419
7

journalist

Na opleidingen in journalistiek en communicatie maakte Jeroen Mirck (1971) carrière in de vakbladjournalistiek. Bij Adformatie en Emerce specialiseerde hij zich in marketing en nieuwe media. Van 2009 tot 2010 stond hij als redacteur aan de wieg van Joop.nl. Momenteel is hij zelfstandig journalist en communicatie-adviseur, met een passie voor bloggen en social media. Hij deelt zijn kennis op het weblog JeroenMirck.nl. Namens D66 is hij raadslid in stadsdeel Amsterdam Nieuw-West.

Wat er niet deugt aan ACTA

Open brief aan Robbert Baruch van Buma/Stemra

De Tweede Kamer heeft afgelopen week de Anti-Counterfeiting Trade Agreement (ACTA) verworpen. Volgens lobbyist Robbert Baruch van Buma Stemra hebben veel critici de tekst van ACTA nooit gelezen en maken ze zich druk over een verdrag waar ‘niks bijzonders’ in staat. Hij daagde me uit om inhoudelijk op de verdragstekst te reageren. Vooruit, ik ben de beroerdste niet.

Beste Robbert,

Ik heb ACTA daadwerkelijk gelezen en kan onmogelijk meegaan in jouw stelling tijdens ons debat op 19 april 2012 dat er niks bijzonders in zou staan. Toegegeven, aangaande de aanpak bij de grens van nagemaakte merkproducten kan ik me er net als jij in vinden, maar op het vlak van downloaden en thuiskopiëren zie ik behoorlijk wat ‘hinderpalen voor legitiem handelsverkeer’, zoals het in de inleiding wordt genoemd. Hieronder zal ik een aantal artikelen citeren waarin ik veel kwaad zie en die voor mij bevestigen dat het goed is dat dit verdrag ook in andere landen wordt verworpen.

Artikel 2
“(…) Een partij kan in haar wetgeving een uitgebreidere handhaving van intellectuele-eigendomsrechten opnemen, mits deze handhaving niet in strijd is met de bepalingen van deze overeenkomst. (…)” De praktijk heeft inmiddels geleerd dat het ‘three strikes out’-model in Frankrijk zo’n toegestane uitbreiding is. Een slechte zaak, omdat je daarmee mensen het recht op internet ontzegt.

Artikel 4
“(…) Wanneer een partij op grond van deze overeenkomst schriftelijke informatie verstrekt, ziet de partij die deze informatie ontvangt er, met inachtneming van haar wetgeving en rechtspraktijk van af de informatie openbaar te maken (…)”

Dit artikel over de persoonlijke levenssfeer gaat er klakkeloos van uit dat informatie over individuen die in verband worden gebracht met schending van auteursrechten vanzelfsprekend gedeeld mag worden met andere partijen. Dat op zichzelf is al een ernstige inbreuk op iemands privacy. Het simpele feit dat blijkbaar vastgelegd moet worden dat partijen die gegevens niet zomaar openbaar mogen maken, laat zien dat ook dit als een serieuze optie wordt overwogen. Dit kun je juridische indekking noemen, maar het is terecht dat burgers hier achterdochtig van worden.

Artikel 5
In een opsomming van zaken waar ACTA zich op richt, worden ‘onrechtmatig gereproduceerde goederen waarop een auteursrecht rust’ omschreven als ‘kopieën die zijn gemaakt zonder toestemming van de houder van het recht’. Feitelijk wordt daarmee elke kopie een schending van het auteursrecht genoemd. Dat is onjuist, want thuiskopieën maken is juridisch toegestaan. Met deze formulering wordt elke thuiskopieerder gecriminaliseerd.

Artikel 6
“Elke partij ziet erop toe dat in haar wetgeving is voorzien in procedures voor de handhaving opdat doeltreffend kan worden opgetreden tegen elke inbreuk op onder deze overeenkomst vallende intellectuele eigendomsrechten (…)”

Elke inbreuk aanpakken is ondoenlijk. Blijkbaar vindt ACTA het prima dat elke individuele inbreukpleger wordt aangepakt, al heeft ie maar één enkel liedje illegaal gedownload. In Nederland is erop aangedrongen niet actief te gaan jagen op de individuele downloader, maar ACTA vindt dat alle partijen daar helemaal klaar voor moeten kunnen staan. Wederom: logisch dat burgers hier achterdochtig van worden. Voor de vorm wordt er even verderop in dit verdragsartikel gesteld dat procedures ‘eerlijk en billijk’ moeten zijn en dat elke partij rekening moet houden ‘met de noodzaak van evenredigheid tussen de ernst van de inbreuk, de belangen van derden en de toe te passen maatregelen, middelen en sancties’, maar dit alles is totaal niet nader uitgewerkt. Landen kunnen dus naar believen bepalen wat billijk en evenredig is in hun strijd tegen piraterij.

