2.631
19

Onderzoeker fac. Rechtsgeleerdheid EUR

Wouter de Been is sinds 2008 postdoctoraal onderzoeker aan de Faculteit der rechtsgeleerdheid van de Erasmus Universiteit Rotterdam. Sinds 2009 werkt hij hier aan een onderzoeksproject over conflicten in de multireligieuze samenleving. In dit project wordt geprobeerd tot een meer dynamische en open interpretatie te komen van klassieke idealen als neutraliteit, scheiding van de kerk en staat, godsdienstvrijheid, gelijkheid en vrijheid van meningsuiting.

Waren we maar allemaal Charlie Hebdo geweest

Welke les we vooral niet moeten trekken uit de aanslag op Charlie Hebdo

De ondersteuning van het Franse tijdschrift Charlie Hebdo de laatste twee dagen over de hele wereld was hartverwarmend. Iedereen is plots ook Charlie Hebdo. De steunbetuigingen laten zien dat democratische burgers niet volledig uitgeblust zijn en en niet zo cynisch zijn geworden over de democratische rechtsstaat dat ze het belang van één van haar kernvrijheden — de vrijheid van meningsuiting — gezapig voor lief nemen.

Toch heeft al deze ondersteuning achteraf ook iets gratuits. Voor de aanslag afficheerden slechts weinig mensen zich met Charlie Hebdo. Het blad had weinig lezers en kon nauwelijks het hoofd boven water houden. De compromisloze satire waarmee het alles en iedereen de maat nam, en dus ook de islam, werd nauwelijks door andere bladen gevolgd. De Britse columnist David Aaronovitch stelt dan ook terecht dat we daarmee de cartoonisten van het blad eigenlijk een beetje alleen hebben laten staan en dat we daarom allemaal een beetje medeschuldig zijn aan de aanval op Charlie Hebdo.

Na de moord op Theo van Gogh en de Deense cartoonkwestie is er in de populaire media een zekere voorzichtigheid en omfloerstheid gekropen in de manier waarop met Mohammed en de islam wordt omgesprongen. We moeten natuurlijk allemaal kunnen zeggen wat we willen, was de algemene teneur, maar waarom een godsdienstige minderheid onnodig op de kast jagen? Dat was ook mijn opvatting in de nasleep van de Deense cartoonkwestie. Natuurlijk is er voor geweld geen plaats in de democratische rechtsstaat en mag er aan de vrijheid van meningsuiting niet getornd worden, heb ik toen gezegd, maar achter de beruchte cartoons van Jyllands Posten — een krant die bekend stond om zijn anti-immigratie en anti-moslim standpunt — zat natuurlijk ook een agenda. De cartoons — inzendingen voor een prijsvraag van de krant om ‘Mohammed uit te beelden zoals je hem ziet’ — waren tamelijk humorloos. Veel ervan waren niet zozeer satire, als een vorm van schelden in tekenvorm. Dat gaf natuurlijk niemand het recht om de staf van Jyllands Posten en de cartoonisten te bedreigen, maar tegelijkertijd getuigde het niet van goede smaak om als blanke meerderheid een tamelijk kleine godsdienstige minderheid met dergelijke cartoons in de hoek te willen zetten.

Aaronovitch denkt dat deze typisch links liberale reactie verkeerd is geweest. Lachen om de islam en Mohammed moet niet uit de weg worden gegaan, maar moet juist banaal worden, net zoals dat met lachen om God, Jezus en de paus is gebeurd.

Afbeeldingen van Mohammed — een islamitisch taboe — en grappen over de islam moeten zo wijdverbreid zijn dat iedereen er zijn schouders over ophaalt. Dat zal niet iedere aanslag uitsluiten, maar het zal ervoor zorgen dat een kruistocht tegen beledigingen van de islam en de profeet een zinloze exercitie wordt en dat we niet weer een klein satirisch blad het enige mikpunt maken van de fundamentalistische toorn.

Ik denk dat Aaronovitch daarmee een goed punt maakt. Er is genoeg in de islam en in de pompeuze, opgeblazen retoriek van de moslimfundamentalisten om ons vrolijk over te maken. Dat zou niet alleen de taak moeten zijn van kleine satirische bladen, maar ook van grotere kranten en tijdschriften. Het zou ook goed zijn als dergelijke spot niet alleen in dienst staat van een anti-immigratie agenda zoals bij Jyllands Posten, maar simpelweg is gericht op het doorprikken van eigenwaan en hoogdravendheid.

We moeten in ieder geval niet het advies volgen van David Brooks in zijn stuk ‘I Am Not Charlie Hebdo’ in de New York Times van 9 januari. Brooks vindt de humor van Charlie Hebdo maar puberaal en nodeloos kwetsend. Dat is misschien leuk als je 13 bent, maar volwassenen dienen dergelijke infantiele humor te ontgroeien. Ze moeten leren om mensen met een ander geloof en andere gebruiken te bejegenen met respect. Er is wel plaats voor een paar beroepsprovocateurs en vreemde vogels om de macht en de gevestigde orde belachelijk te maken, stelt Brooks, maar voor de meeste van ons geldt dat we mensen met andere gebruiken in hun waarde moeten laten (de neo-conservatieve Brooks kan het zelfs na een aanslag niet opbrengen om de hippie-cultuur die in Charlie Hebdo voortleefde te omhelzen. Veel van de cartoonisten waren oude soixante-huitards. Die beledigden duidelijk niet alleen de gevoeligheden van moslim-fundamentalisten).

Als we doen wat Brooks voorstelt, dan gaan we weer terug naar de situatie die ontstond na de Deense cartoonkwestie. Een cultuur van respect en goede manieren aanmeten voor de meeste van ons en de taak om de onaangepaste elementen binnen de moslimgemeenschap te confronteren en aan te spreken overlaten aan de cartoonisten van een klein satirisch blad en een zelfverklaarde dorpsgek — noodzakelijke provocateurs waarop je vervolgens weer kunt neerkijken als smakeloze en puberale buitenbeentjes. Dat lijkt me niet de les die uit de recente aanslag op Charlie Hebdo getrokken moet worden.                        

Geef een reactie

Laatste reacties (19)