3.743
132

Hoogleraar antropologie

Biologisch antropoloog; paleobioloog; buitengewoon hoogleraar antropologie, Pennsylvania State University

Weg met het begrip ras

Als wetenschappers scherpe grenzen tussen groepen probeerden te ontdekken, konden ze die niet vinden

Jaarlijks stelt John Brockman, oprichter van het vermaarde discussieplatform Edge.org, één vraag aan een selectie van de meest interessante wetenschappers, auteurs en kunstenaars ter wereld. Dit keer vroeg hij: ‘Welk wetenschappelijk idee is rijp voor de prullenmand?’ De 175 antwoorden werden gebundeld in Wetenschappelijk onkruid en op Joop lees je er de komende weken alvast een aantal van.

‘Ras’ is altijd een vaag, glibberig concept geweest. Halverwege de achttiende eeuw beschreven Europese naturalisten als Linnaeus, Buffon en Johannes Blumenbach geografische groeperingen van mensen die verschilden in voorkomen. De filosofen David Hume en Immanuel Kant waren allebei gefascineerd door de fysieke diversiteit van de mens; ze geloofden dat extreme hitte, kou of zonlicht het menselijk potentieel vernietigde. Hume stelde in 1748 dat ‘er nooit een beschaafd volk heeft bestaan met een andere huidskleur dan de blanke’.

Ook Kant was die mening toegedaan. Hij heeft zich gedurende zijn hele carrière beziggehouden met het vraagstuk van de menselijke diversiteit. Vanaf 1775 schreef hij uitgebreid over het onderwerp. Hij
 was de eerste die de geografische groeperingen van mensen namen gaf en ze definieerde als ‘rassen’. Er waren er vier, gekarakteriseerd door huidskleur, haarsoort, schedelvorm en andere anatomische kenmerken alsmede het vermogen tot moreel besef, zelfverbetering en beschaving.

Waarom zegevierde het wetenschappelijke racisme van Hume en Kant over de logische, weldoordachte oppositie van Johann Gottfried von Herder en anderen Misschien omdat Kant al in zijn tijd werd erkend als groot filosoof. In de negentiende eeuw, toen zijn belangrijkste filosofische werken wijd en zijd verspreid raakten, steeg hij nog in aanzien. Sommige van zijn aanhangers waren het eens met zijn racistische standpunten; andere verontschuldigden zich ervoor; vele negeerden ze. Bovendien vormde het racisme – waarbij de menselijkheid van niet-Europeanen, vooral Afrikanen, werd gereduceerd of ontkend – een goed excuus voor de trans-Atlantische slavenhandel, die de grootste motor van de Europese economische groei was geworden. Toentertijd populaire Bijbelinterpretaties waarin werd betoogd dat Afrikanen voorbeschikt waren voor de slavernij, versterkten die visie nog eens.

Huidskleur, het meest in het oog springende raciale kenmerk, werd geassocieerd met een vage verzameling opinies en verhalen over de eigen aard van de verschillende rassen. Huidskleur stond voor moreel besef, karakter en het vermogen tot beschaving; het werd een meme. In de negentiende en het begin van de twintigste eeuw kwam de ‘rassenwetenschap’ op. De biologische realiteit van rassen werd bevestigd door nieuwe soorten wetenschappelijk bewijs dat werd aangedragen door nieuwe soorten wetenschappers – met name door antropologen en genetici.

Dit tijdperk was getuige van de geboorte van de eugenetica en haar voornaamste nakomeling, het begrip ‘raszuiverheid’. De komst van het sociaal darwinisme was opnieuw een bevestiging voor de visie dat de superioriteit van het blanke ras deel uitmaakte van de natuurlijke orde. Noch raciale wetenschappers, noch de vele eugenetici die aan beide zijden van de Atlantische Oceaan campagne voerden voor raciale kwaliteitsverbetering stonden open voor de mogelijkheid dat alle mensen als gevolg van migratie en meer dan duizenden jaren onderlinge vermenging het product zijn van een complexe genetische mix.

