171
18

Onderzoeker fac. Rechtsgeleerdheid EUR

Wouter de Been is sinds 2008 postdoctoraal onderzoeker aan de Faculteit der rechtsgeleerdheid van de Erasmus Universiteit Rotterdam. Sinds 2009 werkt hij hier aan een onderzoeksproject over conflicten in de multireligieuze samenleving. In dit project wordt geprobeerd tot een meer dynamische en open interpretatie te komen van klassieke idealen als neutraliteit, scheiding van de kerk en staat, godsdienstvrijheid, gelijkheid en vrijheid van meningsuiting.

Brave nieuwe wetenschap

Tegenwoordig wordt vooral gesproken over wetenschap als een onmisbaar ingrediënt van de kenniseconomie, niet als hoeder van een culturele traditie of project van intellectuele vorming

Ik sprak onlangs een vrouw die na jarenlang verblijf in het buitenland een terugkeer naar de Nederlandse academische wereld overwoog. De vrouw was duidelijk geschokt over de veranderingen die in de tussentijd hadden plaatsgevonden: de bureaucratisering, de schoolsheid die overheerste en het niveau dat nog van studenten verwacht werd. Het was alsof ze iemand na tientallen jaren weer terugzag die onherkenbaar was veranderd.

Als ik de grote ontwikkeling van de universiteit beschouw van de tijd dat ik ging studeren in de jaren 80 naar de universiteit van nu dan kan ik me wel iets voorstellen bij die ontsteltenis ― de universiteiten zijn verzakelijkt, geprofessionaliseerd, geïnternationaliseerd en voor een bredere cohorte jongeren toegankelijk gemaakt. Daarmee dringt de vraag zich op of al die veranderingen ook een universiteit hebben opgeleverd die toegesneden is op de uitdagingen van vandaag. Laat ik de grote ontwikkeling in een paar trends schetsen.

Wetenschap
Universiteit Leiden | Beeld: Wikipedia

Vorm boven inhoud
Wie de diverse campussen van de Nederlandse universiteiten bezoekt zal de indruk krijgen dat het uitstekend gaat met de academische wereld. Op veel plekken krijgen oude gebouwen een facelift, worden hippe nieuwe complexen geopend, en zijn de ICT-voorzieningen uitstekend. Het is in de wetenschap echter net als in de kunstsector. Het nieuwe Stedelijk Museum in Amsterdam is ook een prachtig gebouw, maar er gebeurt niets interessants meer en het heeft zijn positie als plek waar spannende dingen gebeuren verloren. Het Groninger Museum is beeldschoon, maar ik heb het museum nog niet op een spraakmakende tentoonstelling kunnen betrappen. Tal van gemeenten hebben prachtige theaters neergezet met hun cultuurbudget, maar voor de ontwikkeling van een interessant programma zijn nauwelijks middelen beschikbaar.

De gebouwen dienen vooral een marketingdoel. Het zijn blikvangers, plaatjes voor in een brochure om studenten naar de universiteit te lokken, of bezoekers naar de stad. Voor de inhoud is veel minder aandacht en geld. We hebben in Nederland geen cultuurbeleid, maar een cultuurgebouwenbeleid merkte de overleden NRC-columnist Jan Kuitenbrouwer eens op. We hebben ook geen wetenschapsbeleid, maar een wetenschapsgebouwenbeleid.

Economie boven cultuur
Ooit deden universiteiten aan Bildung, aan intellectuele vorming. In de verzuilde tijd wilden de verschillende gemeenschappen in Nederland op hun universiteiten een eigen seculiere, katholieke, of protestante elite kweken die respect afdwong. Tijdens de Koude Oorlog was een levendige en vrije wetenschap een van de zaken waarmee Westerse democratieën wilden laten zien dat ze cultureel superieur waren aan het communistische alternatief. “Kijk eens,” zo zei men bij wijze van spreken trots, “hoe bij ons in het Westen het wetenschappelijk onderzoek en het vrije intellectuele debat floreren.”

