942
29

Promovendus/schrijver

Dennis Schep (1985) woont sinds 2007 in Berlijn, waar hij als promovendus onderzoek doet naar autobiografische structuren. In 2005 richtte hij het theaterfestival Morgensterren op, en in 2006 publiceerde hij het literaire tijdschrift Paperwaste. Hij is de auteur van meerdere wetenschappelijke artikelen en het boek "Drugs; Rhetoric of Fantasy, Addiction to Truth." Daarnaast organiseert hij cursussen bij The Public School Berlin.

Waarom lukt het ons niet om ons internationaal te organiseren?

"Half Nederland ligt in de zomer aan de Middellandse zee, maar op politiek vlak zijn we niet of nauwelijks in staat ons internationaal te organiseren."

Europa haalt opgelucht adem nu het fatsoenlijke gezicht van het neoliberalisme (Mark Rutte) het wederom van het obscene gezicht (Geert Wilders) gewonnen heeft. Maar afgezien van het feit dat de lat wel erg laag ligt wanneer Rutte als een overwinning wordt gezien, is het duidelijk dat Wilders ook zonder te winnen een groot deel van Rutte’s talking points souffleert. Links is op sterven na dood, en rechtspopulisme domineert de agenda met een politiek die globale problemen nationaal op wil lossen. Waar het mantra van de vrije wereldmarkt altijd meer een mantra was dan een beleid, kiezen Trump, Johnson en de rest er in navolging van China voor het landsbelang expliciet voorop te stellen.

Maar waarom keren nationalisme en protectionisme juist nú terug, terwijl de wereld meer geglobaliseerd is dan ooit tevoren? Natuurlijk: niet iedereen maakt deel uit van die globale wereld, en voor de achterblijvers is globalisering vooral eng – zo luidt althans de standaardverklaring voor het succes van Wilders en le Pen. Maar dat verklaart niet waarom links grassroots activisme niet in staat is een tegenwicht te bieden aan de nationale oriëntatie van de parlementaire politiek. Miljoenen studenten nemen deel aan het ERASMUS-programma, vrijwel iedereen heeft buitenlandse vrienden op Facebook, en half Nederland ligt in de zomer aan de Middellandse zee, maar op politiek vlak zijn we niet of nauwelijks in staat ons internationaal te organiseren.

Anderhalve eeuw geleden was dat anders. In 1864 kwam een grote groep Europese radicalen (waaronder Karl Marx) samen in Londen en werd de Eerste Internationale opgericht. De Internationale was een internationaal verband van vakbonden met afdelingen in de VS, Europa en Australië. Op haar hoogtepunt had ze maar liefst 8 miljoen leden, en werden statistieken gedeeld en politieke strategieën gecoördineerd zonder telefoon of internet. De Internationale viel een kleine tien jaar later uit elkaar, vooral vanwege de autoritaire neigingen van Marx en Engels, maar dit neemt niet weg dat er tot de Tweede Wereldoorlog een hoge mate van solidariteit tussen de verschillende arbeidersbewegingen bestond. Toen in 1936 de Spaanse Burgeroorlog uitbrak trokken bijna 40.000 linkse vrijwilligers uit de hele wereld naar Spanje om de strijd tegen het fascisme te ondersteunen – onder hen Joris Ivens, George Orwell en Ernest Hemingway.

Natuurlijk, het waren andere tijden, en ik wil de doeltreffendheid van deze bewegingen niet overdrijven. De Internationale wist de gedroomde revolutie nooit te ontketenen, en de Spaanse Burgeroorlog mondde uit in de dictatuur van Franco. Desalniettemin is het frappant dat er ondanks goedkope vluchten en digitale technologieën vandaag de dag nauwelijks betekenisvolle politieke alliantievorming is. De protesten die zich in 2011 als een virale beweging door de wereld verspreidden (Arabische Lente, 15-M, Occupy) zijn gekomen en gegaan, en hebben geen duurzame organisaties achtergelaten. Internationale politiek wordt gedomineerd door technocratische instellingen (IMF) en entiteiten die kampen met een ernstig gebrek aan democratische legitimiteit (EU). Links internationalisme is nauwelijks institutioneel verankerd, en in het publiek debat wordt meer aandacht besteed aan vluchtelingen dan aan de oorlog en hongersnood waarvoor ze op de vlucht zijn.