Halverwege de twintigste eeuw breidde het aantal wetenschappelijke verhandelingen over rassen zich gestaag uit. In de jaren zestig waren er echter twee factoren die bijdroegen aan het ter ziele gaan van het concept. Allereerst nam wereldwijd het aantal onderzoeken toe waarin de fysieke en genetische diversiteit van groepen mensen werd onderzocht. En verder begon de opkomst van de burgerrechtenbeweging in de Verenigde Staten en elders een steeds grotere rol te spelen. Weldra keurden invloedrijke wetenschappers onderzoek naar ‘ras’ af omdat de rassen zelf niet wetenschappelijk gedefinieerd konden worden. Als wetenschappers scherpe grenzen tussen groepen probeerden te ontdekken, konden ze die niet vinden.

Ondanks deze belangrijke veranderingen in wetenschappelijk denken bleven twee verwante concepten, die van een in rassen verdeelde mensheid en een op huidskleur gebaseerde rassenhiërarchie, echter stevig verankerd in de populaire cultuur. Raciale stereotyperingen waren krachtig en hardnekkig, vooral in de Verenigde Staten en Zuid-Afrika, waar onderwerping en uitbuiting van de zwarte arbeidersklasse de hoeksteen van de economische groei waren geweest.

Het concept ‘ras bleef na zijn wetenschappelijke dood bestaan, al begon het geleidelijk iets heel anders te betekenen. Veel mensen vinden tegenwoordig dat ze tot de een of andere raciale groep behoren, ongeacht wat de wetenschap over de aard van dat ras te zeggen heeft. De gedeelde ervaringen van leden van zulke groepen creëren krachtige sociale banden. Voor veel mensen, inclusief veel wetenschappers, is het concept ‘ras’, hoewel niet langer biologisch, een melange van de sociale categorieën klasse en etniciteit geworden.

Artsen blijven door hen geobserveerde gezondheids- en ziektepatronen indelen volgens oude raciale concepten als ‘blank’, ‘zwart’ (of ‘Afro-Amerikaans’), ‘Aziatisch’ et cetera. De indeling van groeperingen volgens ras blijft gehandhaafd, zelfs als wordt aangetoond dat
 veel aandoeningen (diabetes bij volwassenen, alcoholisme en hoge bloeddruk om er een paar te noemen) ogenschijnlijk raciale patronen vertonen doordat mensen dezelfde omgevingscondities delen. Het gebruik van raciale zelfcategorisatie in epidemiologische studies wordt verdedigd en zelfs aangemoedigd. Als je echter maar genoeg variabelen, zoals klassenverschillen, etnische sociale gewoonten en attitudes meeneemt, wordt medisch onderzoek van gezondheidsverschillen tussen ‘rassen’ zinloos.

De nieuwste make-over van het concept ‘ras’ komt voort uit de genomica en speelt voornamelijk een rol in de biomedische context. Het concept ‘ras’ krijgt opnieuw waardering door de onaantastbare positie van de medische wetenschap in het populaire bewustzijn. Raciale realisten dragen genomische bewijzen aan die de harde biologische realiteit van raciale verschillen moeten ondersteunen, terwijl raciale sceptici geen raciale patronen waarnemen. Duidelijk is dat mensen zien wat ze willen zien en onderzoeken zo inrichten dat de uitkomsten zijn zoals ze verwachten. In Race Decoded: The Genomic Fight for Social Justice (2012) beschrijft Catherine Bliss, sociologe aan de University of California, ras tegenwoordig als ‘een systeem van overtuigingen dat op een bepaald sociaal en historisch moment consistenties in perceptie en gewoonte produceert’.

Ras heeft een vaste plek in de geschiedenis, maar geen plek meer in de wetenschap. De volslagen instabiliteit en het gevaar van misinterpretatie maakt het concept ‘ras’ als wetenschappelijk concept nutteloos. We moeten nieuwe vocabulaires bedenken voor het omgaan met menselijke diversiteit en onrechtvaardigheid. Het zal niet makkelijk zijn, maar het moet gebeuren. 

 Dit stuk is afkomstig uit de bundel Wetenschappelijk onkruid.

Geef een reactie

Laatste reacties (132)