3.277
14

Lid Europees Parlement voor PvdA

Kati (35) is Europarlementariër namens de PvdA. Haar roots liggen in Hongarije. Ze heeft Internationale Betrekkingen gestudeerd in Groningen en de afgelopen tien jaar houdt zij zich met name bezig met buitenlands beleid, mensenrechten en democratie & rechtsstaat. Kati is verslaafd aan tv series en fan van ouderwetse (en moderne) rockmuziek.

Zonder ingrijpen Europa verandert Hongarije in ‘Orbanistan’

Rechtsstaat en democratie zijn verliezers Hongaarse verkiezingen

Afgelopen zondag, 6 april, kozen de Hongaren een nieuw parlement. Zoals verwacht liepen de verkiezingen uit op een overwinning voor Viktor Orbán en zijn partij Fidesz. Het betekent dat de slimme – of liever uitgekookte – Orbán een nieuw hoofdstuk kan breien aan zijn dominantie van de Hongaarse politiek. Dat is niet noodzakelijk goed nieuws. Noch voor Hongarije, waar principes van rechtsstaat en democratie sinds zijn aantreden onder druk staan, noch voor een Europa dat zich juist voor die waarden hard wil maken.

Dat Orbán weer kan gaan regeren zonder daarbij inspraak van wie dan ook te dulden, is al duidelijk. FIDESZ heeft weer een ruime meerderheid in het parlement. Eén niveautje hoger is het niettemin spannend. Zal FIDESZ (zoals de afgelopen vier jaar) weer een tweederde meerderheid hebben in het parlement, zodat Orbán naar eigen goeddunken de grondwet kan wijzigen? Komende zaterdag weten we het, zodra de stemmen in een aantal kiesdistricten zijn herteld. Het hangt op één zetel.Het is een zeldzame situatie – er zijn in de Europese Unie geen andere landen waar een politieke partij zo domineert dat ze controle heeft over de grondwet. Het is daarmee ook een situatie die nogal wat vragen oproept. Welk democratisch mandaat, bijvoorbeeld, bedeelt Orbán met zoveel macht? FIDESZ haalt in 2014 acht procent minder stemmen dan vier jaar eerder. Maar als gevolg van wijzigingen van kieswet en kiesdistricten – afgelopen jaren doorgevoerd door, juist, diezelfde FIDESZ – wint ze daarmee zowat hetzelfde aandeel van de parlementszetels.

De cijfers zijn bijna onthutsend. In combinatie met de lage opkomst van maar 61 procent – de op één na laagste sinds de democratische omwenteling in 1989 – betekent het dat maar 27 procent van de kiesgerechtigde Hongaren daadwerkelijk hun stem hebben uitgebracht op Orbán of FIDESZ. Zevenentwintig procent die één man de macht geeft zo’n beetje eigenhandig de grondwet aan te passen en alle onderdelen van de Hongaarse politiek, het bestuur en het openbaar leven naar zijn hand te zetten.

Het past goed bij de winner takes it all mentaliteit van Orbán – “ik win, ik beslis”. Het is een mentaliteit die helaas ook een beetje lijkt ingebakken in het politieke systeem in Hongarije, maar die we ook zien in andere voormalig communistische landen. Het illustreert ook hoe je politieke apathie kan omzetten in politieke winst. Hoe meer burgers teleurgesteld raken in de politiek, hoe minder mensen je nog hoeft te mobiliseren om aan de macht te komen of te raken. En daarvoor kun je – zodra je eenmaal aan de macht bent – alle middelen van de staat inzetten, inclusief kadootjes voor je achterban en controle over de media. Tactieken die Orbán niet vreemd zijn.

Orbán is zonder twijfel een politicus van rechts. Hij was oorspronkelijk een uitgesproken liberaal – en een jonge belofte die boven kwam drijven in de rumoerige vroege jaren van de omwenteling. Tegenwoordig is hij lid van dezelfde politieke familie als het CDA, het CDU van Merkel, de PP van de Spaanse Premier Rojay en Barroso en Van Rompuy – voorzitter van respectievelijk de Europese Commissie en de Europese Raad. Het is bij uitstek de partij van de macht. Maar qua stijl staat Orbán dichter bij Berlusconi (overigens eveneens lid van de Europese Volkspartij). Zowel Orbán als Berlusconi bedrijven (of bedreven) een soort anti-politiek, met veel beloften maar zonder concreet programma. Sentiment speelt een belangrijke rol in hun politieke communicatie; en de regels van de democratie en rechtsstaat moeten soms wijken voor hun ambitie. Orbán en Berlusconi zijn ook allebei figuren die in het buitenland de wenkbrauwen vaak doen fronsen, wat zij aan het thuisfront juist weer aanwenden in het eigen politieke verhaal: “Ik ben degene die wél begrijpt wat onze mensen willen.”

