2.177
48

Bedrijfseconoom

Jermain Carter studeerde bedrijfseconomie en fiscale economie en is tegenwoordig tax manager bij een Nederlandse multinational. Hiernaast is hij sociaal-liberaal in hart en nieren en noemt hij zichzelf graag parttime amateur filosoof, omdat hij in zijn vrije tijd - op soms haast obsessieve wijze- de samenleving probeert te doorgronden.

Wat is ‘redelijk’ als het over religie gaat?

 'Baat het niet, dan schaadt het niet' gaat in het geval van geloven niet op

Zo’n anderhalve week geleden schreef Han van der Horst hier over de redelijkheid van het geloven in een opperwezen. Hoewel ik me als (zelfvoldane) atheïst geen seconde in zijn conclusie kon vinden, werd ik in eerst instantie niet echt door zijn stuk geraakt. Om één of andere reden deed het me niet zo heel veel. Het stuk begon echter meer en meer aan me te knagen nadat ik een paar dagen later op één van de commerciële zenders een paragnost aan een uit het lood geslagen en duidelijk geëmotioneerde en zoekende moeder hoorde vertellen dat haar overleden dochtertje (dat helaas voor de paragnost geen s-klank in de naam had) van boven op mama neerkeek terwijl zij bij opa op schoot op een schommel zat.

Het meisje zou hier opgroeien onder begeleiding van opa en oma, want ‘ze’ groeien daar immers door en ze vond mama nog steeds de liefste mama van de hele wereld. Onschuldige troost voor een verdrietige moeder? Ik denk het niet. Naast het feit dat dit gesprek voor de moeder zeker niet gratis was, is er iets van schadelijker aard aan de hand.

Het gaat goed, zolang het niet fout gaat
Net als bij het geloven in een opperwezen wordt er hier een attitude en denkwijze gepromoot die op vele vlakken haaks op de realiteit staan. En dit gaat slechts goed, zolang het niet fout gaat. Attitudes en denkwijzen staan namelijk niet op zichzelf en bestaan niet in een vacuüm. Ze hebben een directe invloed op ons gehele denken en op ons dagelijks doen en laten.

Zowel bij een geloof in een opperwezen als bij hetgeen door de paragnost werd verkondigd, komt er bijvoorbeeld vaak (te) veel aandacht te liggen bij het hiernamaals. En omdat de duur van het hiernamaals vaak langer en beter wordt verondersteld dan ons ‘aardse’ bestaan, is afzien tijdens dit tijdelijke bestaan of een vroegtijdige beëindiging van dit bestaan, niet per se slecht of soms zelf de te verkiezen weg.

Wanneer wij volgende week een nieuwsbericht lezen over een moeder die haar man heeft vergiftigd en hierna met haar zoontje voor een trein is gesprongen, hoop ik niet dat dit voortkwam uit de hoop dat opa en oma, mama en papa en broer en zus weer samen kunnen schommelen op een betere plek. Een redelijke oplossing vanuit het perspectief van de ‘gelovende’ moeder, toch?

Het miskennen van de realiteit kan nare consequenties hebben en ik denk dat wij als mensheid op ons best zijn wanneer wij ons zo veel mogelijk baseren op de kenbare realiteit. ‘Baat het niet, dan schaadt het niet’ gaat in het geval van geloven niet op.

Wie stelt, bewijst
Als sceptisch atheïst neem ik het standpunt in dat een geloof in een opperwezen niet redelijk is, enkel en alleen omdat er niet wordt voldaan aan de bewijslast voor de stelling dat er een opperwezen zou bestaan. Wie stelt, bewijst. Niets meer en niets minder. Om dezelfde reden zou ik overigens ook de andere claim van Han, dat hij zeker weet dat de kosmos veel buitenaardse beschavingen kent, verwerpen. Dit betekent niet dat een opperwezen of buitenaardse beschavingen honderd procent niet bestaan of niet mogelijk zijn, echter alles wat zou kunnen zijn accepteren als waar of redelijk is absurd. De enige oplossing is bewijs en grote levensbepalende stellingen accepteren zonder bewijs is het tegenovergestelde van redelijk.

Gelukkig vermoed ik dat Han niet daadwerkelijk denkt dat geloof in een opperwezen redelijk is. Naar eigen zeggen gelooft hij immers zelf niet in God en komt hij met geen enkel argument waarom dit geloof redelijk zou zijn. Het komt mij verder voor als een vorm van cognitieve dissonantie om als mens een stelling redelijk te vinden en tegelijkertijd toch te verwerpen. Niet iets om trots op te zijn, lijkt mij. Met de stelling dat geloof in een opperwezen redelijk is begeeft Han zich op zeer glad ijs. De meeste moderne apologeten zouden stellen dat hun geloof wel beredeneerd kan worden, of zelfs kan worden ondersteund met ‘bewijs’, maar dat het geloof zelf het gevolg is van persoonlijke ervaringen of persoonlijke openbaring.

Woordspelletje
Maar misschien is er iets anders aan de hand. Alles valt of staat uiteindelijk met de term redelijk. In een feitelijke kwestie zoals deze, zou het logischer zijn om te spreken over bijvoorbeeld terecht en onterecht. De term redelijk heeft simpelweg te veel mogelijke uitleggen en leent zich daarom perfect voor een woordspelletje (en lijkt een slimme manier om die ‘zelfvoldane atheïsten’ een hak te zetten).

In deze context zou menigeen namelijk onder ‘redelijk’ verstaan rationeel, oftewel zoiets als in lijn met de gehele rede en beschikbaar bewijs. In het uiterste geval zou iemand anders onder redelijk kunnen verstaan; naar aanleiding van een, mogelijk foutieve, redenering. Het lijkt er op dat Han in zijn stuk een dergelijke betekenis van redelijk hanteert: “Dit is een godsbewijs van likmevestje maar onredelijk was Voltaire niet”. Een perfect uitgangspunt om een punt te maken, langs elkaar heen te praten en een discussie in ieder geval niet te verliezen.

Resteert slechts één belangrijke vraag. Han wat bedoelde je nu precies met redelijk?

Geef een reactie

Laatste reacties (48)