2.437
40

Historicus

Han van der Horst (1949) is historicus. Hij schreef onder meer The Low Sky: understanding the Dutch', Nederland: de vaderlandse geschiedenis van de prehistorie tot nu, Een bijzonder land, het grote verhaal van de Vaderlandse geschiedenis, Onze Premiers en Schep Vreugde in het Leven, Levenslessen uit de grote depressie. Op elke laatste zondag van de maand is hij om elf uur in de ochtend te horen als boekbespreker in het VPRO-radioprogramma over geschiedenis OVT.

Wij willen graag dienders zien en geen jammerwouten

“Zo ranselen wij de burgerij, heel opgewekt van zin”

Het was bedoeld als een gedenkwaardige avond. En dat werd het ook maar anders dan hooggeplaatst Amsterdam het had bedoeld. Wij schrijven woensdag 1 juli 1891. Op het balkon van het paleis volgden keizer Wilhelm II en zijn echtgenote de grootste taptoe uit de vaderlandse geschiedenis. Hij stelde met zijn verpletterende aanwezigheid de gastvrouwen in de schaduw: koningin moeder Emma en de elfjarige Wilhelmina, die een pop bij zich had. Het was tot dan toe heel vrolijk geweest in de stad: uit heel het land waren mensen toegestroomd voor het staatsbezoek. De hotels waren overladen. Bij de deftige restaurants stonden de dames en heren keurig in de rij tot er plaats vrij kwam. Overal hoorde je niet alleen “Oranje boven” zingen maar ook ter ere van de keizer “Heil dir im Siegerkranz” en “Die Wacht am Rhein”. Vooral als er een hoop gezopen was.

De Dam voor het begin van de taptoe. Alles is nog rustig. Het versierde beeld op de voorgrond is Naatje van de Dam. Het Amsterdamse publiek vond het zo net een molen zonder wieken.

Toen ging het mis. Aan de voet van het paleis vonden rond acht uur in de avond heftige tonelen plaats. Duizenden en nog eens duizenden mensen waren naar de Dam gestroomd om het spectaculaire gebeuren mee te maken. De politie schrok van het gedrang en reageerde met de gummiknuppel. Een ooggetuige schreef aan het Algemeen Handelsblad:

“Na aldaar in het eerste gelid samen met mijn zoon rustig pratende gestaan te hebben, komt plotseling een talrijke politiemacht opdagen, die order krijgt het volk terug te drijven in de Kalverstraat. De wapenstokken worden op een gegeven bevel getrokken en het regent slagen op de weerloze burgers die met alle inspanning trachten terug te dringen. Hierdoor ontstond een gekerm en een gegil van vrouwen en kinderen die niet te beschrijven zijn. Op dit ogenblik treedt een heer nader met een dienstlint om de hals, en onder diens ogen maakten zij zich schuldig aan onvergeeflijke mishandelingen onder de uitroep “terug, terug”, terwijl dat zo onmogelijk was als met de hand aan de hemel te reiken. Uit het derde of vierde gelid riep een jongmens op angstige wijze: “Ik kan niet terug”, waarop een agent hem een hevige slag toebracht. Een andere agent, dit ziende, sloeg dezelfde persoon nog een paar malen geducht op het hoofd. In zijn angst grijpt hij naar de stok, en toen slaan tegelijk vier of vijf agenten hem onbarmhartig op het blote hoofd, sleuren hem tussen de menigte uit en in een oogwenk is hij door de sterke arm als een misdadiger naar de hoofdwacht gesleept. Intussen gaan de anderen met hun beulenwerk voort totdat dit nog eens verergerd werd door de komst van de bereden politie, die onder aanvoering van een inspecteur, de paarden met hun achterdeel naar het volk wenden, om op die manier tot de terugtocht te dwingen. Op dit ogenblik, ware ik in het bezit van een wapen geweest, zou ik mij verdedigd hebben maar nu ijlde ik naar voren en ik verzocht een inspecteur mij en mijn zoon in arrest te nemen daar ik geen uitweg wist. Deze, een zeer bedaard man, stelde mij in de gelegenheid een uitweg te vinden in de Paleisstraat. Ik ben hem er nog dankbaar voor. Ik informeerde wie de beleefde heer was en hoorde zijn naam als inspecteur Broekhof noemen.”

De kranten hadden zich aanvankelijk op het schitterende van de avond geconcentreerd maar het regende ingezonden stukken over de kloppartijen door de prinsemarij en de agressieve manier waarop de bereden politie in Nederland zijn première vierde. Hoofdcommissaris C.W. Steenkamp was woedend en noemde deze publiciteit een belediging, hem persoonlijk aangedaan.

Het raadslid J.R. Wüste riep het college van B en W onder donderend applaus van de publieke tribune ter verantwoording. Deze was afgeladen en aan de deur werd  gevochten om toelating. Wüste constateerde dat de Dam veel te laat was afgesloten. Nu was het publiek gestraft voor de fouten van de politie. Burgemeester G. van Tienhoven betreurde het gebeuren, juist omdat hij zo’n goede indruk had gekregen van de ordelievendheid der burgerij. Commissaris Stork had  opdracht gekregen slechts in uiterste nood met de wapenstok op te treden. Hij was over zijn rol al  onderhouden. De burgemeester  zei nog dat ze moeilijk het leger erbij hadden kunnen halen.

