1.239
7

sociaal-antropoloog

Toine van Teeffelen woont sinds 1995 in Bethlehem in de bezette Palestijnse Gebieden, samen met zijn Palestijnse vrouw Mary en hun kinderen. Hij is daar werkzaam als projectontwikkelaar in het onderwijs en is momenteel (in 2011) directeur ontwikkeling van het Arab Educational Institute-Open Windows, dat gelieerd is aan Pax Christi. Hij studeerde sociologie in Rotterdam (1973) en sociale antropologie in Amsterdam (1976) en promoveerde op een onderzoek naar de portrettering van het Midden-Oosten in Engelstalige bestseller-romans. Toen hij zich in 1995 vestigde op de Westelijke Jordaanoever als gastdocent aan de Universiteit van Bir Zeit. In het door hem gepubliceerde Dagboek Betlehem 2000-2004, maakte hij op persoonlijke wijze zichtbaar wat het betekent te leven in een frontlinie. Het dagelijkse bestaan en de realiteit van de wereldpolitiek zijn in het inmiddels geïsoleerde, ommuurde Betlehem onontkoombaar verweven. Het nieuwste boek van Toine van Teeffelen verschijnt eind november bij
Narratio (Gorinchem): "Liefde, woede en waardigheid: Leven als gezin op de
bezette Westelijke Jordaanoever."
Hij is verder ook gids voor Nederlandse en Vlaamse groepen.

Vrolijk op weg naar een feestje in Jeruzalem, tot aan het checkpoint

Er hangt spanning in de lucht. Op de tweede verdieping van de checkpointhal bekijken andere soldaten wat er beneden gebeurt, soms in gesprek met de soldaten in de cabines.

cc-foto: Thom

We staan ​​met goed humeur in formele kleding gekleed in de grote hal van checkpoint 300, tussen Bethlehem en Jeruzalem. We zijn uitgenodigd voor een avondfestiviteit. Vanwege de aankondiging van versoepelde coronaregels in Israël krijgt Mary een kans om net op tijd door de COVID blokkade heen te gaan. Mary’s collega had vanochtend op een openbare Facebook-pagina van het Israëlische leger/afdeling burgerlijk bestuur gezien dat Mary zowaar een vergunning had gekregen. Tot oktober, wow. Een faciliterende factor was, zo hoort Mary van meevoelende interpreteerders, dat ze boven de zestig is. Vrouwen boven die leeftijd worden blijkbaar als minder bedreigend ervaren. Ongeveer een jaar geleden was de minder-bedreigende leeftijdsgrens voor vrouwen op vijftig gesteld.

Zelf heb ik als buitenlander geen probleem. Een vriendelijke, ogenschijnlijk westers-Asjkenazische soldaat bladert door mijn visa van de afgelopen jaren en laat me passeren. Maar Mary’s magnetische kaart licht in het apparaat niet op, ook niet na een paar herhalingen. De vriendelijke soldaat is nieuw en conformeert zich aan wat een strenge soldaat in het tegenoverliggende hokje roept: als de magnetische kaart niet oplicht, is het absoluut niet toegestaan om te passeren.

De strenge soldaat is een Ethiopische jood. Stereotypen komen meteen bij me op. Wil deze strenge soldaat het gebrek aan sociale positie van Ethiopische joden in Israël compenseren door met overdreven mannelijk gedrag te laten zien dat hij de controlepostregels toepast, vooral in het bijzijn van een Asjkenazisch-westerse soldaat? Natuurlijk gaat het wel ten koste van de Palestijnen.

