1.444
12

Muzikant, schrijver, componist

Erwin Gaur (half pseudoniem voor Erwin Angad-Gaur, 1970) studeerde Kunst en Cultuurwetenschappen in Rotterdam en is muzikant, schrijver en componist. Zijn debuutroman ‘Gardi’ verscheen dit voorjaar. (Foto gemaakt door Sebastian Beijersbergen)

Wie ben ik?

Want onvermijdelijker wordt met de dag de persoonlijke vraag; de dwang zelf een antwoord te formuleren op de vraag tot welke loyaliteit ik mij beken, tot welke stam ik mij bekeren moet, temidden van de strijdenden

Er woedt een ‘stammenstrijd’. En niet alleen in Nederland.

Diverse media introduceerden de typering na de Amerikaanse presidentsverkiezingen. Een verkiezing waarbij, net als bij het Brexit-referendum, generatie, sekse, opleiding en afkomst het electoraat als een Rode Zee leken te splijten. Zoals het Oekraïne-referendum in Nederland dat deed. Zoals ook onze nieuwe Tweede Kamer, met louter splinterpartijen, boekdelen spreekt.

Ook al is ‘het verkeerde populisme’ tijdelijk bezworen in ons land; er lijkt sprake van een brede crisis.

Superieur
Met de desintegratie van wat wij ooit superieur als de westerse naoorlogse beschaving zagen, de westerse liberale democratie, die volgens profeten als Francis Fukuyama zonder oppositie dominant was geworden (het einde van de geschiedenis inluidde zelfs) is ‘identiteit’ slagveld geworden. Het staats- en samenlevingsmodel dat wij nog enkele jaren terug aan de rest van de wereld zouden schenken – of zij het wilden of niet – verkeert in een breed gevoelde crisis.

Een stammenstrijd, die inmiddels niet alleen het Westen, maar ook landen als Turkije in zijn greep houdt: een tegenstelling tussen stad en platteland, tussen religie en seculariteit, tussen ‘boze blanke man’ en ‘hoger opgeleide’, een schisma tussen ‘stille meerderheid’ en ‘minderheden’; tussen groepen burgers, die de wereld, stad aan dorp, deur aan deur, fundamenteel anders beschouwen. Groepen die zich hoofdzakelijk lijken te identificeren als niet-de ander, meer dan als een duidelijk omschreven homogeen collectief.

Een strijd, terecht of onterecht, maar dominant gedefinieerd naar geloof en naar afkomst; een strijd die mij, zoals velen, bevreemd en verward. Een strijd die door onze Kamerverkiezingen niet in het minst werd opgelost.

Loyaliteit
Want onvermijdelijker wordt met de dag de persoonlijke vraag; de dwang zelf een antwoord te formuleren op de vraag tot welke loyaliteit ik mij beken, tot welke stam ik mij bekeren moet, temidden van de strijdenden.
Een voor mij onbeantwoordbaar vraagstuk.

Ik leg de vraag daarom aan u voor.
Maar eerst de feiten.

Mijn vader werd geboren in Suriname als derde kind van Hindoestaanse ouders. Zijn jongere broers en zussen werden geboren op Curaçao, waar mijn grootvader als werknemer van KLM en met een tweede baan als taxichauffeur zijn kinderen – ook de meisjes – onder de harde hand van mijn oma op liet groeien en naar school loodste, op weg naar een beter leven dan zijzelf, om hen vrijwel allen in Nederland te laten studeren.
De kinderen vlogen uit over de wereld.

Mijn oom Willem, hoogleraar Wiskunde aan Toogaloo College, stierf in Toogaloo, Mississipi toen hij met zijn auto tegen een boom reedt. Mijn tante Alice woonde en werkte, getrouwd met oom Roefiek uit Bangladesh, in de kinderzorg in Koeweit, toen Saddam Hoessein het land binnen viel. Na de Golfoorlog verhuisde zij terug naar Curaçao.

