2.417
42

Antropoloog

Antropoloog, Centre nationale de la recherche scientifique, Parijs; auteur van Talking to the Enemy: Religion, Brotherhood, and the (Un)Making of Terrorists

Weg met het begrip IQ

Er is geen reden om aan te nemen, en er zijn genoeg redenen om dat niet te doen, dat IQ op enigerlei wijze een algemeen cognitief vermogen weerspiegelt

Jaarlijks stelt John Brockman, oprichter van het vermaarde discussieplatform Edge.org, één vraag aan een selectie van de meest interessante wetenschappers, auteurs en kunstenaars ter wereld. Dit keer vroeg hij: ‘Welk wetenschappelijk idee is rijp voor de prullenmand?’ De 175 antwoorden werden gebundeld in Wetenschappelijk onkruid en op Joop lees je er de komende weken alvast een aantal van.

Er is geen reden om aan te nemen, en er zijn genoeg redenen om dat niet te doen, dat het zogenaamde ‘intelligentiequotiënt’ op enigerlei wijze een algemeen cognitief vermogen of een soort natuurlijke eigenschap van de menselijke geest weerspiegelt. Het IQ als algemene maat van intelligentie wordt niet gestaafd door recente ontdekkingen in de cognitieve psychologie of de ontwikkelingspsychologie. Het is in tegenspraak met domeinspecifieke vaardigheden – denk aan specifieke mentale vermogens als geometrisch en ruimtelijk inzicht in vormen en posities, mechanisch inzicht in massa en beweging, taxonomisch inzicht in biologische soorten en sociaal inzicht in de overtuigingen en verlangens van andere mensen, enzovoort; de enige geestelijke vermogens waarvoor een evolutionaire verklaring aannemelijk lijkt, in de zin van natuurlijke selectie voor taakspecifieke vaardigheden.

Nergens in het planten- of dierenrijk lijkt er ooit sprake te zijn geweest van natuurlijke selectie voor een aanpassing die niet taakspecifiek was. Een algemene maatstaf voor intelligentie of verstandelijk vermogen is net zoiets als een algemene maatstaf voor ‘het lichaam’, zonder rekening te houden met de verschillende organen en lichaamsfuncties als hart, longen, maag, bloedsomloop, ademhaling, spijsvertering enzovoort. Leg je een enkelvoudige waarde voor ‘lichaamsquotiënt’ (LQ) voor aan een arts, dan kan die daar niet zoveel mee.

Het IQ is een maatstaf voor wat onze samenleving ziet als het vermogen om te redeneren en te onderscheiden. IQ-tests werden ontwikkeld in de hoogtijdagen van het behaviorisme, toen er nog weinig belangstelling was voor de cognitieve structuur. Het scoresysteem werd zo ingericht dat de distributie van de uitkomsten een normale verdeling vertoont met een gemiddelde van 100 en een standaardafwijking van 15.

In andere samenlevingen zou die normale distributie van een algemene intelligentiemaatstaf er weleens heel anders uit kunnen zien; van iemand die bij ons ‘normaal’ scoort, zou de score daar een standaardafwijking kunnen hebben ten opzichte van de ‘normale’ scores in de test. In ipsatieve tests (gedwongen keuze) gaven Oost-Aziatische studenten de voorkeur aan veldafhankelijke boven veldonafhankelijke perceptie, aan thematisch redeneren boven taxonomisch redeneren en aan exemplaargebaseerde boven regelgebaseerde categorisatie. Bij Amerikaanse studenten is dat meestal precies omgekeerd.

Als deze denk- en redeneervaardigheden werden getest, dan scoorden de Oost-Aziaten en de Amerikanen gemiddeld hoger op hun respectieve voorkeuren. Die afwijkende distributie zegt niet zoveel, behalve dat het een aanwijzing is voor onderliggende socioculturele verschillen.

Er wordt al heel lang fel gediscussieerd of, en zo ja welke, facetten van het IQ erfelijk zijn. Het interessantst zijn onderzoeken naar adoptie en naar tweelingen die gescheiden van elkaar zijn opgegroeid. Onderzoek naar tweelingen betreft meestal kleine populaties; bovendien gaat het vaak om tweelingen die bij de geboorte gescheiden zijn. Eén kind werd dan afgestaan en opgevoed door familie, vrienden of buren, omdat een van de ouders was overleden of omdat ze financieel niet in staat waren om beide kinderen op te voeden. Dan geldt niet meer dat je de effecten van de sociale leefomgeving en opvoeding kunt uitsluiten, die tweelingen anders zo goed vergelijkbaar maken. Het grootste probleem bij adoptieonderzoek is dat adoptie sowieso het IQ aannemelijk verhoogt, zonder enig verband tussen het IQ van de kinderen en hun biologische ouders.

Niemand heeft er een oorzakelijke verklaring voor hoe of waarom genen, alleen of in combinatie, het IQ zouden beïnvloeden. Dat komt denk ik niet doordat het zo’n moeilijk vraagstuk is, maar doordat IQ slechts een veronderstelling is en geen natuurlijke eigenschap. 

 Dit stuk is afkomstig uit de bundel Wetenschappelijk onkruid.

Geef een reactie

Laatste reacties (42)