Orbáns omstreden mediawetgeving (journalisten, ook  buitenlandse, moesten hun berichtgeving over en in Hongarije aanpassen aan de lijn van de regering) was een aantal jaar geleden nog goed voor een behoorlijke Europese politieke rel. Tijdens deze campagne weigerde hij met de oppositie in debat te gaan. Hij speelt zijn eigen spel. Maar wat hem onderscheidt van (rechts- of links-) populisten in veel andere Europese landen is dat hij – net als Berlusconi lange tijd – zijn populisme weet te verzilveren. Orbán en Berlusconi zijn machtspopulisten, geen marge-populisten, zoals Wilders en De Winter in België, die hun invloed wel doen voelen in het publieke debat, maar niet toetreden tot het centrum van de macht. Ze tonen een gematigd gezicht, doen zich voor als de partijen van de gewone man en het gezonde verstand. Maar ze weten effectief te verbergen waar ze werkelijk voor staan; wie hun beleid daadwerkelijk dient en wat hun eigenlijke doelen zijn.

FIDESZ heeft zijn eigen marge-populisten die als bliksemafleider kunnen dienen. Eén op de vijf Hongaren stemde voor Jobbik – een partij die onbeschaamd extreemrechts is. Jobbik discrimineert openlijk Roma in Hongarije, en pronkt met haar eigen antisemitisme. De partij wil ook dat Hongarije uit de EU stapt. Ze winnen in deze verkiezingen vijf procent ten opzichte van vier jaar geleden. Orbán bewaart gepaste afstand tot Jobbik, zonder hun programma, uitspraken of acties ooit expliciet te veroordelen. Het lijkt of hij ze cultiveert, omdat hij weet dat de partij voor zijn macht geen gevaar vormt. Zolang mensen op Jobbik stemmen, vormen ze voor de machtspositie van FIDESZ geen gevaar. Het wordt voor de Hongaarse premier pas tricky, mocht de kiezer zich naar de naar de linkse en liberale oppositie richten.

De democratische oppositie – centrum links en liberaal – is erg verdeeld. ‘Tegen Orbán’ is het enige dat hen bindt; bij gebrek aan gedeeld programma is de gelegenheidscoalitie de dag na de verkiezingen alweer uit elkaar gevallen. De democratische cultuur in Hongarije laat nog veel te wensen over. Orbán bewijst dat je zonder programma en zonder respect voor democratische grondregels je macht kunt bestendigen.

Wat betekent dat voor Europa? Orbán voert een eigengereide koers en streeft nauwere relaties met Rusland en China na. Het lijkt een tegengestelde echo van de Hongaarse uitzonderingspositie ten tijde van het communisme. ‘We horen wel bij de EU, maar we varen onze eigen koers.’ Dat het land daardoor een eensluidende en daarmee sterke Europese stem naar buiten toe ondermijnt, lijkt voor Orbán van ondergeschikt belang. Maar erger nog is dat Orbán de rechtsstaat in zijn eigen land sluipenderwijs aan het uithollen is, zonder dat hij daarvoor binnen de EU van repliek gediend wordt. We zien het met lede ogen aan, maar we zeggen er maar niets van – kritiek leveren op de binnenlandse politiek is nu eenmaal not done onder Europese regeringsleiders als ze elkaar treffen voor topoverleg in Brussel. Dus vliegen de felicitaties voor het mooie verkiezingsresultaat weer over tafel. Maar de Hongaarse verkiezingen tonen dat ook binnen de EU onze fundamentele Europese waarden – democratie,  rechtsstaat en respect voor de rechten van elk individu – op het spel staan. Europa moet daar een antwoord op hebben. En dat heeft de EU vooralsnog niet.

Geef een reactie

Laatste reacties (14)