471
6

Onderzoeker en promovendus

Aniki is afgestudeerd in International Development Studies aan de Universiteit van Utrecht in 2010, en momenteel werkzaan als promovendus aan the Chinese University of Hong Kong en doet onderzoek naar etnische minderheden en bosgebruik in Vietnam.

Vraagtekens bij Doha’s paradepaardje

Mensen die al het hardst getroffen worden door klimaatverandering zouden niet net zo hard moeten worden getroffen door klimaatveranderingsmaatregelen

Een vraag die de internationale gemeenschap bezighoud is: hoe kunnen we klimaatverandering tegengaan? We zijn er met z’n allen over uit dat we minder CO2 en andere broeikasgassen moeten uitstoten, maar hoe we dat precies doen, daar is werkelijk niemand het over eens.

Een mechanisme wat tijdens de wereldwijde klimaatonderhandelingen is geïntroduceerd is het zogeheten programma Reducing Emissions from Deforestation and Forest Degradation(REDD+). Dit houdt in dat ‘Eerste Wereld landen’, ontwikkelingslanden geld geven, via zogeheten carbon-credits, om de bossen in hun landen te behouden en beter te beschermen. Immers, bossen slaan koolstof op, en diverse studies tonen aan dat wereldwijde ontbossing  bijdraagt aan één vijfde de CO2 uitstoot op de wereld.

Goed idee zou men denken, arme landen krijgen geld en ze dragen bij aan het tegengaan van globale klimaatverandering. Hoewel we er zelfs in Doha nog niet uit zijn over hoe REDD+ er precies uit moet gaan zien, bijvoorbeeld hoe meten we carbon credits in bossen en wie gaat zich precies bezighouden met wat lijkt REDD+ de nieuwe visie van de wereld gemeenschap op natuur te bepalen – we moeten het vercommercialiseren, want anders gaan mensen het verwoesten.

Hoe we kijken naar natuur is erg cultureel bepaald. De film ‘Into the Wild’ is een goed concept van de westerse visie op natuur – het is wild, onaangetast, het is het tegenovergestelde van cultuur. Een ander concept wat onze visie op natuur heel erg bepaald is het neo-liberalisme. Het neo-liberalisme gaat er in principe vanuit dat de markt alles kan reguleren. Daarom moet alles vercommercialiseerd worden, we moeten op alles een prijskaartje zetten, anders is het immers niets waard. Lang hadden wij de natuur beschermd vanuit een ethisch oogpunt. We moeten de natuur beschermen, omdat de natuur belangrijk is – een cirkel redenering. Geheel in lijn met het neo-liberalisme heeft de internationale gemeenschap deze cirkelredenering doorbroken door te stellen, we moeten natuur beschermen omdat het geld waard is: REDD+.

Waar de wereldgemeenschap minder oog voor heeft zijn de 200-300 miljoen inheemse/lokale volkeren die natuur niet zo zien als dat geïndustrialiseerde samenlevingen dat doen, en voor een lange tijd hebben ze hun omgeving duurzaam beheerd. Veel grote natuurorganisaties, zoals het Wereld Natuurfonds, hebben een nogal simplistisch beeld neergezet van inheemse volkeren – zogeheten “stewards of nature”, mensen die zogenaamd één zijn met natuur, een ‘subspecies’ van het regenwood. Het punt is dat inheemse volkeren complexe systemen hebben opgericht die niet alleen ecologische functies vervullen, maar ook diepe connecties hebben met hun cultuur en spiritualiteit. REDD+ zou veel van dit systemen kunnen verwoesten als het inheemse volkeren niet voldoende betrekt bij het programma.

Hoe kan REDD+ inheemse volkeren op een negatieve manier beïnvloeden? Allereerst, veel inheemse volkeren doen aan zogeheten ‘slash-and-burn’ cultivatie. Ze verwijderen kleine stukjes bos, en planten daar hun gewassen. Wanneer de grond tijdelijk onbruikbaar is geworden, dan gaan ze door op een ander stuk land. Wanneer het eerste stukje natuurlijk geregenereerd is, beginnen ze weer op dat stukje, en zo gaat dat door.

Sommige studies geven zelfs aan dat deze vorm van agricultuur bijdraagt aan meer biodiversiteit en wanneer het duurzaam gebeurt, levert ‘slash-and-burn’  cultivatie meer voedsel op dan meer conventionele manieren van agricultuur.  REDD+ revalueert bomen en ziet ze als niets meer dan koolstofcontainers. Het moet er blijven, want anders komt er meer CO2 in ons atmosfeer. Daarom is er een kans dat heel veel gemeenschappen niet kunnen doorgaan met ‘slash-and-burn’ cultivatie, omdat dat hen verboden wordt door regeringen die anders hun inkomsten zien verliezen. Dit kan niet alleen een ernstig voedseltekort veroorzaken, maar ook een verlies aan inheemse kennis en gebruiken, wat vaak een essentieel onderdeel uitmaakt  van inheemse gemeenschappen. Als REDD+ niet inziet dat bossen meer zijn dan koolstofcontainers alleen, hebben straks miljoenen inheemse volkeren een groot probleem.

Een ander potentieel probleem van REDD+ is de privatisering van bossen. Immers als bedrijven inzien dat bossen geld waard zijn, kunnen ze corrupte regeringsbeambten omkopen om grote stukken bos te kopen en dan zo geld te ontvangen voor de carbon-credits in de bomen die zij beschermen. Inheemse volkeren die in dat gebied wonen kunnen er dan worden uitgeschopt, zeker in landen waar ze het niet zo nauw nemen met mensenrechten en bosbezit. Grote groepen mensen kunnen worden verdrukt uit hun traditionele leefomgeving, omdat de internationale gemeenschap zo nodig koolstof wil opslaan in hun gebied. CO2 sequestratie, de opslag van afgevangen CO2 in de ondergrond met als doel verdere verhoging van CO2-concentratie in de atmosfeer te voorkomen speelt daarbij een rol. REDD+ kan ook biodiversiteit beschadigen. Bossen met bijvoorbeeld een laag CO2 sequestratie kunnen plaatsmaken voor grote commerciële mono-bos-plantaties met een hoog CO2 sequestratie vermogen.

Nu REDD+ slechts in haar beginfase zit, is het belangrijk om stil te staan bij de vraag of de vercommercialisering van natuur werkelijk bijdraagt aan een zogeheten win-win situatie. In onze wereld zijn honderd miljoenen mensen afhankelijk van bossen, als zij niet aan leiding staan van het REDD+ programma, dan voorspel ik dat REDD+ een groot mislukt experiment zal worden. Mensen die al het hardst getroffen worden door klimaatverandering zouden niet net zo hard moeten worden getroffen door klimaatveranderingsmaatregelen.

Geef een reactie

Laatste reacties (6)