715
5

Schrijfster

Eva Rensman schrijft over alles waarover ze zich verbaast, verwondert en het hoofd breekt. Eva Rensman schrijft ook columns voor tijdschrift Genoeg [zie: www.genoeg.nl] en op haar eigen site.

Zacht velletje

Er zit een mol in onze tuin en zijn laatste uren hebben geslagen. Maar dat weet hij zelf nog niet

Het begon allemaal afgelopen zomer. Tussen de tegels, onder de hortensia, naast de rozen, overal bergjes aarde. Drie weken later begonnen de eerste klinkers naar beneden te zakken.

Ik had al allerlei dieren in onze stadstuin gezien. Slakken, bladluizen, veldmuisjes, koolmeesjes, padden, egels en vooral buurkatten die de boel onderschijten. Maar een mol hadden we nog niet gehad.

De Man haalde zijn schouders op. Hij geeft niets om de tuin. Als hij in de zon kan zitten in de zomer, vindt hij het goed. “Kijk nou wat hij heeft gedaan met de lelietjes van dalen”, jammerde ik. “De helft is kapot.”
“Die wou je toch niet meer?”

Toegegeven, er waren te veel lelietjes van dalen, de stokrozen hadden zich wel erg uitgezaaid en het stuk tuin dat nog over was, was ingenomen door de ooievaarsbek. Maar ik wil zelf de chaos in mijn tuin bepalen. Niet worden gedicteerd door een diertje van twintig centimeter dat van onderaf lukraak mijn tuin omploegt.

Ik begon vriendelijk. Ik stak elf lege bierflesjes in de grond. Ik sloeg tachtig satéprikkers met een hamer de grond in, stuk voor stuk. Ik duwde vier bollen knoflook in de gangen. Maar hij groef door.

Daarna zette ik een val. Lukt altijd, stond op de doos. De volgende dag was de val dichtgeklapt. Opgewekt groef ik de klem uit. Leeg. De mol had er grond in geduwd en was zelf vrolijk verder gelopen.

Die nacht droomde ik dat hij in de woonkamer omhoog kwam, dwars door de vloer. Tijd voor harde actie, besloot ik en ik belde een mollenvanger. Hij legde me uitgebreid uit hoe hij te werk ging. Met speciale klemmen. Sommigen gebruiken gas, hij niet. “Gas vind ik niet zo prettig voor de mol.”
“Zo’n klem lijkt me anders ook niet zo prettig voor de mol”, merkte ik op.
“Daar hebt u weer gelijk in”, antwoordde hij. “Maar je weet wel zeker dat je hem te pakken hebt.”

Opgewekt, ja bijna verlekkerd, vertelde ik aan tafel over het gesprek. Oudste keek me vol walging aan. “Moordenaar.” Ze stond op. “Ik ga huiswerk maken. Biologie.”

“Zo’n lief diertje! Met zo’n zacht velletje!”, zei Jongste. Ze liep naar boven. Teleurgesteld bleef ik zitten. “Het moet”, zei ik tegen De Man. “Anders gaat de tuin eraan.”
“De tuin”, zei hij. “Natuurlijk. Maar vertel eens meer over die klemmen. Breekt hij zijn nek? Of bloedt hij dood?”
“Zijn nek, denk ik.”
“En als hij dood is,’ ging hij verder, enthousiaster nu, “mogen wij hem dan houden?”
“Wil je hem opzetten dan?”

Even dacht hij na. “Zullen we er een muts van kunnen maken?”
“Ik weet het!”, riep ik. “We spijkeren hem aan de schutting, als waarschuwing voor andere mollen.”

Hij zette een kop koffie voor me neer en lachte, een beetje vals. “En dan te bedenken dat je jezelf pacifist én vegetariër noemde toen we elkaar net kenden.”

Geef een reactie

Laatste reacties (5)