Mary en ik staan ​​aan weerszijden van de controlepost. De strenge soldaat zegt dat Mary naar Etzion moet gaan – het hoofdkantoor van de Israëlische burgerlijke administratie waar Palestijnen magnetische kaarten of vergunningen enz. krijgen; of naar de DCO in Bethlehem – een plaatselijk verbindingsbureau. Mary zegt dat het uren gaat duren om dit te doen en hoe dan ook, die kantoren zijn op dit uur gesloten. Ze belt de uitnodigende organisatie. Het duurt even voordat men daar doorheeft dat Mary bij checkpoint 300 tussen Bethlehem en Jeruzalem staat. Ze moet het nummer van het checkpoint een paar maal door de mobiel roepen, steeds luider.

De vriendelijke soldaat is bereid de telefoon op te nemen van de uitnodigende organisatie, maar de strenge soldaat houdt hem tegen. Hij herhaalt dat Mary geen vergunning heeft. We wachten nu meer dan een half uur.

Dan wordt de strenge soldaat ineens zenuwachtig. Ik moet terug naar de Bethlehemse kant van het checkpoint. Na een paar minuten roept hij ons toe dat we moeten vertrekken. We trekken ons een paar meter terug. Er hangt spanning in de lucht. Op de tweede verdieping van de checkpointhal bekijken andere soldaten wat er beneden gebeurt, soms in gesprek met de soldaten in de cabines.

Dan een nieuwe ontwikkeling. Een Palestijnse schoonmaker werpt zich op als bemiddelaar. Hij vertaalt de bevelen van de Hebreeuws sprekende strikte soldaat in het Arabisch en fluistert naar ons, met een brede glimlach om de sfeer te kalmeren, dat we beter weg kunnen gaan, want we zullen een boete van 1000 shekel moeten betalen als we dat niet doen.

Ondertussen doet de uitnodigende organisatie haar best en brengt ons in contact met wat men hier een wasta noemt, iemand die het verschil kan maken. Mary sms’t het nieuwe contact dat ze niet van plan is het checkpoint te verlaten, nooit. “Ik ben bereid om te vechten.” Ze trilt met haar vinger bij het tikken op de mobiel, uit woede en vermoeidheid. Ze zou me later thuis vertellen dat ze op geen enkel moment wilde opgeven.

Na een tijd sms’t het contact naar Mary: “Ik werk eraan.” We wachten dan al bijna 2 uur.

Dan komt er nog een soldaat, een vrouw, duidelijk westers-Asjkenazisch. Het kan haar niet schelen wat de strenge soldaat zegt. Ze pakt de telefoon om met de contactpersoon te spreken. Ze stelt snel een aantal vragen. Blijkbaar tevreden gesteld laat ze ons zonder veel omhaal door. De strenge soldaat in het andere hokje is duidelijk heel erg boos.

Waren we getuige van een micro-sociaal drama, met Ethiopisch-Westerse/Asjkenazische en genderelementen? Misschien hebben de soldaten ook verschillende politieke opvattingen? Het is op dit moment niet onze eerste zorg.

We zijn blij dat we kunnen passeren. Maria zegt: “Wat een vernedering.” Zoals ze in zulke situaties altijd pleegt te zeggen: het is triest om je op zo’n manier happy te voelen. De taxichauffeur aan de overkant, die ook moest wachten, vertelt dat we echt een ander checkpoint hadden moeten kiezen. Maar hij was het die ons adviseerde om door dit checkpoint te gaan!

Sommige Palestijnen vertellen ons dat het een algemeen verschijnsel is om een ​​vergunning te hebben en uiteindelijk toch geen vergunning te hebben. Mary zegt dat zelfs de Palestijnen in Bethlehem niet op de hoogte zijn van wat hier in deze hallen, waar nooit een vogel zingt, gebeurt.

Later laat ze me op Facebook zien hoe een jongen van een jaar of tien door soldaten wordt opgepakt en achter in een jeep gezet. Voor de jeep staan ​​zijn duidelijk jongere zusjes. Een van hen roept, smeekt de soldaten: “Hij zal nooit meer stenen gooien, laat hem alsjeblieft gaan!” Vernedering, inderdaad, en nog wat meer.

Geef een reactie

Laatste reacties (7)