1.081
7

Muzikant, schrijver, componist

Erwin Gaur (half pseudoniem voor Erwin Angad-Gaur, 1970) studeerde Kunst en Cultuurwetenschappen in Rotterdam en is muzikant, schrijver en componist. Zijn debuutroman ‘Gardi’ verscheen dit voorjaar. (Foto gemaakt door Sebastian Beijersbergen)

We schuwen het spreken over, het tonen van ziekte en de dood

Zwakte tonen wij bij grote voorkeur niet; wie zwakte toont loopt het gevaar al te snel prooi te worden. Maar wij mensen zouden beter moeten weten dan de beesten

Twee weken geleden werd een familielid getroffen door een ooginfarct. Het was een grote schok, het verlies van 60% van het zicht in het linkeroog. Onherstelbaar. Onverwacht. Ik wist en we wisten van het bestaan van de mogelijkheid niet af.
Een halve dag en drie gesprekken met vrienden en kennissen later, bleek één van hen hetzelfde overkomen te zijn. Vijf jaar geleden al, op zijn tweeënvijftigste. Ook bij hem is de schade (niet behandeld binnen zes uur) permanent. (Hij vertelde mij dat ook hij van dat moment af dagelijks bloedverdunners slikken moet en periodiek injecties in zijn oog krijgt om verdere achteruitgang te voorkomen. Het was een eng idee, vertelde hij, in eerste instantie vooral. Maar alles went.)

Ziekte
cc-foto: PhotoAtelier

Toen ik enkele jaren terug zelf aan psoriasis bleek te lijden en lichttherapie kreeg (drie keer per week op slippers en met een sok om mijn geslacht in een staande zonnebank in het ziekenhuis moest plaatsnemen, met een langzaam oplopend tijdschema; een van de weinige behandelingen die helpen) kende ik de aandoening enkel in zijn extremere vorm uit The Singing Detective. Maar ook toen bleek, na enkele gesprekken in de kroeg en op het werk, een verbazingwekkende hoeveelheid mensen mede-‘slachtoffer’ of minimaal in directe omgeving bekend met de aandoening.

We spreken liever niet over onze ongemakken, valt mij zo steeds vaker op. Ook in mijn directe omgeving. We schuwen het spreken over, het tonen van ziekte en de dood.

Het is verbazend hoe effectief wij daar als samenleving in zijn.
Bij een ongeluk of bij een plots publiek overlijden wordt het lichaam vrijwel direct aan ons oog onttrokken. Een laken of kleed over het nog warme lichaam, of in een plastic bodybag afgevoerd.
Het resulteerde er, besef ik nu ik er over nadenk, in dat ik pas op mijn tweeëndertigste de eerste maal een overledene zag, een collega, opgebaard – en nauwelijks op mijn herinnering van hem gelijkend – bij zijn begrafenis.
Toen mijn grootvader van moeders kant overleed waren wij naar het oordeel van mijn ouders nog te jong geweest om het door kanker uitgeteerde lichaam te zien. Bij de begrafenis van een oom, die zich in Amerika tegen een boom had doodgereden, werd mij, twaalf jaar later, afgeraden te gaan kijken: het lichaam leek in niets op de man die wij herdachten. Verder had ik nooit de gelegenheid gehad een lijk te zien. De dood van een mens was verborgen, of was weg voor ik er een blik op had kunnen werpen.
Misschien dat ik beschermd ben opgevoed, maar ik vermoed dat het voor velen van ons geldt.

Het is consistent met onze obsessie met gezondheid, jeugd en geluk.
Het is te flauw het aan Facebook te wijten, de plek waar vooral jongeren elkaar dagelijks en van minuut tot minuut proberen wijs te maken allen een ideaal leven te leiden.
Het zal in vroeger tijden niet veel anders zijn geweest. Onze grootouders liepen ook niet op het werk, in het café of in de kerk met hun tekortkomingen te koop.

Zo nu en dan pleit iemand, zoals ik nu, voor meer openheid. Voor het tonen en bespreken van depressie, ziekte en ongeluk. Een goed voornemen: als iemand vraagt hoe het met ons gaat een eerlijk antwoord te geven. (Als men dat antwoord niet horen wil, had men de vraag niet moeten stellen.) Maar onze afkeer van alles wat aan ongeluk, aftakeling en ziekte refereert is diep geworteld. Het is oer-instinct misschien, dat wij delen met alle dieren: zwakte tonen wij bij grote voorkeur niet; wie zwakte toont loopt het gevaar al te snel prooi te worden. Maar wij mensen zouden beter moeten weten dan de beesten.

Een lastige discussie in dit verband vond ik het tonen van de door sommigen als ‘walgelijk‘ omschreven foto van Nouri in enkele media.

Het is waar: in onze samenleving is het tonen van het werkelijke gezicht van ziekte en lijden een schending van wat wij privé willen houden. Het tonen van een jongeman met wegdraaiende ogen kan voelen als onkies, als disrespectvol en als effectbejag. Misschien is dat het ook. Misschien ook niet. Misschien willen wij onze bescherming van het ‘lelijke’ in het leven te ver doorvoeren.
Ik ben er zelf niet uit.

Evengoed citeer ik Reve:

Ze willen dat ik schrijf
voor de vooruitgang.
Maar ik kan niet schrijven zoals zij,
al stam ik van hen af.
Ik moet de wijken van het volk in
en mijn oor te luisteren leggen:
zo hoor je nog eens wat.
Wat wil het volk?
Niet veel goeds, dat is zeker.
Dus ga ik de straat op,
met mijn eigen vaandel
Waarop geschreven staat:
Vrijheid! Ziekte! Ouderdom!
Lang leve de dood!

Er lonkt troost in het tonen van wat wij liever verbergen.


Laatste publicatie van Erwin Angad-Gaur

  • Gardi

    Een korte roman over obsessie, over liefde en de impact van terreur

    Februari 2017


Geef een reactie

Laatste reacties (7)