Artikel 11
“Onverminderd haar recht inzake verschoningsrechten, de bescherming van vertrouwelijkheid van informatiebronnen of de verwerking van persoonsgegevens, bepaalt elke partij bij deze overeenkomst dat haar rechterlijke autoriteiten in civiele procedures betreffende de handhaving van intellectuele eigendomsrechten de bevoegdheid hebben om op een gerechtvaardigd verzoek van de houder van het recht te gelasten dat de inbreukmaker, althans de vermeende inbreukmaker, relevante informatie die hij in zijn bezit heeft of waarover hij kan beschikken, ten minste met het oog op bewijsgaring, in overeenstemming met de toepasselijke nationale wet- en regelgeving aan de houder van het recht of de rechterlijke autoriteiten verstrekt. (…)”

Lange zin, maar er staat feitelijk in dat rechters providers mogen dwingen om informatie over hun gebruikers prijs te geven. Ook dit is een punt waar veel verzet tegen bestaat, zowel van internetgebruikers als providers: beide willen niet dat de providers een soort politieagent worden, een verlengde arm van de rechterlijke macht en de auteursrechtenclubs.

Artikel 12
Rechters mogen volgens dit artikel ‘voorlopige maatregelen (…) treffen zonder de tegenpartij te hebben gehoord’. Daarbij valt te denken aan het blokkeren van websites of zelfs gebruikers. Nog afgezien van de mogelijkheid om vrije meningsuiting eenzijdig de mond te snoeren, is het ook volstrekt onredelijk om personen de toegang tot internet te ontzeggen zonder hen de kans te hebben geboden om weerwoord te geven op de aangevoerde beschuldigingen.

Artikel 27
“Elke partij ziet erop toe dat in haar wetgeving is voorzien in handhavingsprocedures (…) opdat doeltreffend kan worden opgetreden tegen inbreuken op intellectuele eigendomsrechten in de digitale omgeving, met inbegrip van snelle corrigerende maatregelen om inbreuken te voorkomen en corrigerende maatregelen waarvan de afschrikkende werking verdere inbreuken tegengaat. (…)”

Wederom wordt hier geen onderscheid gemaakt tussen grote commerciële inbreukplegers en incidentele thuisgebruikers, een onderscheid dat wél wordt gemaakt als het gaat om de invoer van nagemaakte merkproducten elders in het verdrag. Het lijkt er dan ook op dat ACTA pleit voor het onevenredig hard aanpakken van kleine inbreukplegers om zo een voorbeeld te stellen. Een uitermate onwenselijke situatie.

“(…) Bij de uitvoering van deze procedures wordt het scheppen van hinderpalen voor legitieme activiteiten, met inbegrip van de elektronische handel, vermeden, en worden grondbeginselen zoals de vrijheid van meningsuiting, een eerlijke procesgang en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in overeenstemming met het recht van een partij geëerbiedigd. (…)”

Klinkt prachtig, maar dit is een uitermate vage belofte. In de eerste plaats is het natuurlijk veelzeggend dat vrijheid van meningsuiting niet is opgenomen in de uitgebreide begrippenlijst voorin ACTA. Verder is deze term tot aan dit artikel 27 geen enkele keer genoemd in het verdrag. Ook kun je je afvragen in hoeverre de persoonlijke levenssfeer wordt geëerbiedigd als je even verderop leest dat online dienstverleners gelast mogen worden snel informatie te verschaffen om de van inbreuk verdachte abonnee te identificeren.

Conclusie
Tot zover mijn kanttekeningen bij de feitelijke tekst van ACTA. Ze bevestigen voor mij dat de wereldwijde protesten tegen het verdrag in essentie terecht zijn. Natuurlijk kan een spandoek of een tweet nooit een ambtelijk geschreven handelsverdrag feilloos samenvatten, maar de verdragstekst laat wel degelijk volop ruimte open om de privacy en vrije meningsuiting van burgers in de deelnemende landen ernstig te beperken, om nog maar te zwijgen over de criminalisering van de thuiskopieerders die op de loer ligt.

Kortom: ik bestrijd ten stelligste dat er in ACTA niks staat om ons druk over te hoeven maken. Ik was en ben nog altijd van mening dat de politiek geen verdrag moet aannemen waar zo veel op wordt afgedongen als nu bij ACTA gebeurt. Prima dat er nagedacht wordt over bescherming van intellectueel eigendom, maar laten alle betrokkenen hun energie steken in een nieuw en beter verdrag. Bij voorkeur een verdrag dat ook ruimte laat om het auteursrecht structureel te vernieuwen, zodat het aansluit op de digitale revolutie die ook de rechthebbenden niet ontgaan kan zijn.

Deze analyse is een reactie op een ACTA-debat waar Robbert Baruch (Buma Stemra) en Jeroen Mirck (D66) aan deelnamen. Het stuk staat ook op JeroenMirck.nl 

Geef een reactie

Laatste reacties (7)