974
5

Columnist

Ik ben geboren op 10 mei 1966 in een kleine plaats ten noordwesten van de stad Kerman (Iran) in een gezin van 7 kinderen. Mijn jeugd heb ik doorgebracht in dat dorp. Op mijn achttiende verliet ik mijn dorp om in een grote stad (Shiraz), 800 km verder, te gaan studeren. Tijdens mijn studie (sociologie) kwam ik in verzet tegen de islamitische regering en dat resulteerde in mijn gevangenisschap voor een korte periode en vervolgens langdurige onderdrukking en achtervolging. In 1993 kwam ik naar Nederland. In Nederland studeerde ik af in Algemene Sociale Wetenschappen aan de universiteit van Utrecht. Tijdens mijn studie en daarna heb ik in verschillende functies (docente, rijinstructrice, onderzoekster en beleidsmedewerkster) gewerkt.
Ik ben politiek zeer betrokken en heb een weblog waarin sociaal-politieke onderwerpen aan de orde stel. Zie: http://ferdowskazemi.wordpress.com

Vriendschap in de hel

Over een bijzondere ontmoeting van twee vrouwen, die elkaar vonden in de hel van een Iraanse cel

Twee zware weken waren voorbij. Mijn ondervragers hadden gezegd dat ik een celgenoot zou krijgen. De dagelijkse ondervraging en hersenspoeling hadden die dag slechts tot 3 uur in de middag geduurd. Voorheen werd ik om 8 uur in de ochtend geblinddoekt opgehaald. Om 12 uur was er een korte pauze voor het gebed en de lunch. Daarna begon het weer.

Aan het eind van de middag lasten ze weer een pauze in voor gebed en maaltijd. Daarna gingen ze door tot 11 uur in de avond. Als ik terug kwam in de cel, was het erg donker. Elke avond om 10 uur gingen alle lichten van de cellen uit. Ik moest tasten naar mijn slaapplaats. De ondervragers werkten in ploegdiensten. De bad- en de good guys wisselden elkaar af. Beiden hadden de taak om alles uit me te zuigen. Die middag lag ik op een dun dekentje op de grond. Dat was mijn matras, en het lag al twee weken gespreid. De hele dag en avond zat ik geblinddoekt voor mijn ondervragers, buiten mijn cel. En als ik in de cel was, was het voor heel even, om te bidden. Een gespreid dekentje kon je bovendien sneller bereiken in de donkere cel.

Liggend op de grond dacht ik aan mijn ouders. De dag van mijn arrestatie was ik net teruggekomen van de nieuwjaarsvakantie bij hen. Ik zou hen die middag opbellen om te zeggen dat ik goed was aangekomen, maar daar kwam ik niet aan toe. Vlak voordat ik dat wilde doen, verschenen twee net geklede, bebaarde mannen. Ze toonden me een arrestatiebevel van de islamitische revolutionaire rechtbank. Daarin stond dat ik wegens mijn activiteiten tegen de islamitische revolutie onder arrest stond. En dat ik mee moest gaan met de dragers van dat bevel. Ik vroeg of ik eerst mijn ouders mocht bellen. Het bleek een erg naïeve vraag te zijn. 

Liggend op de grond hoorde ik stemmen achter de ijzeren deur van mijn cel. De deur ging met een gierend lawaai open. Daar stond ze. Een lange, geblinddoekte en in chador gehulde vrouw, met een lieve glimlach op haar gezicht. Ze deed direct haar blinddoek af en begroette mij met de warmte van iemand die me al jaren kende. Ik stond aarzelend op en begroette haar. Ik wist me geen houding te geven. Dat voelde ze aan. Ze deed een stap vooruit en omhelsde me. Wat had ik daar behoefte aan, een arm om me heen. We huilden. Ze wierp daarna een blik op de grond, wees naar het dekentje en zei: ‘Wedden dat dit sinds je arrestatie hier ligt?’ 
‘Ja, dat klopt. Ik zag geen reden om het op te ruimen’.
Ze pakte mijn dekentje, vouwde het op en legde het aan de kant op de grond. Daarna raapte ze alle islamitische boeken van de grond en legde die op de plank. Ik stond er met open mond naar te kijken. 
‘Je kijkt naar me alsof je een spook ziet’. 

