40.071
208

Voorzitter van New Urban Collective

Mitchell Esajas (1988) is mede-oprichter en voorzitter van New Urban Collective een netwerk van studenten en young proffesionals van diverse achtergronden. Hij is als sociaal ondernemer betrokken bij diverse maatschappelijke projecten op het gebied van onderwijs, arbeidsmarkt, diversiteit en duurzaamheid. Mitchell studeerde Bedrijfswetenschappen en Antroplogie aan de Vrije Universiteit. Momenteel werkt hij part-time als programma manager Medische Antropologie op de Universiteit van Amsterdam.

Waarom wil je ons zo graag neger noemen?

Een reflectie op de Nederlandse obsessie met 'de neger', institutioneel racisme, microagressies en het debat 'Mag ik je neger noemen?' van de Rode Hoed

‘Twintig over twintig: mag ik je neger noemen?’, dat is de titel van een debat dat cultureel debatcentrum De Rode Hoed op dinsdag 27 mei organiseert over ‘culturele en seksuele diversiteit’ naar aanleiding van een interview in dagblad Trouw over de campagne I, Too, Am VU / UvA. Via Facebook ontving ik een enthousiaste uitnodiging van een medewerker Marketing & PR van De Rode Hoed om deel te nemen in het panel. Met belangstelling vroeg ik naar meer informatie over het programma. Ik was met stomheid geslagen toen ik de aanvankelijke titel van het evenement las: “Hoe noem je een neger?”

Hoewel mijn ego gestreeld werd door de uitnodiging en ik even overwoog om eraan deel te nemen, kreeg ik er een vreemd gevoel bij. Maar vanuit de stem diep van binnen rees een aantal vragen: “what the f***?” was de eerste vraag, vervolgt door “hoe kan je een serieus debat over ‘onderhuids racisme’ en tolerantie voeren wanneer de hoofdvraag – ‘Hoe noem je een neger?’ – al doordrenkt is van racistische terminologie?? Vinden ze het gebruik van het woord ‘neger’ zo normaal dat ze het in de titel van een cultureel debat gebruiken? Hebben ze hier wel over nagedacht? Zo ja, wat was de achterliggende gedachte en motivatie om deze titel op deze manier te kiezen?

Mag ik je neger noemen
Ik gaf ze de ‘benefit of the doubt’, misschien was het wel een opportunistisch idee van een PR en Marketing medewerker die met controverse de aandacht wilde trekken voor het debat. Misschien was het onwetenheid over het gebruik van deze term, in de schoolbanken leren we immers weinig tot niks over het Nederlandse koloniale verleden. Maar nee, dat was niet het geval. Quinsy Gario had tijdens een debat op 8 november 2011 over de NTR serie De Slavernij in de Rode Hoed reeds de oorsprong en gebruik van het woord ‘neger’ uitgelegd.

Hoewel het debat over culturele en seksuele diversiteit zou moeten gaan, impliceert de titel dat ik, ‘de neger’ in het diverse gezelschap van twintigers, het object van discussie zou worden. Waarom stelt de Rode Hoed niet het historische systeem van institutioneel racisme dat ook het begrip ‘neger’ geproduceerd heeft ter discussie? Zou dat te politiek correct zijn voor het links bolwerk van de Rode Hoed? Ik bedankte vriendelijk voor de uitnodiging, maar niet zonder wat informatie over de historische én maatschappelijke context van de term ‘neger’ te delen, in de hoop dat ze de titel en opzet zouden veranderen. De Rode Hoed ging intussen op zoek naar een andere ‘neger’.

De neger omdat het moet
In een artikel van het NRC dat ik met de Rode Hoed deelde stond dat het woord neger voor het eerst voorkwam in het jaarverslag van de West-Indische Compagnie uit 1664, die een een Portugees vrachtschip met tot slaaf gemaakte Afrikanen had veroverd van de Portugezen. Het woord ‘neger’ refereerde dus naar de handelswaar van de WIC, tot slaaf gemaakte geobjectiveerde Afrikanen en is een erfenis van ons gedeelde koloniale verleden. Ook ontving het debatcentrum een link naar een column uit het jaar 2005 van Anousha Nzume getiteld “Wat is er eigenlijk mis met het woord ‘neger?‘”, waarin ze terecht aangeeft dat de betekenis van het woord context afhankelijk is maar toch beledigend is vanwege de ‘pijnlijke historie’, ze stelt:

Maar net als bijvoorbeeld het ballerige woord pik, (‘Hey pik, hoe gaat ‘ie,’) ís en blijft neger in principe een scheldwoord. Uiteindelijk bepaalt de ontvanger of het gebruik ervan gepast is. Niet de zender.

