758
13

Hoogleraar Toegepaste Filosofie

Michiel Korthals is hoogleraar Toegepaste Filosofie aan de Wageningen Universiteit. Hij studeerde Filosofie, Sociologie en Duits aan de Universiteit van Amsterdam en de Karl Ruprecht Universität in Heidelberg (BRD). Zijn academische belangstelling richt zich op bioethiek (met name voeding, dieren en milieu), deliberatieve en democratische theorieën en Amerikaans pragmatisme. Hij heeft een verscheidenheid aan publicaties op zijn naam staan.
Korthals is tevens voorzitter van de Stichting FREE (Foundation for the Restoration of European Ecosystems), die ongeveer 1500 Hooglanders, Konikspaarden, Wisenten en Rode Geuzen beheert. De laatste jaren treedt hij veelvuldig op met gedichten over eten, landbouw en natuur.

WRR biedt geen oplossing voor honger in Afrika

WRR richt zich op het voorkomen van voedseltekorten en niet op het tegengaan van slechte voedselkwaliteit, en gaat daarmee voorbij aan een belangrijke oorzaak van structurele armoede en ondervoeding in ontwikkelingslanden

Het recente rapport van de WRR, Minder pretentie, meer ambitie: ontwikkelingshulp die verschil maakt, doet forse aanbevelingen voor wijziging van Nederlandse ontwikkelingshulp. Nu de belangrijkste betrokkenen zich al dan niet kritisch hebben laten horen over de grote lijn van dit rapport wordt het tijd bepaalde belangrijke kwesties nader onder de loep te nemen, zoals landbouw en voeding.

De manier waarop de WRR landbouw en voeding behandelt is uiterst merkwaardig. De WRR richt zich op het voorkomen van voedseltekorten en niet op het tegengaan van gebrekkige voedselkwaliteit, en gaat daarmee voorbij aan een belangrijke oorzaak van structurele armoede en ondervoeding in ontwikkelingslanden.

Het is ten eerste opvallend dat de WRR zonder enige argumentatie de toekomst van landbouw ziet in termen van grootschaligheid en gebruik van pesticiden en kunstmest. Ook stelt ze dat deze vorm van landbouw al in de achttiende eeuw in Europa aanwezig was. Over Afrika beweert ze dat de groene revolutie er in de jaren zestig mislukt is: “Door het ontbreken van instituten die kunstmest verstrekten, van grootschalig georganiseerde irrigatie en van een goed georganiseerde landbouwextensieservice (‘landbouwvoorlichting’) mislukten de meeste oogsten van deze nieuwe gewassen.”

De WRR heeft echter haar huiswerk over landbouw en voeding onvoldoende gemaakt. In het begin van groene revolutie eind jaren zestig is in de meeste landen van Afrika grote groei van de opbrengsten van oogsten tot stand gebracht, onder andere door enorme importen van kunstmest en inderdaad grote, sterke landbouwextensieorganisaties. Maar vanwege allerlei nog steeds van kracht zijnde redenen, die de WRR niet onderzoekt, zakten de opbrengsten na een paar jaar weer in. Voor de tweede keer beveelt de WRR dus grootschalige en intensieve landbouw aan.

Het tweede opvallende is dat de WRR een scherp onderscheid maakt tussen voedselkwantiteit en voedselkwaliteit en meent dat het eerste geen probleem is: “In tegenstelling tot voedselkwaliteit is voedselkwantiteit nooit ‘verzekerd'”. Ze legt alle nadruk op maatregelen om voedselzekerheid te garanderen, zoals productie van bulkgewassen in gebieden waar de grond en klimaat dat mogelijk maken. Daarmee gaat de WRR voorbij aan één van de belangrijkste factoren die arme mensen arm en ongezond houdt: de kwaliteit van voeding.

In veel zuidelijke landen (Afrika beneden de Sahara, Indonesië, China) is het dieet uiterst eenzijdig, met als gevolg dat ondervoeding door gebrek aan mineralen en vitaminen (‘micronutriële ondervoeding’) zich manifesteert in verminderende weerstand en hoge (kinder)sterfte. Honger kan betekenen een tekort aan energie en eiwitten in de dagelijkse voeding, maar ook een tekort aan mineralen zoals ijzer en zink en aan vitaminen. Minimaal de helft van de sterfgevallen veroorzaakt door honger komt op het conto van dit laatste tekort en komt niet door energie- of caloriegebrek vanwege te weinig voedsel.

De vanuit het Westen werkende benaderingen van de bestrijding van micronutriële ondervoeding door gebrekkige kwaliteit van het voedsel gaan uit van gebrekkige doeleinden en leiden vaak niet tot op het Zuiden toegesneden hulpmaatregelen. De grote VN- en andere projecten die tekorten aan vitaminen en mineralen tegengaan bestaan al tientallen jaren, maar hebben tot nu weinig resultaat gehad. Dat blijkt uit de jaarlijkse cijfers van UNICEF en de WHO.

Dit gebrek aan resultaat heeft te maken met het feit dat deze grote projecten een heel beperkte definitie van ondervoeding hanteren, namelijk als een gezondheidsprobleem. Ondervoeding wordt in termen van gezondheid gedefinieerd en om die reden wordt ook de oplossing gezocht in bekende gezondheidsmaatregelen, zoals pillen, medicijnen (supplementen) en in met vitaminen en mineralen verrijkte gewassen. Gedacht wordt dat deze gezondheidsbenadering een soort ‘magic bullet’-oplossing tot gevolg heeft, maar zoals gezegd, de cijfers wijzen uit dat micronutriële ondervoeding niet vermindert.

De redenen voor het falen van deze in westerse ogen zo voor de hand liggende oplossing zijn ten eerste biologisch: de definitie van ondervoeding veronachtzaamt dat toegevoegde vitaminen of mineralen, zoals ijzer, niet door het ondervoede lichaam worden opgenomen. Ten tweede veronachtzamen de grote gezondheidsbevorderende programma’s de communicatie met boeren en consumenten over de mogelijkheden om ondervoeding tegen te gaan. Pas als het product (een voedingssupplement of een veranderd gewas) op de markt kan worden gebracht, wordt gekeken of de ondervoede mensen bereid zijn dit te slikken of te eten.

De derde blinde vlek van de WRR betreft haar advies aan landen die niet over goede grond en klimaat voor bulkgewassen beschikken, iets anders te verbouwen en bulkgewassen in te voeren. Ook hier slaat de WRR de plank mis. De meeste landen richten zich sinds de crisis van voedselprijzen op voedselsoevereiniteit en proberen hun voedselbehoeften aan te passen aan de gegeven mogelijkheden.

In de discussie over de mislukkingen van ontwikkelingshulp in Afrika worden de oorzaken daarvan gelegd bij de corrumperende invloed van hulp op overheid en samenleving. Recentelijk legden zowel Mwenda als Moyo veel nadruk op de averechtse effecten, de toegenomen corruptie en de afwentelingeffecten als gevolg van ontwikkelingshulp aan Afrika. De oorzaken van het falen van ontwikkelingshulp liggen echter vaak bij de in het Westen geformuleerde problemen en benaderingen die onderontwikkeling willen tegengaan, zoals in dit WRR rapport.

Michiel Korthals is werkzaam bij de leerstoelgroep Toegepaste Filosofie van Wageningen Universiteit

Geef een reactie

Laatste reacties (13)