1.373
37

Literatuurwetenschapper, onderzoeker

August Hans den Boef is literatuurwetenschapper en onderzoeker. Hij werkte tot 2011 aan de Hogeschool van Amsterdam. Hij is schrijver van onder andere Nederland seculier!, 'God als hype' en [Haat] als deugd.

Waar blijven Neil Young & Friends?

Vijftig jaar na Watts nog steeds politiegeweld in L.A.

De laatste helft van de jaren zestig was, met name in de Verenigde Staten, een periode vol politieke protesten. Tegen de Vietnamoorlog vooral. Minder aandacht trokken de Amerikaanse protesten tegen discriminatie, ongelijkheid en politiegeweld in het eigen land. Discriminatie en armoede, daaraan had volgens ons Lyndon Johnson toch een eind gemaakt met zijn burgerrechtenwetten en ‘Great Society’? Zelfs de moorden op Martin Luther King en Robert Kennedy werden hier gezien in de sfeer van hun oppositie tegen de Vietnampolitiek.

Het brute Amerikaanse politieoptreden werd weliswaar ook in ons land veroordeeld, maar dan als onderdeel van het antagonisme tussen een conservatieve overheid en progressieve demonstranten. Studenten vaak en in ieder geval jongeren. Hierdoor ook beschouwde men de protesten als onderdeel van de subcultuur die grensverleggende popmuziek, de Summer of Love van 1967 en het festival Woodstock van 1969 had opgeleverd. De cultuur van de hippies, met hun idealen van peace, love & happiness.

Achteraf bekeken vormt juist het politiegeweld zelf één van de belangrijkste, structurele oorzaken van ordeverstoringen in de jaren zestig. Vijftig jaar geleden, van 11 tot en met 17 augustus 1965, vonden in Los Angeles de Watts Riots, ook wel Watts Rebellions, plaats. Uiting van onvrede van Afro-Amerikanen en Hispanics over de hevige discriminatie waaraan ze al decennia bloot stonden. In allerlei vormen. Buitensluiting op de arbeids- en woningmarkt. Sociale ongelijkheid. Draconische straffen op basis van hun etnische achtergrond. Waardoor de gevangenissen vol zaten met Afro-Amerikanen en Hispanics.

Directe aanleiding voor de riots was het optreden van de blanke politie. De eenentwintigjarige Marquette Frye, met zijn broer onderweg naar hun moeder, werd door een motoragent aan de kant gezet onder verdenking – meer niet – van rijden onder invloed. De agent liet direct beslag leggen op de auto en toen de broer snel zijn moeder erbij haalde, trok de agent zijn pistool. Frye werd in de boeien geslagen en toen omstanders zich met de zaak gingen bemoeien, werd het drietal naar het politiebureau afgevoerd. Toen sloeg de vlam in de pan. Het uiteindelijke resultaat: 34 doden, 1032 gewonden en 3438 arrestanten. Er werd geplunderd, gebouwen werden beschadigd of verwoest. De totale schade bedroeg uiteindelijk 40 miljoen dollar.

Voor veel historici geldt Watts als een kantelpunt in het sociale protest. Rick Perlstein begint er zijn Nixonland (2008) mee – ‘Hell in the City of Angels‘ – en Errol Wayne Stevens sluit Radical L.A. From Coxey’s Army to the Watts Riots, 1894-1965  (2009) er mee af. Overigens waren er eerder in 1965 protestmarsen Alabama geweest (waaraan onlangs de film Selma gewijd was). Ook daar was politiegeweld, waardoor een vreedzame demonstrant overleed, de aanleiding.

Echter, het racisme van de politie was een exponent van iets breders. Vrijwel iedere burger die zich destijds afwijkend gedroeg en daardoor al per definitie de openbare orde bedreigde, kon slachtoffer worden van politiegeweld. In Californië net zo goed als in de rest van het land. Een jonge zwarte man in Watts behoorde in 1965 al bij voorbaat tot deze afwijkende doelgroep. Maar hippies, yippies, ‘bums’ en ‘freaks’ moesten het toen evenzeer ontgelden.

Toen de Frank Zappa, inwoner van L.A., in 1965 op tv naar het live nieuws over Watts keek, raakte hij zo verontwaardigd dat hij ‘The Watts Riot Song’ schreef, die in 1966 als ‘Trouble Coming Every Day’ op de eerste plaat van zijn Mothers of Invention verscheen: Freak Out!  ‘I’m not black/ But there’s a whole lots a times/I wish I could say I’m not white.’ Waarbij Zappa onder andere wijst op het probleem dat niemand zwarten of Hispanics in dienst wil nemen en dat voor hen de ‘Great Society’ niet bestaat, evenmin als voor de ‘hungry freaks’ uit zijn omgeving. In andere songs valt hij de politie aan, die zelfs de gedachten controleren, zoals de ‘thought police’ in Orwells 1984. Spirit, een andere groep uit L.A., vernoemde zelfs een song naar de roman: ‘1984
knockin’ on your door (…) Those classic plastic coppers/ they are your special friends/
They see you every night.’ 