Het antwoord van de Rode Hoed was om de titel te veranderen van ‘Hoe noem ik een neger?’ naar ‘Mag ik je neger noemen?’ De Rode Hoed weet dat het woord neger geen neutrale maar een beledigende term is dat gebruikt werd om mensen van Afrikaanse herkomst te dehumaniseren. Het is dus een bewuste keuze om een woord met racistische lading als titel voor een debat, dat zogenaamd over tolerantie zou moeten gaan, te nemen. Waarom noemen ze het niet: ‘mag ik je flikker noemen?’ aangezien het ook over seksuele diversiteit gaat? Zou de Rode Hoed ook een debat organiseren over antisemitisme organiseren onder de titel ‘Mag ik je smous noemen?’ Ik denk het niet, omdat ze weten dat het niet geaccepteerd zou worden. Maar waarom dan toch wel ‘mag ik je neger noemen?’ Is het omdat het woord ‘neger’ zo makkelijk over de tong rolt? Omdat de Nederlander een liefdesverhouding met het concept van de neger heeft? Omdat zwarte pijn minder waard is dan wit plezier? Of omdat de Rode Hoed ‘het niet zo bedoelt’?

“In Nederland zijn 2 dingen heilig: Zwarte Piet en het woord ‘neger’.”
In Nederland zijn twee  dingen heilig: Zwarte Piet en het woord ‘neger’, dat stelde maatschappij historicus Zihni Özdil tijdens zijn lezing op de Universiteit van Amsterdam over institutioneel racisme en micro agressies. Hij benoemde hoe antizwart racisme in Nederland is ontstaan en hoe diep ons gedeelde koloniaal verleden nog steeds in onze cultuur en instituten verweven is. Vorige week waren het emeritus professor Gloria Wekker en historicus Sandew Hira die tijdens het ‘I, Too, Am VU’-debat al de oorsprong van institutioneel racisme in het Nederlandse koloniaal verleden toelichtte.

Racisme is verweven in al onze instituten, de arbeidsmarkt, de politie, de media en ook de (sociale) wetenschappen, volgens deze kritische wetenschappers. Zo krijgen studenten in de collegebanken nog steeds Eurocentrische theorieën en filosofieën aangeleerd van ‘Verlichte wetenschappers’, die er aardig wat racistische gedachtes op nahielden, zonder daar kritisch over te reflecteren. Historicus Sandew Hira haalde een voorbeeld van de Duitse filosoof Kant aan die schreef: “De negers van Afrika hebben van nature geen gevoel dat boven het banale uitstijgt.” De Schotse filosoof David Hume kon er ook wat van, hij filosofeerde het volgende: “Negers zijn van nature inferieur ten opzichte van blanken. Ze hebben nooit iets van waarde geproduceerd in kunst, wetenschap of cultuur.”

Niet alleen filosofen en sociale wetenschappers produceerden racistische ideologie die eeuwenlange slavernij en dehumanisering van de zwarte mens, ofwel de ‘neger’ legitimeerden. Ook natuurwetenschappers en theologen droegen racistische ideologieën uit. Racisme was ‘normaal’, negers, en andere niet-westerse volkeren, waren minderwaardige wezens. Deze racistische ideologie beperkte zich echter niet tot de ‘negers’ maar strekte zich uit tot de Arabische wereld. Literatuurwetenschapper Edward Saïd noemde deze Westerse perceptie van ‘de Ander’, ‘het Orïentalisme’, een ideologische constructie waarin er een stereotype beeld van ‘de ander’ werd geconstrueerd als dom, lui, impulsief, onbetrouwbaar en een object ten opzichte van de rationele, intelligente, eerlijke, schone en heldhaftige Westerling. Niet alleen ‘de neger’ was inferieur, maar ook de moslim uit het ‘Midden Oosten’. Deze culturele beelden bleven zich reproduceren in nieuwe vormen van racisme en bleven onderscheid maken tussen de superieure westerling en de inferieure niet-westerlingen.

