6.540
82

Hoogleraar

Alex van Stipriaan Luïscius (1954), is professor Caribische Geschiedenis aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Sinds 2005 combineert hij dit met het curatorschap van de Latijns Amerikaanse en Caribische collecties bij het Tropenmuseum Amsterdam. Hij geeft les in zowel Caribische migratie, diversiteit en cultureel erfgoed, als diversiteit in de Nederlandse geschiedenis, zwarte Atlantische slavernij en Carabische kunst.

Zwarte Piet liep in jaren ’80 al op laatste benen

Zwarte Piet bij de Raad van State. Fragmenten uit de repliek die professor Alex van Stipriaan voor de rechtszaak schreef

Interessant is dat wat nu als een oude en rotsvaste nationale traditie wordt gezien, al meerdere malen bijna op sterven na dood was. Allereerst was dat als gevolg van de Reformatie, toen de protestantse natie moeite had met het katholieke feest. Daarna opnieuw toen onder invloed van de Verlichting, eind 18e, begin 19e eeuw, Sint Nicolaas dood werd verklaard, omdat kinderen moesten leren dat cadeau’s door de ouders werden gegeven, hooguit namens Sint Nicolaas. Dat was rationeel en daarmee verlicht. Voor de ouders bleef het ritueel belangrijk omdat ze zo hun kinderen tot goed gedrag konden aanzetten, inclusief roe en gard. Maar zonder een bezoekende Sint en zijn van een duivelsfiguur afstammende knecht. Het was echt een burgerlijk gezinsritueel geworden. Her en der werd soms nog in de openbare ruimte een Sinterklaasmarkt georganiseerd, maar bijvoorbeeld in Amsterdam werd die rond 1830 wegens gebrek aan belangstelling opgeheven.

Meer recent was zo’n tendens opnieuw zichtbaar. In de jaren 1960/70 leek Sinterklaas namelijk meer en meer richting kerstviering te verschuiven. NRC-Handelsblad schreef op Sinterklaasavond 1980: “Het hoge woord moet er maar eens uit: Sinterklaas loopt op zijn laatste benen”. De krant gaf hem nog een jaar of drie, vier. De tekenen wezen inderdaad in die richting. Grootwinkelbedrijven begonnen al met kerstversieringen terwijl Sinterklaas nog in het land was en restaurants en tuincentra sloegen zijn feest zelfs helemaal over, aldus Nederlands meest gerenomeerde Sinterklaas-onderzoeker John Helsloot van het KNAW-Meertensinstituut. Het is dus nog niet zo heel lang geleden dat de Sinterklaaspopulariteit weer is gaan stijgen. Dat lijkt parallel te lopen aan toenemend nationalisme in samenleving en politiek die angst predikt voor verlies van het eigene door immigratiegolven (“tsunamis”) en door de steeds meer toenemende dominantie van “Europa”.

Geheel terecht stelt het Pietengilde dat hedendaags erfgoed als het Sinterklaasfeest moet worden gezien in de cultuurhistorische context waarin het door de tijd heen is ontwikkeld. Alleen betekent dat nu juist dat het daarmee op z’n minst een omstreden fenomeen wordt. Want die historie is niet alleen die van de christelijke cultuur of de Germaanse mythologie, maar minstens zozeer de meer recente Nederlandse geschiedenis van de specifieke manier waarop wit en zwart zich tot elkaar hebben verhouden. Historische ontwikkeling slaat geen tijdperken over, maar is inclusief. Dus inclusief het gegeven dat de onderwijzer Schenkman zo’n anderhalve eeuw geleden, net toen de Nederlandse slavernij op z’n eind liep een zwarte bediende voor de Sint creëerde. Precies dus op het moment dat de fysieke onderwerping van de zwarte man in het Nederlands imperium vervangen ging worden door een mentale onderwerping. De wilde zwarte man moest getemd worden, zoals de agressieve duivelsfiguur die de Sint had vergezeld in het burgerlijke feest ook getemd moest worden. En dat het om een zwarte man ging is maar al te duidelijk. De inspiratie van de gepacificeerde zwarte bediendes op de regentenschilderijen en het zwarte jongetje dat prinses Anne, dochter van koning Willem I, voor 68 gulden in Egypte kocht en mee terug naar huis nam in zijn oosterse kleren, waarover dezelfde Schenkman een spotdicht maakte, is moeilijk te vermijden. In de eerste vermeldingen van Pieter-me-knecht wordt van een kroesharige neger gesproken en voor de eerste Amsterdamse intocht per boot werden Afro-Surinaamse zeelui als Zwarte Piet gevraagd.