Waren The Mothers en Spirit paranoïde? In Nederland meende men vaak dat hippies door de wolken van het blowen paranoïde waren geworden en overal complotten ontdekten.

Nog eind vorig jaar werd de film Inherent Vice (Eigen gebrek), die eind jarig zestig speelt, beschouwd als een realistische beschrijving van een groep hippies die door het blowen de kluts waren kwijtgeraakt en overal complotten ontdekten. Zo werd ook in 2009 de gelijknamige roman van Thomas Pynchon ontvangen waarop de film is gebaseerd. Inherent Vice gaat inderdaad niet over peace & love, maar over afwijkende types die door de aanhoudende bemoeienis van de politie en andere overheidsinstellingen de kluts zijn kwijtgeraakt.

Een heel jonge Thomas Pynchon wijdde in 1966 in het New York Times Magazine een lang en zeer betrokken reportage aan Watts. Hij begint die met een jonge zwarte, die in mei 1966 door politiegeweld werd omgebracht. Pynchons conclusie: na een jaar is niets verbeterd.

Een jaar later bezong Zappa de CIA, die in zijn buurt rondsloop en de ‘Nazi’s’ die zijn stad bestuurden. Hij zag zelfs concentratiekampen en duizenden ‘creeps’ die door de politie werden afgeknald. Zijn overdrijving leidde tot een lang instrumentaal nummer, ‘The Crome Plated Megaphone of Destiny’, dat hij baseerde op Franz Kafka’s verhaal ’In der Strafkolonie’, waarop een machine de misdaad op de rug van de verdachte schrijft. Als doodstraf. Het was 1967 en in de hoestekst verwees Zappa naar de nieuwe gouverneur van Californië, de voormalige acteur Ronald Reagan.

Als gezegd, ook andere musici uit L.A. stelden het justitiële optreden aan de kaak, met name het justitiële machtsmisbruik en de zware gevangenisstraffen op marihuanabezit. De langharige hippiemusicus Arlo Guthrie – zoon van – vertelt in ‘Alice’s Restaurant Massacree’ hoe hij en zijn vriendin in een Californisch gehucht hun vuilnis verkeerd hadden afgevoerd. Zij werden van hun bed gelicht, in de boeien geslagen en naar het bureau afgevoerd. Alle politieagenten en wagens uit de wijde omtrek waren aanwezig en alle beschikbare forensische technieken werden gebruikt. Foto’s van wegen rond de ‘plaats delict’, vanuit alle hoeken en zelfs vanuit de lucht.

Naar de zware straffen voor marihuanabezit verwijst Jim Morrison van The Doors in 1966:
‘Send my credentials to the House of Detention/ I got some friends inside’. Angstiger is de groep Love: ‘They’re locking them up today/ 
They’re throwing away the key/ 
I wonder who it’ll be tomorrow, you or me?’ Qua angst spant The Fraternity of Man wel de kroon. Maar liefst drie nummers van hun eerste plaat wijdden ze aan het politiegeweld. ‘I have seen the blind policeman banging on my door’ luidt het in een song. De twee andere zijn vanuit het perspectief van de agenten geschreven. ‘Field Day’ gaat over een demonstratiemars waarop ze zich verheugen. Lekker de demonstranten uitschelden voor ‘White Nigger!’ en ze tegen het hoofd schoppen: ‘and if you’re pregnant I’ll kick you, cause a pregnant woman counts as two.’ Dit alles begeleid door het geschreeuw van mensen die in elkaar worden geslagen. ‘Just Doing Our Job’ vat de essentie daarvan samen: ‘Kickin’ the door in, kickin’ you in.’ Aan het slot horen we Hitler brallen onder een marsritme, voor het onvermijdelijke ‘Sieg Heil!’. Godwin bestond nog niet.

Na Watts klaagden de groepen uit L.A. vooral over het repressieve optreden in het alternatieve uitgaansgebied rond de Sunset Strip. In hun sociolect heet de politie meestal ‘the Heat’ en een agent ‘the Man’.

‘What a field-day for the heat (…) You step out of line, the man come and take you away’ zong Buffalo Springfield eind 1966. De even brave Mama’s & Papa’s in het ironische ‘Safe in my Garden”: ‘When you go out in the street/  many hassles with the heat (…) Cops out with the megaphones/Telling people stay inside their home/ Man, can’t they see the world’s on fire?/ Somebody take us away.’