In Nederland hebben – de meesten – na de Tweede Wereldoorlog afstand genomen van het ouderwetse biologische racisme waarbij mensen op basis van vermeende fysiologische of genetische inferieure en superieure rassen werden onderverdeeld. Het dominante discours is veranderd naar cultureel racisme, waarbij we het hebben over problematische ‘etnische minderheden’, ‘minderwaardige Marokkanen’ en criminele ‘niet-westerse allochtonen’. Maar het woord ‘neger’ kunnen Nederlanders maar niet loslaten?

Het Nederlands collectief onderbewustzijn en de liefde voor ‘de neger’
Nederland is 400 jaar lang een koloniale natie geweest, het is een illusie om te denken dat deze geschiedenis  geen sporen heeft nagelaten, stelde professor Wekker tijdens het ‘I, Too, Am VU’-debat op de Vrije Universiteit Amsterdam. De racistische denkbeelden en koloniale machtsverhoudingen zijn opgeslagen in ons ‘collectief onderbewustzijn’ terwijl Nederlanders het zelfbeeld hebben dat ze het baken van tolerantie, gelijkheid en vrijheid zijn. “Innocence Unlimited” noemt ze dat. Waar komt die liefde voor het woord en concept van ‘de neger’ dan toch vandaan? Komt het door de kinderboeken waar de oudere generatie Nederlanders mee is groot gebracht? Houd men zo van ‘de neger’ omdat ze als kinderen leuke prentjes als de “meloenschijf tot neger” hebben ingekleurd?

Komt het door de spannende verhalen van Kuifje in Afrika en Oki en Doki bij de Negers?

Komt het door de vermakelijke en grappige sprookjes, fabeltjes, versjes en grapjes uit het Groote Negerboek? Of komt het door de klassieker “tien kleine negertjes?”

Een groot deel van de Nederlanders is groot gebracht met het beeld van de jolige, domme, onderdanige ‘neger’. En men lijkt het niet te willen loslaten. Nederlanders houden van ‘negers’. Is dit wellicht ook de reden dat miljoenen Nederlanders vol passie strijden om de meest geliefde neger van alle negers, de nationale blackface traditie Zwarte Piet vast te houden? Is dat de reden dat meer dan twee miljoen Nederlanders de Pietitie Facebook pagina hebben geliked?

“We voelen ons eigenlijk beter”
Een paar dagen na de uitnodiging van de Rode Hoed, was ik uitgenodigd om een gastcollege te geven over ‘minderheden, media en beeldvorming’ aan een hogeschool in Utrecht. Het was een enerverende les, die me hoop gegeven heeft in de Nederlandse multiculturele samenleving. De les begon met een oefening over stereotypen en vooroordelen, de overwegend witte klas HBO studenten mochten al hun stereotypen beelden en vooroordelen over mij en donkeren mensen met de groep delen. Na een lesje over de geschiedenis van de beeldvorming van de zwarte mens en oriëntalisme bekeken we de trailer van Black Venus, de film over Saartjie Baartman, de Zuid Afrikaanse schone die in Europa tentoongesteld werd vanwege haar uitzonderlijke vormen. We vergeleken de ‘Hottentot Venus’, zoals ze bekend stond, met een fragment uit de verfilming van het boek van zelfbenoemd anti-Zwarte Piet-activist Robert Vuisje ‘Alleen maar nette mensen’. Een film waarin de hoofdrol speler, David, een Joodse jongen die vaak voor Marokkaan wordt aangezien, op zoek gaat naar ‘een dikke zwarte kont in Amsterdam Zuidoost’. Nadat hij een smsje vol spelfouten van zijn nieuwe vlam Rowanda aan een van zijn witte vrienden uit Amsterdam Oud-Zuid laat zien, zegt zijn vriend: “Wat is dat met die negerinnen? Zwarte wijven die staan lager in de hiërarchie, dat is een tweederangs keuze voor stakkers die geen blanke vriendin kunnen krijgen.”