‘Integendeel, ik zie een vrouw met veel levenslust en dat in de gevangenis van het islamitische regime’.  
‘Dit is mijn huis. Ik woon al 3,5 jaar binnen deze muren. Als ik dit niet zou doen, zou ik het niet kunnen overleven’. 

‘Hoe kan een gevangenis je huis worden?’ 

‘Je mag je verzetten tegen een systeem dat beslag wil leggen op je hersenen. Maar verzet je nooit tegen de objecten die ingezet worden om je te breken. Probeer in harmonie te komen met die objecten. Alleen dan kun je de strijd met je vijand winnen. Anders heb je gemakkelijk weggegeven wat ze bij jou weg willen nemen. Je wilskracht’. 

De daarop volgende dagen vertelde Camelia mij over 3,5 jaar gevangenschap. Hoe ze in het eerste half jaar probeerde in harmonie te komen met haar isolatiecel. Met de kabelslagen, die ze bijna dagelijks op haar rug en op haar voetzolen kreeg. Met de pijnen, die ze ’s nachts  moest doorstaan van haar wonden. Met de angst voor haar kameraden, van wie ze niets meer hoorde. Met de heimwee naar haar familie, en vooral naar haar kleine zus. 

Ze vertelde dat ze in die periode alles bewust waarnam. Al die objecten, begrippen en gevoelens kregen van haar een naam, bloemennamen. Het bed waarop ze vastgebonden werd, noemde ze Gladiolenveld. Het touw waarmee ze vastgebonden werd, noemde ze Iris. De kabel waarmee ze geslagen werd, noemde ze Hyacint. De wonden op haar voeten, noemde ze Anjers. De blinddoek die ze voortdurend moest dragen, noemde ze Magnolia. Haar angst, noemde ze Roos. Haar heimwee, noemde ze Klaproos. 

Ik verliet de gevangenis en Camelia bleef nog een half jaar gevangen zitten. Ik verliet Iran en Camelia bleef in Iran wonen. Ik verloor Camelia uit het oog, maar nooit uit mijn hart. Ze probeerde me te leren in harmonie te komen met het onaangename. Maar ik bleef me ertegen verzetten en het resultaat was mijn vertrek uit Iran. Ook Camelia wist wel dat ze nooit in harmonie kon komen met de gevangenismuren, met de zweepslagen, met haar wonden, met het bloed dat ze overgaf, met de blinddoeken, met de vernederingen en met nog veel meer. Regelmatig hoorde ik haar ’s nachts zachtjes huilen. Onze cel was erg klein. We lagen naast elkaar, op onze dekentjes. Als ze huilde strekte ik mijn arm naar haar uit, pakte ik haar hand en drukte erin. 
‘Je hoeft niet in harmonie te komen met wat niet thuis hoort bij een mens. Huil maar lieve Camelia’, was mijn boodschap.

Amnesty verzet zich tegen alles en iedereen wat mensen dwingt in harmonie te komen met perverse objecten, begrippen en gevoelens die gebruikt worden om de mens te breken en te beknotten. Perversiteit hoort geen bloemennaam te krijgen. Daar zouden de wereldleiders zich voor in moeten zetten. Mijn vertrouwen in de wereldleiders heb ik allang verloren. Daarom zet ik me in voor Amnesty. Daartoe voel ik me verplicht aan Camelia en aan alle anderen die naamloos gebroken en beknot worden.  

Bovenstaande column is een ingekorte versie van speech die Ferdows Kazemi zaterdag 6 april gaf op verzoek van Amnesty International Amsterdam en wordt opgedragen aan Camelia.

Laatste publicatie van Ferdows Kazemi

  • De ongewenste zoon

    2013


Geef een reactie

Laatste reacties (5)