Wüste citeerde daarop de commissaris die volgens een ooggetuige had geroepen: “g.v.d. hakt er maar op in”. De schuld lag volgens het raadslid bij de hogere en niet de lagere beambten. Hij eiste een nauwkeurig onderzoek en een strenge bestraffing van de verantwoordelijken. Er volgde  bijval en Wüste diende een motie in waarin het college werd verzocht de burgerij voortaan van mishandeling door de politie te vrijwaren. De motie werd aangenomen. De raad stelde daarop een onderzoekscommissie samen terwijl aller wegen geroepen werd om het ontslag van hoofdcommissaris Steenkamp. Hij bleef tot 1895 in functie.

In september 1891 presenteerde de Salon des Varietés een succesvolle revue met de veelzeggende titel “De doofpot”. De hoofdrol was voor de veelzijdige Henri Poolman, die tijdens het bezoek van de keizer probeert een toneelgezelschap samen te stellen voor Suriname. (Er zal dus wel veel racisme in gezeten hebben maar dit laat ik graag aan de heer Esajas). Hij stuit bij zijn zoektocht op de ene doofpot na de andere. De voorstelling bevatte een aantal hits maar het publiek zong het hardste mee met:

Zeg op, agenten, hoe u bij een oploop handelen wilt
Wij dreigen stokstijf van geweld
Waar elk van beeft en rilt
En wordt door u dan wel bijtijds de straat goed afgezet?
Als altijd komen wij te laat
En dan begint de pret

Pats, pats, pats, je dondert er maar door
Zo wordt door ons de rust bewaard
Daar zijn wij immers voor?
Pats, pats, pats, je hakt eer maar op in
Zo ranselen wij de burgerij
Heel opgeruimd van zin
Zo ranselen wij de burgerij
Heel opgeruimd van zin

Gerard Cox en Maria Lindes hebben dit legendarische nummer nog eens op de plaat gezet.

Er is sinds 1891 weinig veranderd. De kritiek over het optreden van de Amsterdamse politie lijkt als twee druppels water op wat er wordt beweerd over de manier waarop afgelopen zondag in Den Haag de orde werd gehandhaafd. Ook de reacties zijn vergelijkbaar: de commissaris lijdt onder de manier waarop zijn manschappen in een verkeerd daglicht worden gesteld. De dienders hebben het bij monde van hun vakbondsleider Jan Struijs gehad. Op zo’n manier valt de orde niet te handhaven. Men is op hoge poten naar minister Ferdinand Grapperhaus gestapt, die natuurlijk het volste begrip toonde. Keer op keer krijgt het publiek te horen dat met al die filmpjes op de sociale media niet het hele verhaal verteld wordt. Struijs heeft het werkwoord framen geleerd en gebruikt dat te pas en te onpas als de reguliere media hem beleefd aanhoren.

Voor zulke stoere lui hebben die dienders wel tere zieltjes. Het Haagse corps heeft een reputatie van hardhandigheid, die al in de jaren vijftig van de vorige eeuw werd gevestigd door hoofdcommissaris Gualtherie van Weezel, die niet ten onrechte door het leven ging als Jan Hak. In de jaren zestig maakte de Amsterdamse politie zich onmogelijk door hardhandig optreden tegen de speelse straatacties van de provo’s. Legendarisch werd de manier waarop Koosje Koster werd aangepakt wegens het aan de openbare weg uitdelen van krenten aan het publiek. Louis van Gasteren maakte een beroemd filmpje over het gedrag van de politie, “Omdat mijn fiets daar stond”. Met een fraaie rol voor Jan Wolkers. Nog steeds zeer de moeite waard.

Ook toen reageerde de politie hoogst verongelijkt op de kritiek vanuit de burgerij.

Het is jammer dat het volgende besef sinds de jaren negentig van de negentiende eeuw blijkbaar nog steeds niet tot de kit is doorgedrongen: wij hebben met zijn allen de politie het monopolie gegeven op het dragen van wapens. De ME gaat met knuppels, schilden en helmen  de strijd aan. Agenten beschikken over pistolen en pepperspray. Dat is een zeer zware verantwoordelijkheid. Het ligt voor de hand dat dan je gedrag onder een vergrootglas ligt. Dat hoort bij het werk en je positie in de maatschappij. Daarbij moet men in aanmerking nemen dat de politie de afgelopen twee decennia op andere fronten bestendig het eigen gezag ondermijnt, bijvoorbeeld door mensen dagen te laten wachten voor ze aangifte kunnen doen. Of door  de eigen ICT niet op orde te hebben wat misdaadorganisaties goed van pas komt.

Als men zich in een kwaad daglicht gesteld ziet door zogenaamde desinformatie, dan moet het niet zo moeilijk zijn daar de ware feiten tegenover te stellen. Bijvoorbeeld met eigen beeldmateriaal. Dat is wat anders dan de hele tijd klagen over gemene aantijgingen. Een proportioneel optreden van de politie en een kritische houding van de burgerij zijn twee kanten van dezelfde medaille, geslagen ter ere van de rechtsstaat. Wij willen graag dienders zien en geen jammerwouten. Dat was zo in 1891. Dat is zo in 2020.


Laatste publicatie van Han van der Horst

  • Zwarte Jaren

    Nederland in de Tweede Wereldoorlog

    2020


Geef een reactie

Laatste reacties (40)