2.707
42

Emeritus hoogleraar Gezondheidszorg

Ivan Wolffers (1948) studeerde af als arts. Sindsdien schrijft hij over medische onderwerpen, variërend van medicijnen tot zijn eigen prostaatkanker. Hij promoveerde in de medische antropologie en werd in 1989 benoemd tot buitengewoon hoogleraar aan de Vrije Universiteit in Amsterdam waar hij tot zijn emeritaat in 2014 Gezondheidszorg en Cultuur doceerde.

Wetenschappelijk bewijs is vaak te koop

Over gesponsorde onderzoeken en de afhankelijkheid van commerciële opdrachtgevers

Zaterdag toen ik terug fietste van de conferentie over wetenschap en onderzoek in Amersfoort, de WC-eenddiscussie die werd georganiseerd door de SP, kwamen de dingen die ik daar had moeten zeggen over belangenverstrengeling en onderzoek als vanzelf bij me boven. Zo gaat het met schrijvers: als het goed is schrijven die beter dan ze praten. Ik was voor de conferentie uitgenodigd door Sandra Beckerman, die er een nota over schreef en daar nu op allerlei plaatsen over discussieert.

Ik verkeerde er in het gezelschap van bevlogen mensen, die zich allemaal op een of andere manier bezorgd maken over universiteit, wetenschap en onderzoek. Is het steeds meer ‘u vraagt en wij draaien’ onderzoek? De sponsor die gegevens nodig heeft om te bewijzen dat zijn product, zijn idee, zijn beleid het beste is, heeft het bewijs nodig om in het publieke debat te rechtvaardigen dat wat hij doet of verkoopt het beste voor de gemeenschap is. De evidence-based samenleving. Wij geloven het niet voor we het gemeten hebben. En bewijs blijkt uiteindelijk te vaak te koop te zijn.

De belangrijkste kritiek is dat in het regeringsbeleid het belang van het onderzoek gekoppeld wordt aan de voordelen die het heeft voor onze economie. Het topsectorenbeleid van onze overheid focust met name op de concurrentiepositie van ons land en grote bedrijven hebben wel wat over voor onze goed opgeleide onderzoekers en financieren hun onderzoeken graag, zeker als die ook nog gepubliceerd worden in vooraanstaande wetenschappelijke tijdschriften. Sandra Beckerman van de SP noemt dat de Coca Cola Universiteit en zelf gebruik ik graag de term McScience: wat wilt u, zeg het maar, wij leveren het onderzoek.

Relatie met opdrachtgevers
Is dat erg? Dat lijkt me wel omdat de universiteit en de onderzoekers een beetje achter de feiten aanlopen en nog onvoldoende de regels hebben vastgesteld om zich te wapenen tegen de uitwassen van gesponsord onderzoek, en vooral wat de consequenties moeten zijn voor de onderzoekers die zich niet aan die regels houden. Het probleem is extra groot omdat andere bronnen van financiering geleidelijk verdwenen zijn en bezuinigingsronde na bezuinigingsronde de basis voor een gezonde vrije denkruimte aan onze universiteiten hebben ondermijnd; de afhankelijkheid van de opdrachtgevers uit het bedrijfsleven is toegenomen. Iedereen die tot tien kan tellen – en dat zou je toch van wetenschappers zeker ook mogen verwachten – snapt dat als je een stabiele onderzoeksgroep aan je universiteit wilt hebben, je moet zorgen voor een goede relatie met je opdrachtgevers. Doe het rekenwerk en je snapt dat zelfs de beste onderzoekers flexibel genoeg zijn om zoveel mogelijk mee te denken met de sponsor.  Dat is niet onmiddellijk fraude, maar zorgt wel voor een bias. Die kan al zitten in de vraagstelling, in de inclusie- en exclusie-criteria voor wie onderzocht worden en het kan ook de analyse binnenkruipen. De universiteit kijkt daarbij een beetje de andere kant op en beloont de medewerkers die extra goed zijn in het ‘binnenhalen van onderzoek’. Zo houden we tegenwoordig de universiteit in leven.

Ik heb sinds 1976 alleen maar met medisch onderzoek te maken gehad en de nauwe verbondenheid tussen medisch onderzoekers en farmaceutische industrie. Die nauwe relatie heeft al vele malen geleid tot grote zorgen. Er zijn al zoveel heel goede artikelen over verschenen en de reden voor de zorgen zijn inmiddels overbekend.

·         Bijvoorbeeld: Onderzoeken die ongunstige uitkomsten op gaan leveren worden gestopt, nooit gepubliceerd en bij analyse van verschillende trials houd je dus alleen positieve onderzoeken over en die klinken dan vooral door in de richtlijnen voor artsen.

·         Bijvoorbeeld: Het gebrek aan openheid heeft ervoor gezorgd dat een onderzoek meestal niet goed opnieuw geanalyseerd kan worden, want de gegevens blijven eigendom van de sponsor.