Een van de onderzoekers van het Centrum voor Volkscultuur, de instelling die aan de regering heeft gevraagd Sinterklaas op de unesco werelderfgoedlijst te laten plaatsen, stelt dat immaterieel erfgoed –zoals Sint en Piet– gezien moet worden in de geschiedenis waarin het is ontstaan, dat tradities nooit “onschuldig” zijn en dat ook de Sinterklaas traditie daartoe behoort. Strijd en verandering horen daarom juist bij behoud van erfgoed. Het heeft er alle schijn van dat het Pietengilde (en vele anderen) best het een en ander aan Zwarte Piet zouden willen veranderen, omdat ze zelf ook zien dat er in ieder geval negatieve connotaties aan deze figuur hebben gezeten. Grappig genoeg zijn zij het die graag verwijzen naar het voortbestaan van de donkere figuur Hans Trapp, Ruprecht, Schmutzli of Krampus die in de Duitstalige landen de heilige Nicolaas nog steeds probleemloos begeleidt. Het grote verschil is echter dat dit een soort Hagrid-achtige, duidelijk verklede witte man is of iemand met een soort stierenkop op. Wel angstaanjagend misschien, maar niet pijnlijk voor enige mede-burger.

Toch blijkt verandering niet zo moeilijk te zijn. Onder druk van nieuwe opvoedkundige idealen verloor Piet in de jaren ’60 al zijn agressieve uitstraling en werd de strenge Sint een steeds slomere bejaarde. In Amsterdam verdween, vanwege mogelijke gevoeligheden en om een inclusief gebaar te maken naar niet-christelijke Amsterdammers, het kruis van Sints mijter en tabberd. Zo lastig was dat helemaal niet. En Piet wordt in veel gevallen zelfs al niet meer als Zwarte Piet aangeduid (Wegwijs Piet, Coole Piet, Internet Piet, Pietengilde enz.). In feite het enige dat niet veranderd lijkt te mogen worden is zijn huidskleur. Wel is het zwart van Piet al lang bruinig geworden, maar, paradoxaal genoeg, is hij daardoor eerder meer dan minder op een Afro-Nederlander gaan lijken. Het lijkt er dus op of juist die enige overduidelijke associatie met zwarte mensen, de kleur, moet blijven bestaan. En dat zou toch te treurig zijn om echt waar te kunnen zijn voor een nationaal feest.

Tot slot, de niet mis te verstane conclusie van volkskundig wetenschapper Helsloot:

Voor wie ogen in z’n hoofd heeft kan er geen twijfel over bestaan dat de figuur van Zwarte Piet een symbool is van een raciale en racistische stereotypering van zwarten, met name in de beeldcultuur. Misschien niet direct toen hij in 1850 bedacht werd,  maar zeker al snel daarna. Het zou vanzelfsprekend moeten zijn dat het onbehoorlijk is dat witten plezier maken door middel van de uitbeelding van een zwarte. Zwarte Piet is in zijn huidige vorm niet uit te leggen”.

Het hele essay van Alex van Stipriaan, inclusief literatuurverwijzingen, is binnenkort na te lezen op www.ninsee.nl

Geef een reactie

Laatste reacties (82)