1.477
23

Hoogleraar psychologie

Paul Bloom bekleedt de Brooks & Susan Regan-leerstoel in de psychologie en cognitieve wetenschap aan Yale University. Hij is auteur van 'Just Babies: The Origins of Good and Evil', 'How Children Learn the Meanings of Words' en 'Descartes’ Baby: How the Science of Child Development Explains What Makes Us Human'.

Weg met het idee dat de wetenschap ons geluk kan maximaliseren

Zelfs de meest egoïstische hedonist komt te worstelen met morele kwesties

Jaarlijks stelt John Brockman, oprichter van het vermaarde discussieplatform Edge.org, één vraag aan een selectie van de meest interessante wetenschappers, auteurs en kunstenaars ter wereld. Dit keer vroeg hij: ‘Welk wetenschappelijk idee is rijp voor de prullenmand?’ De 175 antwoorden werden gebundeld in Wetenschappelijk onkruid en op Joop lees je er de komende weken alvast een aantal van.

Psychologen hebben verrassende ontdekkingen gedaan over wat de mens gelukkig maakt. Sommige van die ontdekkingen rijmen niet met ons gezond verstand. Zo blijkt bijvoorbeeld dat we veel beter zijn in het wegwerken van negatieve ervaringen dan we denken: we zijn meestal blind voor de werking van wat Daniel Gilbert, psycholoog aan Harvard, ons ‘psychologisch immuunsysteem’ noemt.

Andere ontdekkingen stemmen overeen met wat onze grootmoeders ons hadden kunnen vertellen, bijvoorbeeld dat je een stuk gelukkiger bent bij vrienden en je een stuk ellendiger voelt als je eenzaam bent. Je kunt beter leven als Donald Duck dan als Dagobert Duck.

Sommige vooraanstaande wetenschappers geloven dat we met het vorderen van dit onderzoek zullen uitkomen bij een wetenschappelijke oplossing voor de vraag hoe we ons geluk kunnen maximaliseren. Dat berust op een vergissing. Zelfs als we aannemen dat het mogelijk is een volmaakt objectieve definitie van geluk te geven (waarbij het onderscheid tussen een gelukkig leven en een goed leven terzijde wordt geschoven), valt het vraagstuk hoe je een maximaal gelukkig leven construeert buiten het domein van de wetenschap, althans gedeeltelijk.

Om te zien waarom dat zo is, kun je deze gerelateerde vraag in overweging nemen: hoe kun je bepalen welke samenleving het gelukkigst is? Zoals de Engelse filosoof Derek Parfit en anderen betogen, blijft dit een verdraaid lastige vraag, zelfs als je precies kunt meten hoe gelukkig elk individu is. Moet je de samenleving met het hoogste gelukstotaal kiezen? Als dat zo zou zijn, zijn een biljoen mensen die een ellendig leven leiden (maar niet zo ellendig dat ze liever dood zouden zijn), ‘gelukkiger’ dan een miljard enorm gelukkige mensen.

Dit klopt niet. Moet je dan gemiddelden berekenen? Als je dat doet, is een samenleving met een meerderheid van intens gelukkige mensen en een minderheid die afschuwelijk lijdt misschien ‘gelukkiger’ dan een samenleving waarin iedereen gewoon heel gelukkig is. Dat klopt ook niet. Of neem de tegenstelling tussen (a) een samenleving waarin alle mensen even gelukkig zijn tegenover (b) een samenleving met een uitgesproken ongelijkheid, maar die zowel een groter gelukstotaal als een groter gemiddeld geluksgetal heeft dan (a). Welke samenleving is gelukkiger? Dit is een moeilijk probleem met relevantie in de werkelijkheid, en het is niet het soort probleem dat zal worden opgelost door de wetenschap, want de wetenschap heeft geen empirisch recept voor het berekenen van het gelukstotaal.

Belangrijk is, zoals Parfit opmerkt, dat hetzelfde probleem zich voordoet met betrekking tot individuele levens. Hoe moet je je geluk afwegen, gemeten over je hele leven? Welk leven is gelukkiger: een dat door de bank genomen al die tijd min of meer gelukkig is, of een waarin vreugde en ellende in evenwicht zijn? Alweer hebben we te maken met een vraag die niet op experimentele wijze kan worden beantwoord.

Bovendien zijn er morele kwesties. We worden vaak geconfronteerd met situaties waarin we voor de keuze komen te staan of we ons geluk moeten opofferen ten gunste van anderen. De meesten van ons brengen zulke offers voor vrienden en familie, sommigen doen het voor onbekenden. Als we het zo stellen, is het een morele kwestie en geen hedonistische: een volmaakte hedonist zou anderen slechts helpen in zoverre hij denkt er zelf gelukkiger van te worden. Maar stel nu eens dat diezelfde ruilhandelingen worden toegepast op een enkel individu, gemeten over zijn hele leven. Neem je eigen geluksgevoel van dit moment en vraag je af hoeveel jij daarvan zou opgeven, niet voor een ander maar voor jezelf in de toekomst.

Het leven zit vol van zulke keuzes. Wanneer we ons overgeven aan bepaalde kortetermijngenoegens als vette happen, onveilige seks, leven alsof morgen niet bestaat, zijn we hebberig bezig ons geluk te maximaliseren ten koste van het geluk van ons toekomstige zelf. Wanneer we offers brengen voor de toekomst – vervelende fitness, gezond en smakeloos eten, sparen als appeltje voor de dorst – zijn we altruïsten, brengen we offers voor ons toekomstig geluk. Het verrassende is dus dat zelfs de meest egoïstische hedonist komt te worstelen met morele kwesties, en dat schijnbaar wetenschappelijke vraagstukken over geluk al snel veranderen in overduidelijk niet-wetenschappelijke vraagstukken over wat juist is om te doen.

 Dit stuk is afkomstig uit de bundel Wetenschappelijk onkruid.

Geef een reactie

Laatste reacties (23)