en wie zich actief en ambitieus toont heeft vaak meer invloed.  Maar over het geheel genomen zijn de processen democratisch – ook het verwerven van steun is deel van democratie. En wie onder de bestaande partijen niets van zijn gading vindt, kan nog altijd een eigen partij oprichten. Dat gebeurt met enige regelmaat.
Behalve via stemmen en lidmaatschap van een partij heeft de burger de mogelijkheden om invloed uit te oefenen via vakbonden tot belangen- en beroepsorganisaties. Heel vaak kan men ook hier via ledenvergaderingen en ledenraadplegingen invloed uitoefenen op het beleid, en vaak hebben zulke organisaties mensen in dienst die dat beleid uitvoeren en voor het voetlicht brengen van het publiek en politici. Ja, hij is getrapt en indirect, maar die invloed is er wel.
En dan hebben we het nog niet  gehad over de mogelijkheid om mee te doen aan het maatschappelijk debat. Iedere burger heeft de mogelijk een brief te schrijven aan een krant of tijdschrift, een blog op te zetten, zich te roeren op social media, zich te wenden tot politici, zich te verenigen in actiegroepen, te demonstreren of dat alles tegelijk. Soms zal je brief geplaatst worden, soms niet, soms krijg je weerklank, soms niet, en soms word je serieus genomen en soms niet  en soms krijg je gewoon geen gelijk.  Maar de mogelijkheden om je stem te laten horen zijn legio. 
Maar dan moet je natuurlijk wel in de benen komen. En daar zit nogal de kneep. Op zichzelf zijn de opkomstcijfers voor de landelijke verkiezingen in Nederland nog redelijk in vergelijking met andere landen, maar er is geen reden tot juichen. Bij de andere verkiezingen is de opkomst nog minder.  Zoals gezegd is maar 1 procent van de bevolking lid van een partij, tracht maar een deel daarvan invloed uit te oefenen en stelt maar een fractie van een fractie van de leden zich verkiesbaar voor een openbaar ambt.  
De vakbonden hebben nog substantiële aantallen leden, maar die kalven af en bepaalde beroepsgroepen en leeftijdsklassen zijn flink oververtegenwoordigd, wat directe invloed heeft op het beleid: als substantiële aantallen jongeren lid waren geweest van de bonden en zich stevig hadden gemanifesteerd, was er mogelijk eerder ingegrepen in het pensioenstelsel en zou er meer rekening met ze zijn gehouden: hun afwezigheid wreekt zich direct en financieel. Dat geldt ook voor flexwerkers.
Als we het hebben over deelname aan het maatschappelijk debat en het gebruikmaken van het recht tot demonstreren is de conclusie ook weinig bemoedigend. Er wordt veel geschreven en gesproken en actiegevoerd, maar het is vooral een klein en actief deel van de bevolking dat deelneemt. De overgrote meerderheid grijpt die mogelijkheden niet aan of komt niet verder dan wat reagurende schoten uit de heup, niet zelden gebaseerd op hele of halve onwaarheden of geruchten –  je fatsoenlijk informeren lijkt voor velen al een brug te ver. 
Als de gevraagde inspanning iets verder gaat dan wat woedende exhortaties vanachter het beeldscherm, geeft de burger niet thuis.  Laat ik het voorbeeld noemen van Occupy: uit onderzoek van Maurice de Hond bleek dat meer dan de helft  van de bevolking sympathie had voor die beweging. Op een stemgerechtigde bevolking van 12 miljoen is dat een potentieel aantal sympathisanten van meer dan 6 miljoen. Op de twee eerste demonstratieve tochten in de eerste twee weken waarin ik meeliep, waren respectievelijk rond de duizend en vijfhonderd mensen aanwezig. Dat is natuurlijk tamelijk erbarmelijk.

Ik kan niet anders dan tot de conclusie komen dat de burger allerlei mogelijkheden heeft om invloed uit te oefenen, maar er geen gebruik van maakt. Dat is op zichzelf nog niet zo heel erg – ware het niet dat diezelfde burger daar niet de consequenties uit trekt: wie zich weigert in te spannen om zijn wensen duidelijk te maken behalve die paar keer in vier jaar naar de stembus te gaan, moet niet verbaasd zijn als zijn stem buiten die paar loopjes naar de stembus niet wordt gehoord. Door zijn stem uit te brengen stelt men zeker een belangrijke democratische daad, maar ook een uiterst elementaire: het is een eenmalige stem op een programma met standpunten en intenties dat geen rekening houdt met de dynamiek van de volgende vier jaar. Democratie light.

Want het is een misvatting dat democratie alleen bestaat uit stemmen tijdens verkiezingen. Ook zelf de verantwoordelijkheid nemen om zich verkiesbaar te stellen of anderszins deel te nemen aan het partij leven – of om op zijn minst lid te worden – , zijn of haar zegje te doen binnen maatschappelijke organisaties of gebruik te maken van het recht zich te uiten of actie te voeren horen daarbij, en zijn een integraal onderdeel zonder welke een democratie niet kan functioneren. Dat gaat niet vanzelf. Dat kost inspanning.

Natuurlijk kan niet iedereen op ieder moment op deze manier zijn bijdrage leveren. Sommige mensen zijn er minder voor geschikt, niet iedereen heeft altijd de gelegenheid, sommige dingen liggen je meer dan andere en je moet ook beslist niet alles willen:  het staat iedereen vrij of, hoe, wanneer en waar hij bijdraagt. Maar vier jaar je bek houden is vooral een keuze die je zelf maakt. Wie meer wil dan dat, kan daar op ieder moment toe besluiten.

Geef een reactie

Laatste reacties (13)