3.867
104

Promovendus/schrijver

Dennis Schep (1985) woont sinds 2007 in Berlijn, waar hij als promovendus onderzoek doet naar autobiografische structuren. In 2005 richtte hij het theaterfestival Morgensterren op, en in 2006 publiceerde hij het literaire tijdschrift Paperwaste. Hij is de auteur van meerdere wetenschappelijke artikelen en het boek "Drugs; Rhetoric of Fantasy, Addiction to Truth." Daarnaast organiseert hij cursussen bij The Public School Berlin.

Waarom ik op 22 mei niet naar de stembus ga

Ik weet dat mijn stem nauwelijks waarde heeft: Europa stemt voor een parlement, maar de macht ligt ergens anders

Wellicht wist u het al, maar op 22 mei vinden de Europese Parlementsverkiezingen plaats. Al zou het goed kunnen dat u dat helemaal niet wist, want de verkiezingskoorts lijkt tot op heden ver te zoeken. De houding van de doorsnee kiezer zweeft tussen desinteresse en wantrouwen; een wantrouwen dat niet geheel ongegrond is met het oog op de laatste Europese regeringstermijn, waarin een enorme verplaatsing van rijkdom heeft plaatsgevonden – van Noord naar Zuid, maar bovenal van mensen naar banken. De burger is boos, Europa is in de verdediging, en pro-Europese politici herhalen tot vervelens toe het bekende mantra: Nederland is een exportland, en Europe is good for business.

Maar de vraag blijft: waarom dit gebrek aan enthousiasme voor het Europees project? Waarom wordt de opkomst bij de Europese verkiezingen steeds lager (waarbij de opkomst van de Nederlanders overigens consistent onder het gemiddelde ligt)? Waarom is zelfs het debat over Europa in de eerste plaats een nationale aangelegenheid? Waarom lijkt de Europese politiek zo merkwaardig gespeend van politiek?

Een schijnbaar banale vraag biedt inzicht in dit complex van problemen: Wat is Europa eigenlijk? Allereerst is Europa geen politieke maar een geografische eenheid, “een kleine kaap aan de rand van het Aziatisch continent” (Valéry). Sinds de Tweede Wereldoorlog wordt ernaar gestreefd ook een economisch-politieke eenheid te construeren: de formatie van de Europese Commissie en de Europese Economische Gemeenschap in de jaren ’50 maken deel uit van een proces waarin Europa tracht haar interne pluraliteit in een min of meer uniform economisch beleid te voegen. Maar Europa blijft een hydra tegen wil en dank – een veelkoppig monster dat probeert zich middels een web van bestuurlijke organen om te vormen tot een wezen met één stem en één gezicht.

Om te begrijpen wat deze precaire eenheid precies uitmaakt is het belangrijk stil te staan bij de institutionele geschiedenis van Europa. Het primaire doel van de Europese Unie was economische integratie: vanaf het begin ging het erom één Europese markt te creëren. Een eerste aanzet hiertoe werd gegeven met de oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal in 1951, bedoeld om Europa bij de wederopbouw van kolen en staal te voorzien. Deze economische samenwerking zou uiteindelijk leiden tot de eurozone en de ECB.

Naast deze economische laag is er de rechterlijke macht – belichaamd door het Hof van Justitie (ECJ) – en een groeiende verzameling agentschappen die zich bezig houden met werkveiligheid, voedsel, milieu, en praktisch elk gebied waar iets te onderzoeken, te reguleren of te adviseren valt. Kortom, buiten het Europees Parlement en de Europese Raad om bestaat er een institutionele drie-eenheid van justitie, bank en bureaucratie. Deze drie segmenten bestaan niet uit politieke instituties, maar uit regelgevende, stabiliserende en toezichthoudende autoriteiten die het domein der politieke besluitvorming begrenzen. Ze hebben een specifiek mandaat, en hun legitimiteit is in de eerste plaats gebaseerd op de expertise die ze in staat stelt dit mandaat uit te voeren.

Het Europees Parlement, dat pas sinds 1979 rechtstreeks verkozen wordt, zou een democratische controle over deze bestuurslaag uit moeten oefenen, maar de Europese expertcultuur onttrekt zich grotendeels aan het politieke proces. Europese economen en bureaucraten nemen hun beslissingen op de basis van expertise en onderzoek, niet op de basis van politieke overwegingen. Het is geen toeval dat 80% van de Europese rechters een PhD heeft, en dat het onderzoekscentrum van de ECB de zesde economische faculteit van Europa is: de instituties waar de werkelijke macht van Europa ligt maken aanspraak op een vorm van objectiviteit die politieke splijtpunten presenteert als problemen met een oplossing. Een beleid van experts is een beleid waarover de leek niets te zeggen heeft.

Op nationaal niveau is onze democratie verankerd in parlementaire vertegenwoordiging, en de poging Europa te democratiseren is op dezelfde leest geschoeid. Maar de rol die het Europees Parlement heeft in het hierboven geschetste netwerk is anders dan de rol van een nationaal parlement, en de structuren van de staat kunnen niet simpelweg naar Europees niveau worden getild. De Europese Commissie is geen kabinet, en het Europees Parlement geen Tweede Kamer. In de eerste plaats is het Europees Parlement voornamelijk consultatief van aard; parlementaire besluiten zijn zelden bindend. Daarbij heeft het anders dan nationale parlementen niet de capaciteit om wetgeving voor te stellen. En bovendien is het parlement dermate ingekapseld door de institutionele drie-eenheid van recht, bank en bureaucratie dat parlementarisering slechts een schijn van democratische legitimiteit kan geven aan een institutioneel raamwerk dat het volk in werkelijkheid nauwelijks verantwoording verschuldigd is.

In deze schaduwwereld vinden we een institutioneel-historische verklaring voor het veelbesproken democratisch tekort van Europa – een verklaring die verder reikt dan de incidentele corruptie, hypocrisie en minachting voor het democratisch proces onder Europese politici. Wellicht heeft de tanende Europese interesse voor Europese politiek minder te maken met de terugkeer van nationalisme dan met een groeiend bewustzijn van het feitelijke gebrek aan parlementaire macht, en het evenredige gebrek aan democratische controle over de instituties van de Europese Unie.

Waarom ik niet stem op 22 mei? Niet uit protest, niet als boycot; ik ben niet tegen Europa of tegen de steun voor Griekenland (al zou ik liever zien dat die steun voortkwam uit solidariteit). Ook ben ik niet bang voor het verlies van nationale soevereiniteit waar de populistische partijen ons op wijzen. Maar ik ben wel tegen dít Europa – een technocratisch Europa waarin de wil van het volk als een bedreiging wordt gezien, en waarin parlementaire verkiezingen niets meer zijn dan een poging een minimale democratische legitimiteit te injecteren in een geheel waarin besluitvorming en verantwoording op onnavolgbare wijze zijn gedelegeerd. Ik stem niet op 22 mei omdat ik weet dat mijn stem nauwelijks waarde heeft: Europa stemt voor een parlement, maar de macht ligt ergens anders.

Geef een reactie

Laatste reacties (104)