Veilige plaats

Dat verlangen naar een veilige plaats was destijds een topos in L.A. ‘Is there really no place where you and I can go?/ Where they won’t tap the phone’ vat The Fraternity of Man kort samen. ‘Sanctuary from the Law’ wilde Earth Opera en ‘The Soft Parade’ van The Doors begint met: ‘Can you give me sanctuary/ I must find a place to hide/ Can you find me soft asylum/ I can’t make it anymore/ The Man is at the door’.
In dit repressieve politieklimaat hadden Zappa en de Mothers een entourage die door de pers ten onrechte als hippies werd betiteld en zichzelf adequater als ‘freaks’ omschreef. Die werd steeds vaker door de politie opgepakt, net als leden van de band, zodat de Mothers uiteindelijk gedwongen werden om een aanbod uit New York te accepteren om daar een half jaar te wonen en op te treden. Veilig? De legendarische dichtersgroep The Fugs, die Zappa daar leerde kennen, werd zowel lastig gevallen door de lokale politie, de postale recherche, als de FBI.

Eind augustus 1968 hielden de Amerikaanse democraten een nationale conventie in Chicago om (onder andere) hun presidentskandidaat aan te wijzen. Een gelegenheid bij uitstek om tegen de Vietnamoorlog te demonstreren. De corrupte burgemeester Richard Daley, een democraat, liet zijn politie helemaal losgaan. Dit geweld leidde tot een hausse aan reacties in geëngageerde popmuziek. Het bekendst zijn die van The Fugs, de Brit (!) Graham Nash, – beiden met een ‘Chicago’ – Spirit en The Doors. Jim Morrison maakte er een apocalyptisch visioen van: ‘There’s blood in the streets, it’s up to my ankles/ Blood in the streets, it’s up to my knee/ Blood in the streets in the town of Chicago’.  

Overigens merkwaardig dat Randy Newman, eveneens woonachtig in L.A., in dit rijtje ontbreekt. Misschien omdat zijn aanpak te ironisch en solipsistisch is voor een direct protest? Zoals The Byrds – L.A. – te escapistisch en nostalgisch waren? Ze verwijzen een enkele keer naar Vietnam en heel misschien naar politiegeweld in ‘Psychodrama City’, een song van David Crosby: ‘Before the night is over I saw six murders, two riots and a war’.

In de roadmovie Easy Rider (opgenomen in 1968) rijden de (juridisch gezien, criminele) hippies Wyatt en Billy – gespeeld door Peter Fonda en Dennis Hopper en geïnspireerd op Roger McGuin en David Crosby van The Byrds – op hun choppers van L.A. naar de oostkant van de VS. Inderdaad worden zij op het platteland lastiggevallen door de lokale politie, maar aan het slot werden zij in Florida neergeknald door rednecks.

Op het Woodstock Festival in 1969 sloegen Crosby, Stills, Nash & Young ‘Chicago’ over. Collega’s keerden het engagement de rug toe.

Een laatste opleving kende 1970, naar aanleiding van de studenten die in Kent en Jackson werden doodgeschoten. Maar dat lijkt weer sterk op de reactie van Nina Simone in 1964 na de moord op burgerrechtenactivist Medgar Wiley Evers en een bomaanslag op een kerk in Alabama, waar vier kinderen om het leven kwamen: ‘Mississippi Goddam’. Protesteren op afstand, niet tegen dingen die in je directe omgeving gebeuren.

In de decennia na Watts kwamen popmusici wel eens samen tegen de neutronenbom, het apartheidsregime in Zuid-Afrika, het moordenaarsregime in Cambodja of de honger in Afrika.

Maar bij de herdenkingen dit jaar in Watts ontbraken de oude (nog levende) popmusici uit L.A. Hun rol lijkt geheel te zijn overgenomen door een jongere generatie zwarte artiesten, van wie de Wu-Tang Clan, John Legend, Lauryn Hill, Alicia Keys, J. Cole en Kendrik Lamarr de bekendste zijn. Want de politie vertoont nog steeds racistische trekken. De basis van dit gedrag is niet alleen structurele discriminatie, maar vooral een onuitroeibare corpsgeest en een zorgvuldig gecultiveerde afstand tot het publiek.

Denk eens aan de sympathieke sergeant van dienst in de politieserie Hill Street Blues, populair in de jaren tachtig, die zijn roll call steevast afsloot met ‘Let’s be careful out there’. Dat had iets gezelligs. Maar ‘out there’, dat zijn wij!


Laatste publicatie van August Hans den Boef

  • Onbegonnen werk

    De ontvangst van het oeuvre van F. Harmsen van Beek, een casestudy (met Joost Kircz)

    2015


Geef een reactie

Laatste reacties (37)