·         Bijvoorbeeld: Het denken in risico’s in plaats van zorgproblemen heeft een cruciale rol gespeeld bij de verschuiving van budgetten. Effectiviteit van een medicijn op verlaging van de bloeddruk bij een percentage van de bevolking wordt gemakkelijker aangetoond in onderzoek dan effectiviteit van menselijke aandacht bij hulp aan demente ouderen.

·         Bijvoorbeeld: Onderzoekers werken ook vaak nauw samen via het wetenschappelijke circus bij het definiëren van wat ziek is en wat niet. Daarmee krijgt de sponsor ook greep op waarover mensen klagen en toevallig hebben zijn daar de oplossing voor.

Het zijn allemaal vervelende aspecten van de nauwe verwevenheid van opdrachtgevers en universitaire onderzoekers. Als je goed wilt begrijpen wat de gevolgen zijn, kijk dan vooral naar de geneeskunde en in de tweede plaats naar de voedingsindustrie.

Onderzoekskwaliteit
Hoe lossen we dit probleem op? Hoe krijgen we meer greep op de onderzoeksagenda en hoe zorgt de universiteit voor schone onderzoekspraktijken? Iedereen wil uiteraard dat de universiteit zelf weer verantwoordelijk is voor het bevrijden van het onderzoek van deze banden. Zijn dan – wat menigeen denkt en beweert – de nieuwsgierigheid van de onderzoeker en langlopend fundamenteel onderzoek in een stabiele (lees: door de overheid goed gefinancierde) omgeving de belangrijkste condities voor goede kwaliteit onderzoek? Dat denk ik niet, ik denk dat de wetenschap en het onderzoek daar veel te belangrijk voor zijn. Mijn vriend Sam Adjei, oprichter en directeur van de onderzoeksorganisatie die de gezondheidszorg in Ghana moest aansturen zei altijd: ‘Voor mij hoeft niemand onderzoek te doen naar de zuurgraad van krokodillentranen omdat hij er nieuwsgierig naar is. Ik wil weten waarom mensen in het ene dorp wel gezond zijn en in het andere niet.’

Onderzoek heeft verankering nodig in de samenleving. De wetenschap moet geworteld zijn in de werkelijkheid waar ze bij hoort en de samenleving die haar financiert. Dat is niet per definitie het bedrijfsleven, maar dat zijn de verschillende groepen in de samenleving: dat zijn groepen zoals ouderen met zorgbehoefte, gemeenten die naar oplossingen zoeken voor de aanpak van toenemende obesitas bij kinderen en maak de lijst maar net zo lang als je wilt. We hebben democratisering nodig van de manier waarop in ons land onderzoeksagenda’s worden opgesteld.

Wetenschap mag bovendien niet gaan functioneren als de bewaker van de dijken rond het stuwmeer van academische kennis waar grote bedrijven wel voor kunnen betalen maar de rest van Nederland niet, alsof alles wat zich buiten dat meer bevindt geen echte kennis is en niet mee hoeft te tellen. Maatschappelijke relevantie noemen we dat en in de afgelopen jaren is dat een stuk minder rol gaan spelen bij het formuleren van een onderzoeksagenda die voor iedereen zinvol is en niet uitsluitend het belang van big farma, big food, big data dient. Dat is iets waar een overheid zich flink tegenaan moet bemoeien.

Ik herinner me dat ik in mei 1968 naar Parijs liftte om getuige te zijn van de veranderingen die daar door de studenten werden afgedwongen, de nieuwe ideeën die daar ontstonden. De verbeelding aan de macht. Ik werd er naartoe gezogen, had het gevoel dat ik het niet mocht missen. Ik ging naar de Sarbonne, maakte kennis met allerlei enthousiaste mensen en sliep thuis bij een student die ik helemaal niet kende. Ik ontbeet met zijn moeder, want hij had zelf geen tijd en ik zag hem na onze kennismaking nooit meer. Ik hoorde dat Jean Paul Sartre in de Sarbonne zou spreken. De zaal puilde uit. Ik keek schuin op de beroemde Franse filosoof. Ik begreep geen woord van wat hij zei, hoewel ik mezelf had wijsgemaakt dat ik de taal redelijk goed sprak. De volgende dag kocht ik de krant om zijn redevoering te lezen, maar dat hielp niet. Ik begreep er nog steeds niets van. Wat ik wel had gehoord was een oude arbeider van de Renault fabriek waar het werk was neergelegd uit solidariteit met de studenten. De man huilde toen hij zei dat zijn vader nooit geloofd zou hebben dat iemand zoals zijn zoon in de Sarbonne zou staan. Wat ik altijd onthouden heb is dat hij het zo fantastisch vond dat mensen die van zo’n beroemde universiteit komen ook onderzoek willen doen over dingen die belangrijk zijn voor hem en zijn vader, zijn vrouw en zijn kinderen. Dat was precies waar ik nu, bijna 50 jaar later op mijn fiets naar huis aan dacht.


Laatste publicatie van IvanWolffers

  • Broer van God

    Oktober 2017


Geef een reactie

Laatste reacties (42)