Zowel de film als het boek werden stevig bekritiseerd omdat het racistische stereotypen van zwarte vrouwen zou reproduceren. In 2012 organiseerden we hier het debat ‘Hoezo Zwarte Piet, Hoezo Alleen Maar Nette Mensen‘ over? En ook hier liet Anousha Nzume zich terecht over horen. Het boek werd met een Gouden Uil bekroond en verfilmd. Ik vroeg aan de studenten Communicatie of ze een verband zagen tussen de objectiveren van de Hottentot Venus en Rowanda. Na de spoedcursus geschiedenis van beeldvorming over Afrikanen was de link snel gelegd. Een studente zag het verband tussen de manier waarop de Hottentot Venus werd geseksualiseerd en geobjectiveerd en Rowanda die ook als “seksueel, dichter bij de natuur een lustobject zonder autonomie” werd geportretteerd. Toen ik tijdens de les vroeg waar deze beelden vandaan komen gaf een studente met het schaamrood op de wangen toe: “we voelen ons soms eigenlijk een beetje beter.”
Je bent best tof voor een negerin”
‘Mag ik je neger noemen?’, was niet de enige vraag in de opzet van het “debat over ‘tolerantie’ voor  twintigers” van de Rode Hoed. Een andere vraag die ze stelden was: Is er sprake van onderhuids racisme? Het is duidelijk dat het antwoord op de eerste vraag – nee – is. Noem me geen neger, noem me Nederlander, Afro-Nederlander of noem me gewoon bij mijn naam. Mijn antwoord op de laatste vraag zou zijn: ja, er is sprake van onderhuids racisme en dat beogen we aan te kaarten door middel van de ‘I, Too, Am VU / UvA’- campagne. Tientallen Amsterdamse studenten hebben, net als studenten van de prestigieuze universiteiten Harvard, Oxford en Cambridge, foto’s gemaakt van typische uitspraken, zogenaamde ‘micro-agressies’ die ze op of buiten de campus meemaken. Micro-agressies zijn ‘kleine en alledaagse beledigingen, vernederingen en denigrerende berichten door goed bedoelende mensen die zich niet bewust zijn van de verborgen boodschappen die naar ‘minderheden’ worden gecommuniceerd’. Ze kunnen verbaal, non-verbaal of via de omgeving worden verzonden. Zo fotografeerden we deze studente , die de volgende opmerking: “Ach maar neger is toch maar een woord?”
Dit is slechts een selectie van een groot aantal voorbeelden van micro-agressies waar jongeren met een migranten achtergrond, zogenaamde ‘allochtonen’, regelmatig mee te maken hebben. Hoewel de micro-agressies vaak zonder kwade bedoeling geuit worden, kunnen ze wel schadelijke effecten hebben. Ze kunnen discriminerend of zelfs racistisch zijn en mensen een gevoel van uitsluiting geven. Deze micro-agressies reflecteren de (on)bewuste vooroordelen die mensen over ‘de ander’ hebben en kunnen groot effect hebben in de levens van jongeren met een kleurtje, vooral op institutioneel niveau.

Tijdens het I, Too, Am VU debat vertelde Barbara Bos van het College van de Rechten van de Mens hoe (on)bewuste stereotypen leiden tot discriminatie op de arbeidsmarkt. De laatste jaren is het aantal klachten over discriminatie en racisme enorm toegenomen, in 2013 was er zelfs sprake van een exponentiële toename van het aantal vragen over arbeidsmarktdiscriminatie. De werkloosheid onder niet-westerse jongeren is met 25,6% bijna vier keer zo hoog als de werkloosheid onder de jongeren van Nederlandse origine, waarvan 8,6% werkloos is. Hoewel dit met meerdere factoren zoals sociaal netwerk en ‘soft skills‘ te maken heeft, speelt ook discriminatie een grote rol. In november 2013 was het een Arnhems elektronicabedrijf die de Surinaamse Jeffrey Koorndijk afwees  omdat hij een ‘donker gekleurde neger‘ is. In maart 2014 werd de Curaçaose student Reedie afgewezen omdat hij ‘een boef uit Curaçao‘ zou zijn.

Dit zijn geen incidenten maar symptomen van geïnstitutionaliseerd racisme op de arbeidsmarkt. “Minder, minder, minder Marokkanen”, scandeerde Wilders tijdens de verkiezingsavond in maart 2014. Dit is reeds de realiteit op de arbeidsmarkt. Marokkanen krijgen al jaren minder, minder minder kansen, blijkt uit rapporten van het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP) en European Network Against Racism (ENAR). De werkloosheid is met 37% het hoogst onder deze groep. Dat is ook niet verbazingwekkend als we zien hoe Marokkanen structureel worden gestigmatiseerd en gediscrimineerd vanuit de politiek en de media. Het was niet Wilders maar PvdA-leider Diederik Samsom die in een interview met Elsevier zei dat ‘Marokkanen een etnisch monopolie hebben op straat overlast’, nadat hij een jaar als straatcoach in Amsterdam Slotervaart had meegewandeld. Het ECRI rapport dat racisme van de Nederlandse politiek aankaartte werd tijdens het discriminatiedebat afgelopen week wederom weggewuifd. Het zal je dan ook niet verbazen dat een werkgever in het SCP rapport het volgende stelt:

Mijn beeld van Marokkaanse jongeren is ‘problemen’. Dat komt door de media. Terwijl in de fabriek veel Marokkanen werken. Dan acht ik denk ik Turken hoger dan Marokkanen.”