Ik denk dat de verklaring voor dit samenvallen van een geglobaliseerde wereld en een zwak internationalisme gezocht moeten worden in de financialisering van de economie. Het succes van rechts-populistische verkiezingscampagnes toont aan dat het creëren van een zondebok nog altijd een van de meest effectieve manieren is om mensen te mobiliseren. In het verleden was ook links bedreven in dit soort affectieve politiek, al waren de vijanden voor de communisten geen migranten maar fabriekseigenaren. Daarvan zijn er niet veel meer in Europa: de macht ligt niet langer bij zware industrieën die je met stakingen, bezettingen of onteigeningen aan kunt pakken, maar bij investeringsbanken die onzichtbare geldstromen coördineren en nauwelijks aan een land gebonden zijn. De huidige globalisering is in de eerste plaats de globalisering van het financieel kapitalisme, een veelkoppig beest dat de wereld in zijn grip heeft maar zich met zijn mobiliteit aan iedere aanval weet te onttrekken. Deze relatieve ongrijpbaarheid is geen goede voedingsbodem voor solidariteit.

Maar de verschuiving van een industriële economie naar een die wordt gedomineerd door financiële instellingen heeft niet alleen gevolgen voor onze onderbuik; ze ondermijnt ook de institutionele organisatie van links internationalisme. In de jaren van de Eerste Internationale was het mogelijk internationale solidariteit te cultiveren door te benadrukken dat een Italiaanse en een Duitse arbeider meer gemeen hebben dan een Duitse arbeider en een Duitse kapitalist. Inmiddels heeft de arbeidsdeling zich grotendeels geïnternationaliseerd: was er vroeger een duidelijke tegenstelling tussen kapitalisten en arbeiders binnen de grenzen van elke industriële staat, leeft de huidige fabrieksarbeider waarschijnlijk in een lagelonenland en wordt hij betaald met behulp van geldstromen uit het westen. Paradoxaal genoeg staat juist de wereldhandel het internationalisme in de weg: de oppositie tussen bourgeoisie en proletariaat die ooit als voedingsbodem voor revolutionair sentiment fungeerde heeft plaats gemaakt voor een oppositie tussen rijke (consumerende) en arme (producerende) landen, en is daarmee niet langer in staat grote groepen mensen te mobiliseren.

De traditionele arbeidersklasse is in het westen gedecimeerd, en daarmee hebben de vakbonden die de Internationale opmaakten aan invloed verloren – en met hen de sociaal-democratische partijen, die van oudsher eng met de vakbonden verwoven zijn. We leven niet langer in een industriële economie, maar in een economie van freelancers en zzp’ers, waar iedereen tot concurrent van iedereen verworden is. Solidariteit gedijt niet in een maatschappij van concurrenten, en het is dan ook niet verrassend dat de vakbonden in verval zijn geraakt. Maar zelfs met een sterke vakbond en een internationaal verband van werknemersorganisaties is het moeilijk solidariteit te creëren tussen een flexwerker in Amsterdam en een sweatshop medewerker in Bangladesh.

Het is bijna het omgekeerde van 150 jaar geleden: we leven in een geglobaliseerde wereld, maar een betekenisvol internationalisme is er niet. En dat is tragisch, want de Amsterdamse flexwerker en de Bengaalse loonslaaf leven beiden in een wereld waarvan de problemen niet op nationaal niveau zijn op te lossen.

Foto: CC Bengal*foam

Geef een reactie

Laatste reacties (29)