603
6

Journalist

Brenda Stoter is geboren en getogen in Rotterdam. Sinds 2010 is ze als freelancer werkzaam in de journalistiek en schrijft ze voornamelijk voor het AD, stichtingen en bedrijven. Eerder schreef ze artikelen voor de Elsevier, Roest, HP/De Tijd, stichting Music Matters en werkte ze mee aan het Hoofdboek. Ze is gespecialiseerd in de multiculturele samenleving, jongerencultuur, Rotterdam, Egypte en Rwanda.

Achter tralies

Ooit stonden we op hetzelfde kruispunt, maar zijn we een andere weg ingeslagen

Laatst was ik in de gevangenis. Niet als journalist, maar als bezoeker. En dan niet voor de ervaring, maar omdat ik de gevangene goed ken. De jongen die vastzit, is als een broer voor mij. Samen zaten we op de crèche, gingen we naar de Efteling en brachten we iedere zomerse dag op het strand door. Ik zie hem nog over het zand rennen, denkend dat hij een vrachtwagenchauffeur is. Met een ondeugende lach en een zonverbrand voorhoofd. Dat beroep is er nooit van gekomen, hoewel hij op een blauwe maandag wel in een bestelbusje heeft gereden. Nee, de komende tijd rijdt hij in geen enkel voertuig. Hij zit vast.

Terwijl de geintjes over en weer klinken in de auto waar ik samen met een andere vriend van hem inzit, betrap ik mezelf erop dat ik het bagatelliseer. Met de serie Prison Break in mijn achterhoofd vind ik het een beetje spannend, zo’n tripje naar de bak. Dat hij wegens mishandeling vastzit, weet ik al. Dat hij in het verleden geen lieverdje is geweest, weet ik ook. Toch neem ik het luchtig op. Zo erg zal het wel niet zijn, denk ik terwijl we onze paspoorten laten zien en richting de bezoekersruimte lopen. Bij hem loopt altijd alles los.

Er was drugs in het spel,” zegt hij, ,”En alcohol.” In zijn ogen zie ik dat ook hij het een slap excuus vindt.

Zijn gezicht licht op wanneer hij ons ziet. Hij zit hier al een paar maanden. De dagen gaan langzaam, vooral als je maar één keer per week bezoek mag ontvangen. “Zo zien we elkaar nog eens,” roept hij vrolijk uit. Het is inderdaad lang geleden dat ik hem zag. Iets meer dan een jaar. Ergens zijn we elkaar door de jaren heen kwijtgeraakt. Hij heeft zijn vrienden, en ik heb de mijne. Toch zie je het er niet aan af. De basis is er nog.

We praten over koetjes en kalfjes en over het proces dat over een paar weken moet plaatsvinden. Ik vraag hem hoe het komt dat hij hier zit. “Er was drugs in het spel,” zegt hij. “En alcohol.” In zijn ogen zie ik dat ook hij het een slap excuus vindt. Hij vertelt dat hij opkwam voor een vriend en dat hij zich liet meeslepen. Dat de schuld nu grotendeels door zijn ‘vrienden’ op hem wordt afgeschoven, vindt hij naar. Het is geen excuus, dat weet hij.

Hij vertelt over zijn celgenoot, die hem helemaal gek maakt. Maar gelukkig blijkt hij een verborgen talent voor techniek in zich te hebben.

Opeens besef ik dat het menens is. Ze denken dat hij wel een jaar moet zitten. Je had gewoon weg moeten lopen, wil ik zeggen, maar ik doe het niet. Ik weet namelijk niet hoe het is om in een dergelijke situatie en in zo’n vriendengroep te zitten. Net wat ik zei: ooit stonden we op hetzelfde kruispunt, maar zijn we een andere weg ingeslagen. Zijn leven lijkt een andere werkelijkheid.

We leerden elkaar kennen door onze ouders, ongeveer 24 jaar geleden. Hoewel we allebei naar verschillende scholen gingen, hielden we contact. Ik zat op het VWO en hij zat op verschillende scholen, waar hij menigmaal vanaf gekickt werd. Ergens heb ik het nooit begrepen, want slim dat was hij wel. Hij had een buitengewone belangstelling voor dieren, wist er alles van. Maar school was niet zijn ding. In zijn tienerjaren flikte hij het ene na het andere. Vechtpartijen, joyriden en dingen jatten. Kleine vergrijpen die meestal door Bureau Halt opgelost werden. Gelukkig kwam hij later in een kalmer vaarwater en kreeg hij een stabieler leven. Totdat hij opgepakt werd voor mishandeling in groepsverband. Omdat het al jaren rustig was rondom zijn persoontje, schrok ik.

Hij vertelt over zijn celgenoot, die hem helemaal gek maakt. Maar gelukkig blijkt hij een verborgen talent voor techniek in zich te hebben. Hij wordt dus aan het werk gezet, daar in het gevang. De tijd gaat dan sneller. Ook hoopt hij post te krijgen, zodat hij wat te lezen heeft. Dat mag over onzin gaan, zolang het maar te lezen is. Omdat ik journalist ben, schrijf ik nog wel eens wat. Ik vraag naar het adres. “Gewoon even op de website kijken,” zegt hij. Ik beloof dat te doen. De week erna denk ik eraan, maar blijft de brief achterwege. Mijn drukke werkweek weerhoudt me niet van een knagend gevoel.

Hij loopt door een deur, met zijn hoofd rechtop en zijn schouders naar beneden. Hoe heeft het zover kunnen komen, is het enige wat ik denk.

De dagen vliegen voorbij. Twee weken later zie ik hem weer. Hij heeft vlekken in zijn nek en lijkt verward. We praten over zijn proces, de medecelgenoten en maken een afspraak voor de volgende keer. Ik zie iets in zijn ogen wat ik nooit eerder heb gezien: spijt, gemengd met onzekerheid, die beiden gemaskeerd worden door stoerheid. Het laatste brokkelt gedurende het bezoekuur langzaam af. “Het is moeilijk hier”, geeft hij uiteindelijk toe.

De tijd vliegt voorbij; de bewaker komt hem halen. Ik beloof snel te schrijven. “Het zou toch wel mooi zijn als we even van plaats kunnen ruilen”, grapt hij. Zijn vriend lacht zacht. De mijne blijft achterwege. Met een ernstig gezicht kijk ik hem na. Hij loopt door een deur, richting de controlepost, met zijn hoofd rechtop en zijn schouders naar beneden. Hoe heeft het zover kunnen komen, is het enige wat ik denk.

Mijn brief aan hem is nog steeds niet geschreven. Ik zou hem graag wat dingen willen vertellen. Dat ik hem anders zou willen zien, dat hij verkeerd bezig was, dat hij zich niet moet laten beïnvloeden door foute vrienden, dat de hele freaking wereld aan je voeten ligt als je zo jong bent en dat er nog een kans is voor hem. Een kans na deze periode, wanneer hij weer vrijkomt. Maar ik durf het niet. In plaats daarvan schrijf ik deze blog. Hij zal hem ooit wel lezen, als hij vrijkomt. Ik hoop dat hij dan opnieuw begonnen is. In een andere omgeving, met andere vrienden en een andere instelling. Je leeft maar één keer, en dat leven moet je niet verspillen in de bak.

Dit artikel verscheen eerder op de weblog van Brenda Stoter

Volg Brenda Stoter op Twitter

Geef een reactie

Laatste reacties (6)