Institutioneel racisme in het onderwijs: eurocentrisch curriculum
Onderwijs en dialoog zijn dé middelen om wederzijds begrip, respect en een inclusieve sfeer te creëren.  Helaas schort het ook in het onderwijssysteem aan de nodige culturele diversiteit. Integendeel, van basisschool tot universiteit leren we weinig tot niets over het koloniaal verleden en hoe de erfenis daarvan nog aanwezig is in de samenleving. In sommige gevallen krijgen kinderen zelfs nog racistische stereotypebeelden over ‘de neger’ voorgeschoteld. Zo stond het dit plaatje met een ‘negatieve neger’ anno 2014 nog in het schoolboek van een basisschool in Amsterdam.

Historicus en schrijver van het boek Decolonizing the Mind Sandew Hira betoogde dat het onderwijssysteem Eurocentrisch is omdat we slechts de theorieën en opvattingen vanuit een Westers perspectief aangeleerd krijgen. Op veel Amerikaanse universiteiten bijvoorbeeld is er daarentegen wel de mogelijkheid om vakken te volgen die wetenschap vanuit andere perspectieven bekijken. Nederlandse universiteiten bieden deze mogelijkheid nauwelijks en blijven hierin achter. Hira vindt dat studenten moeten leren dat er meerdere wetenschappelijke perspectieven zijn in plaats van alleen die van Europese filosofen en wetenschappers die er vaak racistische gedachten op na hielden. Dit is niet alleen belangrijk voor studenten met een niet-westerse culturele achtergrond, maar kan ook verrijkend zijn voor studenten met een Nederlandse culturele achtergrond om kritische naar de samenleving te kijken. Bij institutioneel racisme in het onderwijs gaat het er dus niet alleen om dat de docenten een afspiegeling zijn van de samenleving, maar het programma moet zich daar ook inhoudelijk op aanpassen voor het beter resultaat. Zoals Gloria Wekker in het interview met Trouw stelde: “wil je dat studenten klaar zijn voor een diverse samenleving? Dan moet je zowel het curriculum als het personeelsbestand daarop aanpassen.”

Dutch racism, publieke vernederingen en witte privileges
In de onlangs verschenen collectie van kritische essays en artikelen ‘Dutch Racism’ beschrijven diverse wetenschappers hoe racisme zich in de Nederlandse context vandaag de dag manifesteert. Isabel Hoving en Philomena Essed concluderen dat racisme in Nederland zich kenmerkt door een gevoel van morele en culturele superioriteit, een zelfbeeld van onschuld en een gevoel het recht te hebben om te beledigen. De Rode Hoed pretendeert een kritisch debat te willen voeren over culturele en seksuele diversiteit, maar reproduceert met de titel van het debat het dominante ‘anti-immigranten’ discours waarin de ‘niet-westerse allochtoon’, in dit geval ‘de neger’ publiekelijk wordt vernederd en anders wordt gemaakt. Waarom de vraag: ‘hoe noem je een neger of mag ik je neger noemen?’ 

Sociaal wetenschapper Philomena Essed stelt dat ‘publieke vernedering’ van etnische groepen zoals het ‘moslim bashen’ en de anti-immigranten retoriek nodig is om het beeld van ‘de ander’ als minderwaardige etnische groep in stand te houden ten opzichte van het zelfbeeld van het tolerante, verlichte ‘autochtone’ Nederlander. Zonder ‘de ander’, zonder ‘de neger’, de ‘overlast veroorzakende Marokkaan’ en de ‘criminele Antilliaan’ kan het beeld van de ideale ‘blanke’ Nederlander niet bestaan. De Nederlandse tolerantie is dan ook schijntolerantie volgens Essed:

In de naam van tolerantie moeten etnische minderheden racistische grapjes pikken, zware kritiek weerstaan en zelfs de meest kwetsende vormen van symbolische vernedering incasseren.”

