690
106

Onderzoeker/docent pedagogiek

Stijn Sieckelinck (1980, Duffel) studeerde sociale en wijsgerige pedagogiek aan de Katholieke Universiteit Leuven. Hij is werkzaam als senior onderzoeker bij FORUM Instituut voor Multiculturele Vraagstukken en doceert theoretische pedagogiek in Amsterdam. Tevens is hij sinds 2012 verbonden aan de Nederlandse School voor Openbaar Bestuur, waar hij verantwoordelijk is voor het Leernetwerk en bijdraagt aan onderzoek in de Denktank. Sieckelinck promoveerde in 2009 aan de Vrije Universiteit Amsterdam op het proefschrift ‘Het beste van de jeugd, een wijsgerig-pedagogisch perspectief op jongeren en hun ideal(ism)en’ waarmee hij in 2010 de Martinus J. Langeveldprijs won. Een jaar later verscheen ‘Idealen op drift. Een pedagogische kijk op radicalisering’ (2010), samen met Marion van San en Micha de Winter. Dit onderzoek krijgt spoedig navolging en uitbreiding op Europese schaal. Hij houdt zich vooral bezig met politiek-pedagogische thema's zoals burgerschap, gezag, discipline, idealen en radicalisering.

Vrijheid om te geven

Als mensen nog niet of niet meer willen delen, dan helpt het om ze te leren geven

De vrijheid om te geven lijkt een fundamentele menselijke vrijheid die mensen zo weinig mogelijk mag worden ontnomen, stelt Stijn Sieckelinck.

Kijk ’s even, ik heb hier twee stukjes appeltaart, Bert. Heb je zin in appeltaart?
– O jongen, graag ja mmm.
Goed, neem jij dat stukje, Bert, en ik neem dit stuk hier.
– Sorry Ernie, maar je geeft mij een klein stuk!
Dat is waar, Bert. Ik dacht: ik geef jou het kleinste en hou het grootste zelf.
– Ernie, dat is niet erg beleefd.
Oh? En waarom niet, Bert?
– Nou, als ik twee stukken appeltaart had, dan gaf ik jou het grootste en hield het kleinste voor mezelf.
Oh, maar Bert..
– Ja?
Jij hébt het kleinste stuk, Bert.

‘Ieder zijn stuk van de taart’ is wellicht de kortste samenvatting van wat we onder solidariteit verstaan. De taart staat voor het zichtbaar maken van een geheel dat verdeeld dient te worden. Daar hoort een mes en een verdeelsleutel bij. Een taart zonder mes, daar gooi je mee in het gelaat van een politicus of een bankier, maar om ervan te kunnen genieten, hoor je haar te delen. Taart maakt solidariteit tastbaar.

Met een taart op tafel kan je aan de kleinste kinderen uitleggen dat vrijheid een relationeel begrip is dat voortdurende onderhandeling vereist. Wie het op een verjaardagspartij waagt om voortijdig de vinger in de zoete slagroom te dopen, zal niet ontkomen aan de sociale afkeuring van de andere kinderen. Zo bezien zou de vraag naar de teloorgang van de solidariteit dus rechtstreeks te herleiden zijn tot de vraag: waar hebben we in de opvoeding de vinger in de taart gedoogd?

De dialoog tussen Bert en Ernie laat echter zien dat er meer aan de hand is dan een gebrek aan sociale controle. Ernie heeft bedacht dat hij het grootste stuk van de taart verdient en handelt daar ook naar. Hij staat symbool voor de slimme, calculerende, consumerende burger die, omdat hij net iets gewiekster en brutaler is dan zijn medeburger Bert, telkens aan het langste eind weet te trekken.

Bert daarentegen is de brave, sociaal geïntegreerde burger die zijn beslissingen laat afhangen van gedeelde opvattingen over wat goed is en daardoor begint te verliezen. Of wat korter door de bocht: Ernie is de neoliberaal en Bert is de sociaaldemocraat. Het feit dat hij om de tuin wordt geleid door de Ernies van deze wereld, zag hij voorheen slechts als een storend bijproduct van de maatschappij die hij voorstaat (een sociale democratie waar ruimte is voor vrijheid), maar is ondertussen een ware bedreiging voor dit maatschappijmodel zelf gaan vormen.

Je zou zelfs kunnen zeggen dat Ernie Peter Sloterdijks visie belichaamt en Bert die van Axel Honneth. De filosoof Sloterdijk stelde in Die Revolution der gebenden Hand dat de staat civiel ressentiment bevordert doordat zij eigendom steelt van haar productieve, succesvolle burgers om aan de onproductieven uit te delen.

Honneth, vertegenwoordiger van de derde generatie Frankfurter Schule, stelde vrij klassiek-marxistisch dat:

1. het in dit semi-socialistische stelsel nog altijd vooral de arbeidende klasse is die bestolen wordt.
En 2. dat Sloterdijk om zijn nieuwe stelsel werkbaar te maken nog steeds een beroep zal moeten doen op de waarden van de sociaal-democratie die hij zo genadeloos afserveert.

