14.769
76

Schrijver

Özcan Akyol (Deventer, 1984) is een Nederlandse schrijver en columnist.
Hij volgde een mavo-opleiding en studeerde later Journalistiek en Nederlands. Met de laatste studie is hij echter direct gestopt toen hij twee contracten bij zijn huidige uitgeverij kreeg. Naast zijn literaire werk publiceert hij onder andere in Hard gras, de Vara Gids, Nieuwe Revu, de Volkskrant, Grazia en Playboy
Eind oktober 2012 verscheen zijn debuut Eus bij Uitgeverij Prometheus.

“Allah, je moeder is een hoer”

Over een stoere jongen met zijn opblaasschaap bij het Champions League-duel van Feyenoord-Beşiktaş

… zat ik in De Kuip tijdens het Champions League-duel van Feyenoord tegen Beşiktaş. Ik heb sympathie voor de club, omdat Rotterdam een mooie stad is, met mensen die hard werken en heerlijk volks zijn, heel anders dan bijvoorbeeld Amsterdam. De wedstrijd begon met een mooie sfeeractie; vuurwerk, vlaggen en een hoop liederen.

Een rij achter mij zat een blonde jongen met een ontbloot bovenlichaam. Hij zwaaide met een opblaasbaar schaap, dat hij speciaal voor deze wedstrijd had meegenomen – de tegenstander kwam immers uit Turkije. Je moet het maar verzinnen. Beşiktaş domineerde de wedstrijd, kreeg een corner en kwam eenvoudig op voorsprong. Toen liet het alom bejubelde legioen zich gelden.

‘Allah, je moeder is een hoer. Allah, je moeder is een hoer’.

De Turkse supporters lieten zich daarentegen niet van hun stuk brengen en dansten onvermoeibaar door, zeer tevreden over het doelpunt dat hun team zojuist had gemaakt. Misschien verstonden ze niet wat er door de Rotterdammers werd gezongen.

De jongen met het opblaasbare schaap ontstak in toorn. Hij blaatte letterlijk zijn ongenoegen, net als een echt dier, terwijl hij het schaap in rondjes boven zijn hoofd liet wapperen als een op de hol geslagen propeller.

Ik keek nog eens om me heen. Volgens mij was ik de enige Turk in mijn vak, in elk geval een van de weinige mensen met mijn achtergrond die liever Feyenoord dan Beşiktaş zag winnen. Maar toen de club uit Istanbul nog een keer scoorde en het legioen een nieuw liedje zong, begon ik te twijfelen of ik wel voor Feyenoord kón zijn.

‘Kankerturken, olé, kankerturken, olé, olé…’

Ondertussen vielen Nederlandse en Turkse fans elkaar aan, althans: voor zover dat mogelijk was met de stevig omheining tussen beide vakken. Er werden over en weer spullen naar elkaar gegooid. De jongen met het schaap keek ernaar en sprak hardop een wens uit: ‘Ik hoop zo erg dat ik straks een Turk zie.’ Hij slingerde weer zijn schaap in de lucht.

Ik vroeg me af wat hij dan zou doen. Wilde hij het schaap lek steken voor de ogen van een Turk? Ik moest ook denken aan onze superieure beschaving, een onderwerp dat de laatste tijd vaak aan bod komt. Was dit nu beschaving?

Toen de scheidsrechter de wedstrijd beëindigde en iedereen in mineur De Kuip verliet, stond ik plotseling per toeval oog in oog met de jongen en zijn schaap. ‘Die smerige Turken. Bah!’ Hij keek me niet aan. Ik vroeg me af of ik onzichtbaar was. We liepen achter elkaar naar de treinen.

In het boemeltje van het stadion naar Rotterdam Centraal maakte hij veel kabaal, nog steeds hield de supporter het schaap pontificaal boven zijn hoofd, in de hoop dat anderen hem zouden toelachen, dat gebeurde ook een paar keer.
Stoere jongen.

In de stationshal moest ik vijfentwintig minuten wachten op mijn trein. Net als Haruki Murakami ging ik op jacht naar het verloren schaap. Het beest stond met zijn baas bij de Döner Company. Toen de jongen, nu in Feyenoord-shirt, aan de beurt was, bestelde hij een broodje.
‘Kip of lam’, vroeg de Turkse medewerker.
‘Dat maakt me geen flikker uit.’
En ik hoopte ondertussen alleen maar dat Feyenoord in Istanbul met 5-0 zou verliezen.

Dit stuk verscheen eerder op de website van Özcan Akyol

Geef een reactie

Laatste reacties (76)