In de naam van de vrijheid van meningsuiting werden publieke vernederingen als de film Fitna van Geert Wilders en Submission van Hirsi Ali en Theo van Gogh en de jaarlijkse blackface traditie Zwarte Piet getolereerd. Zo ook wil de Rode Hoed dat we accepteren dat er een publiek evenement met de titel ‘Mag ik je neger noemen?’ kan worden georganiseerd. Dat er al jarenlang protest wordt gevoerd tegen het gebruik van het woord ‘neger’, dat het woord een racistische lading heeft, dat het woord door velen als beledigend wordt ervaren, doet er niet toe. Ze bedoelen het vast goed. Het is een ‘wit privilige‘ om de ervaring en pijn van de ‘ander’, de ‘neger’, de ‘niet-westerling’ in twijfel te trekken. Het is een wit privilege om het woord ‘neger’ te blijven gebruiken, wetende dat het ‘de ander’ kan beledigen.

Alledaags racisme en de macht van witte privileges
Macht is een centraal, en toch onderbelicht element, van racisme. De dominante groep heeft de macht om te bepalen wat normaal is en wat niet, wat we in onze collegebanken leren en wat niet, welke personen worden aangenomen voor een baan en welke niet. En de macht om te bepalen welke stem gehoord wordt en welke niet. Sociaal wetenschapper Philomena Essed schreef in haar fenomenale boek “Understanding everyday racism” hoe alledaags racisme werkt:

Zodra we het feit erkennen dat racisme systematisch is geïntegreerd in betekenissen en dagelijkse routines waardoor sociale relaties worden gereproduceerd, volgt daaruit dat we niet specifieke actoren maar de structuur van het sociale systeem moeten problematiseren. Dit vereist dat we het probleem van racisme herformuleren als een alledaags probleem. De analyse van het alledaagse racisme maakt duidelijk dat racisme moet worden bestreden door middel van cultuur, alsmede via andere structurele relaties van het systeem. Racisme werkt niet alleen door middel van cultuur, het is ook de uitdrukking van structurele conflicten. Individuen zijn acteurs in een machtsstructuur. De macht kan worden gebruikt om racisme te reproduceren, maar het kan ook worden gebruikt voor de bestrijding van racisme.”

Ook een instituut als de Rode Hoed is onderdeel van dit systeem. Gaat de Rode Hoed haar macht als gerenommeerd debat centrum gebruiken om racistische terminologie te reproduceren of om het systeem van alledaags racisme te bestrijden? Tijdens de masterclass I, Too am UvA vertelde trainer & coach Astrid Elburg hoe micro-agressies zich manifesteren. Een van de vormen van micro agressies, is een ‘micro invalidation’, het ontkennen van gevoelens, gedachten, of ervaringen van etnische minderheden. Wanneer mensen op een dergelijke micro-agressie reageren wordt ze verweten ‘overgevoelig’ te zijn of in een slachtofferrol vast te zitten. Deze reacties krijgen zwarte mensen vaak te horen wanneer ze zich uitspreken tegen het woord ‘neger’ of de nationale blackface traditie Zwarte Piet. Velen besparen zichzelf liever de microagressieve tegen reacties en kiezen ervoor niks te zeggen. Hierdoor blijven ze echter negatieve gevoelens opkroppen en lopen ze het risico in een depressie te belanden of een lager zelfbeeld te krijgen. De middenweg is volgens mevrouw Elburg om micro agressies te herkennen, ermee te dealen door het bespreekbaar te maken en de microagressor jouw gedachten en gevoelens kenbaar te maken. Het is vervolgens aan de microagressor om hier iets mee te doen.

Ik herken een micro agressie in de titel van het debat van de Rode Hoed. Ze zijn zich bewust van de historische lading en de beledigende betekenis van het begrip ‘neger’. Na een kritische vraagstelling hebben ze de titel slechts verandert van ‘hoe noem je een neger?’ naar ‘Mag ik je neger noemen?’ Is de Rode Hoed daadwerkelijk ‘kritisch volger en aanjager van de maatschappelijke en politieke discussie?’ Streeft de organisatie daadwerkelijk naar ‘verkennende en verbindende debatten waarin tegenstellingen worden overbrugd en nieuwe inzichten ontstaan’ of kiest de organisatie ervoor om de bestaande machtsstructuur in stand te houden, beledigende terminologie te hanteren en een platform te geven voor de ‘publieke vernedering’ van zwarte mensen?

Is de Rode Hoed bereid de titel en opzet zodanig te veranderen dat het woord ‘neger’ er niet meer in voortkomt of willen ze ons echt zo graag neger blijven noemen?

Dit artikel staat ook op de website New Urban Collective

Geef een reactie

Laatste reacties (208)