Toch konden deze valabele kritiekpunten niet voorkomen dat het debat ten faveure van Sloterdijk uitdraaide (zelf een van de meest productieve denkers van deze tijd) en Honneth wellicht niet zonder ressentiment achterbleef als vertegenwoordiger van de ‘onrendabelen’, zoals Marcel van Dam de onderklasse noemt. Wat de vete hier zo relevant maakt, is dat zij ons dwingt om de emotionele dynamieken in het politieke domein te herinterpreteren: wat als mensen niet meer met elkaar willen delen?

Tussen vrijheid en gelijkheid
We moeten ons ultra-meritocratische begrip van vrijheid loslaten en ons egalitaristische begrip van algehele gelijkheid afwerpen.

De sociaal-democratie is sinds haar ontstaan getekend door de constante zoektocht naar een verdedigbare balans tussen vrijheid en gelijkheid. In wezen is wat we vandaag zien een herhaling op dit oude thema. Net zoals we ons ultra-meritocratische begrip van vrijheid moeten proberen los te laten, moeten we ook ons egalitaristische begrip van algehele gelijkheid afwerpen.

Een sterke sociale democratie stimuleert creativiteit evenveel als gelijkwaardigheid. Geef Bert en Ernie twee gelijke stukken taart en ze vinden heus wel een manier om elkaar te jennen. Om solidariteit heruit te vinden, moeten we het dan ook elders zoeken.

Geven
De Franse antropoloog Marcel Mauss schreef in 1923 De gift, over het belang van wederkerigheid en uitwisseling tussen mensen. Zijn voornaamste punt is dat relaties tussen mensen worden opgebouwd door de uitwisseling van objecten. Geven leidt tot een beter leven. En dat komt volgens Mauss doordat het zowel het eigenbelang als het collectief dient. Beter dan zelf te gaan uitdelen nodigt de juf in de klas de kinderen een voor een uit om een stuk af te snijden en het aan een ander kind te geven. Het nettoresultaat is meestal hetzelfde (iedereen krijgt een min of meer gelijk deel), maar de kinderen hebben de manier waarop ervaren als autonoom. Delen is gelijk aan geven. En als mensen nog niet of niet meer willen delen, dan helpt het om ze te leren geven. Dat is precies wat ook Bert dwarszit: niet dat hij met het kleinste stuk achterblijft, maar dat hij niet de mogelijkheid heeft gekregen van Ernie om zelf te geven. De vrijheid om te geven lijkt een fundamentele menselijke vrijheid die mensen zo weinig mogelijk mag worden ontnomen.
Blind rekenen op solidariteit is dus misplaatst, maar het is zeker zo misplaatst om op basis van dat inzicht elk geven te staken. De Bulgaarse ‘inpak’-kunstenaar Christo werd aanvankelijk zelden enthousiast ontvangen door de lokale bestuurders. Uiteindelijk wist hij hen telkens te overtuigen door zijn creaties aan te bieden als cadeaus aan de gemeenschap. Ondertussen staan overal ter wereld burgemeesters en presidenten in de rij voor een cadeautje. Solidariteit kan worden gebouwd op een dubbele pijler van sociaal fatsoen en individuele creativiteit. Als we erin slagen om deze twee waarden – die ook naar voor komen in de gift – mooi te verpakken, houden we geen abstract solidariteitsbegrip in crisis over, maar voeden we een prachtig ritueel dat onlosmakelijk verbonden is met onze individuele én sociale ‘condition humaine’.

Tolerantie
Toch zullen er altijd lieden zijn die ongezien de vinger in de taart weten te moffelen. Opdat die praktijk niet de kern van het ritueel aantast, hebben we wel degelijk nog behoefte aan die andere vermaledijde waarde, tolerantie (of nog beter: uithouding). Solidariteit verlangt van ons dat we medeburgers die afkeurenswaardige praktijken in stand houden zo lang mogelijk in ons midden verdragen. Het ritueel van de sociale gift maakt het mogelijk om zich daar een voorstelling van te maken. De gedachte erachter is bedrieglijk eenvoudig: van af en toe geven en verdragen wordt een mens beter dan van krijgen en verdienen alleen. En dan trekt Bert alsnog aan het langste eind.

Dit artikel is geschreven in opdracht van Literair Productiehuis Wintertuin. Pedagoog Stijn Sieckelinck is werkzaam als senior onderzoeker bij FORUM (Instituut voor multiculturele vraagstukken) en de Nederlandse School voor Openbaar Bestuur.

Dit essay is ook een inleiding tot de voorstelling De Concurrent van dans- en theaterproductiehuis Generale Oost en Wintertuin: een filosofische theatervoorstelling én een bijzondere uitgave met nieuw werk van o.a.: Stijn Sieckelink, Lard Adrian, Erik Jan Harmens, Henk van Straten, Rutger Lemm en Sytze Schalk.

De voorstelling staat van 29 okt t/m 2 nov in Theater a/d Rijn in Arnhem, en op 9 en 10 november in Theater Bellevue in Amsterdam. Op 1 en 9 november wordt de voorstelling vooraf gegaan aan een literair programma, waarbij het publiek kan discussiëren met de schrijvers van de essays en verhalen.

Geef een reactie

Laatste reacties (106)