Mijn vader was, zoals de meeste van zijn broers en zusters, in Nederland blijven wonen en ontmoette in Delft, waar hij Natuurkunde studeerde, mijn moeder. Zij was een jonge lerares, opgegroeid in ’s-Hertogenbosch. Met haar startte hij een gezin met twee kinderen: mijn zusje en ik.

Zoenoffer
Ik werd gedoopt, als zoenoffer aan mijn grootouders. Mijn zusje, drie en een half jaar later, bleef het sacrament onthouden, nadat ook de oudste broer van mijn moeder een Arubaanse was getrouwd.

Ik studeerde Kunst en Cultuurwetenschappen, werd componist, schrijver en muzikant; mijn zusje topsportster. Zij trouwde met een Fransman, scheidde en zette met haar nieuwe Duitse vriend twee kinderen op de wereld; de derde generatie. Hun toekomst staat nog in de sterren.

Ik kan mij niet herinneren dat wij ons ooit geïntegreerd of ongeïntegreerd gevoeld hebben of dat wij ons ooit die vraag stelden, maar dat voor het moment terzijde.

Verschillen
Uiteraard waren er verschillen, op het schoolplein breed uitgemeten zelfs; ik werd gepest, afwijkend, wars van ‘de groep’ als ik was, om mijn huidskleur (“pinda! – pinda rinda!”), maar evenzeer om mijn brilletje (“brillenjood!”) en iets later mijn (vermoede) geaardheid (“homo!”), na een iets te intieme omgang met een klasgenootje op kamp. Mijn vader vertelde mij hoe hij zelf als Hindoestaans jongetje met een rare naam (Siamgaran) op Curaçao door de Creolen nageroepen was (en als “Sjangelang!” door het leven ging). ‘Je moest je gewoon verdedigen, een paar klappen uitdelen,’ raadde hij mij aan -een weinig nuttig advies voor een contactschuw jongetje, als ik.

Op de trap naar het toen nog bestaande stationnetje Rotterdam Hofplein werd ik ooit, als puber, terugkerend van het eerste etentje met mijn nieuwe vriendje, door een blanke skinhead staande gehouden.
‘Heb je hem gezien?’ Zijn ogen stonden wild.
‘Sorry, nee, wie?’
‘Eentje van jouw soort.’
Een moment dacht ik dat hij homo’s bedoelde, ik keek om mij heen.
‘Ga terug naar je land, klootzak!’ voegde hij me op mijn verwarde zwijgen toe.
Plotsklaps kalm, had ik hem gevraagd waar ik dan precies heen diende te gaan.
Een vraag die hem op zijn beurt verraste, maar mij de uiteindelijke klappen die ik kreeg niet bespaarde.

Vreemde taal
Los van skinheads: Op stations word ik nog met regelmaat in een vreemde taal aangesproken.
De glazige blik terug, die ik meestal niet vermijden kan, doet de spreker stamelen, in het Engels soms: “not Maroccan/Arabic/Spanish?”
“No, I’m sorry.”
Als ik mij langere tijd vergeet te scheren, overkomt het me vaker.

Het omgekeerde overkwam mij ook: in discussie met een goede vriend, in de tijd dat de Zwarte Pieten-discussie nog maar net oplaaide en een gesprek over het onderwerp nog zinvol leek. Hij verweet me geen oog te hebben voor het standpunt van de allochtone minderheid: “Jij en ik kunnen dat niet inleven, weet je. Wij zijn blank.”

Blank.
U mag het zeggen.
Mijn huidskleur en mijn achternaam beweren anders.

Misschien behoor ik tot wat tegenwoordig ‘de elite’ heet; universitair geschoold, een intellectueel, of erger nog: ‘kosmopolitisch’.

‘Blank’ mag de verzamelterm heten. De categorie zonder boosheid, vermoedelijk.
Ik verneem graag uw oordeel, want zelf kom ik er niet uit.


Laatste publicatie van Erwin Angad-Gaur

  • Gardi

    Een korte roman over obsessie, over liefde en de impact van terreur

    Februari 2017


Geef een reactie

Laatste reacties (12)