1.736
65

directeur Rotterdamse Schouwburg

VVD vervreemdt van achterban

De VVD ziet over het hoofd dat het merendeel van de kiezers grootgebruiker is van de culturele voorzieningen in Nederland

In de NRC van 27 augustus schrijft hoogleraar culturele economie Arjo Klamer over de kwetsbaarheid van het subsidiebestel voor cultuur. De kern van zijn betoog komt er op neer dat de zinnige argumenten van de pleitbezorgers voor subsidies voor kunst en cultuur niet meer bestand lijken te zijn tegen de ‘opstand van de gewone man’. Tijdens het debat afgelopen zondag in Paradiso over hetzelfde onderwerp bleek dat de gewone man vooral werd vertegenwoordigd door de VVD.

Vertegenwoordigers van de grootste politieke partijen (alleen de PVV gaf geen gehoor aan de uitnodiging om mee te praten over de zin van investeren in kunst en cultuur) bepleitten alle in meer of mindere mate dat investeren in cultuur belangrijk is. Zij werden daarin bevestigd door gastsprekers van buiten de culturele sector die ieder voor zich harde feiten en zinnige argumenten inbrachten die pleitten voor het in stand houden of zelfs versterken cultuursubsidies.

Zo toonde Bastiaan Vinkenburg van Bureau Berenschot aan dat de gesubsidieerde kunst en cultuursector goed is voor 5 miljard omzet (voor alle cijfers kijk hier) en dat er 7 miljoen actieve kunstbeoefenaars zijn in ons land. SER-voorzitter Alexander Rinnooy Kan bepleitte om juist in tijden van crisis te investeren in kennis en creativiteit.  Planoloog Zef Hemel citeerde onderzoek waaruit blijkt dat cultuur de belangrijkste factor is waarmee metropolen zich onderscheiden voor bedrijven, bewoners en toeristen en dat met name de Randstad dat móet doen om te kunnen concurreren met Londen, Parijs en het Ruhrgebied. De directeur van het Nederlands Bureau van Toerisme gaf harde cijfers over het belang en rendement van cultuur voor een kapitaalkrachtig en groeiend segment toeristen (31% van de toeristen bezoekt een museum).

De enige die niet leek te luisteren naar de harde vooral economische feiten was VVD-cultuurwoordvoerder Mark Harbers die volhield dat een bezuiniging van 200 miljoen op de kunsten noodzakelijk was, ook al stond dit bedrag en percentage (20% van het rijksbudget) niet in verhouding tot de bezuinigingsopgave van 18 miljard (8% van de rijksuitgaven) die de VVD in het verkiezingsprogramma stelde.

Waarom zou dat toch zijn? Arjo Klamer gaf het al aan: de opstand van de kleine man. Plotseling blijkt de VVD, van oudsher een partij die de waarde en het effect van overheidsinvesteringen in kunst inzag en verdedigde, pleitbezorger voor een buitenproportionele korting op kunstsubsidies omdat de ooit zo eigenzinnige liberalen de gunst van de verongelijkte, ontevreden kiezer niet wil verliezen. Wat de VVD echter over het hoofd ziet is dat het merendeel van de kiezers grootgebruiker is van de culturele voorzieningen in Nederland. ‘Ik betaal me blauw. Daar wil ik op straat iets van terugzien’ was een VVD slogan tijdens de laatste verkiezingen. Een bezoeker van de Rotterdamse Schouwburg, een trouw VVD lid en dito cultuurconsument en –ondersteuner, parafraseerde deze slogan onlangs als volgt: ‘Ik betaal me scheel. Daar wil ik iets van terugzien in het theater en het museum.’ En zo is het.

Er zijn heel erg veel Nederlanders (er gaan jaarlijks 15 miljoen mensen naar een voorstelling, dat is meer dan naar voetbalwedstrijden) die juist in of bij een stad zijn gaan wonen omdat er cultuur is, die vooral belasting betalen en er, afgezien van files, weinig van terug zien. Juist die mensen voelen zich erkend en herkend als burger van dit land als er popconcerten, voorstellingen, tentoonstellingen zijn van wereldniveau die voor hen en minder draagkrachtigen toegankelijk zijn. En dan hebben we het nog niet eens gehad over de waarde van kunst voor identiteit en integratie, voor de creatieve- en kenniseconomie, en vooral over het vermogen van kunst om te troosten en ons te raken daar waar woorden tekort schieten.  

Geef een reactie

Laatste reacties (65)