Sinds de val van de muur is de missie van de wetenschap steeds onduidelijker geworden. Tegenwoordig wordt vooral gesproken over wetenschap als een onmisbaar ingrediënt van de kenniseconomie, niet als hoeder van een culturele traditie of project van intellectuele vorming. Docenten worden steeds minder gezien als specialisten die vakkennis overdragen en die studenten scholen in een wetenschappelijke discipline en steeds meer als coaches die studenten algemene vaardigheden aanleren zoals zelfstandig leren en reflecteren op de eigen ontwikkeling. Dit lijkt voort te komen uit de misvatting dat als je studenten maar vrij laat, ze zelf nieuwe en creatieve wegen in zullen slaan. Intellectuele vrijheid en creativiteit zijn echter geen zaken die je bereikt met het achterwege laten van scholing in een wetenschappelijke discipline. Je moet eerst je discipline goed leren beheersen, voordat je er speels en creatief mee om kan gaan.

De financiering van onderzoek draait in toenemende mate om de vraag wat we er eigenlijk economisch en maatschappelijk mee opschieten. Wetenschappelijk onderzoek wordt met andere woorden niet langer beschouwd als doel in zichzelf, maar als middel om te komen tot economische groei, nieuwe producten, en werkgelegenheid. Zelfs als dat je enige doelstelling is voor wetenschap, lijkt me dat een contraproductieve aanpak. Een zekere speelsheid en onbevangenheid is een onmisbaar element van wetenschappelijk onderzoek. Inzichten en nieuwe kennis zijn vaak toevalstreffers in een proces dat vooral gedreven wordt door wetenschappelijke nieuwsgierigheid. Dirigisme vanuit de overheid en het bedrijfsleven zijn zeker geen veelbelovend recept voor succes. De neiging om onderzoek van zijn vrijheid en speelsheid te ontdoen door het in te kaderen, te protocolleren, en constant te onderwerpen aan criteria van direct nut en meetbaar rendement hebben een averechts effect.

Kwantiteit boven kwaliteit
Deze economisering van de universiteit heeft geleid tot het veel bekritiseerde model van outputfinanciering. Wetenschappers en docenten worden “afgerekend” op hun prestaties. Hoeveel publicaties heeft iemand geschreven en in welke bladen? Hoeveel studenten zijn in één keer geslaagd voor het vak dat een docent doceert? En tot slot, hoe evalueerden de studenten de docent? Vaak wordt dit als een vorm van marktwerking beschreven, maar eigenlijk hebben de Nederlandse universiteiten hiermee na de val van de muur het model van de centraal geleide planeconomie nieuw leven ingeblazen.

De prestatienormen nodigen uit tot strategisch gedrag. In de Sovjet Unie werden vroeger in grote hoeveelheden eenvoudige en lichte tractoren geproduceerd als het productiecijfer door Gosplan ― het economische planbureau in Moskou ― in aantallen werd voorgeschreven, maar juist heel zwaar gebouwd met veel staal en in kleine hoeveelheden als het productiecijfer in tonnage werd uitgedrukt. Dat had niets met de behoeften van de landbouw te maken en alles met de noodzaak om de productiedoelstellingen te halen. (De zware tractoren bleken in de praktijk bijvoorbeeld de landbouwgrond in te klinken en leidden tot slechte oogsten.) Op een soortgelijke manier spelen wetenschappers in op de prestatienormen waaraan ze moeten voldoen. Als aantallen publicaties van belang zijn, kunnen onderzoekers hun bevindingen over meerdere artikelen uitsplitsen, in verschillende varianten herhalen, elkaar als coauteurs opnemen. Als studenten je aan het eind van een cursus als tevreden consumenten positief moeten evalueren, moet je het vooral leuk houden en niet te streng en veeleisend zijn.

Bureaucratische braafheid boven verbeelding
De academische habitat die met dit systeem in het leven wordt geroepen is er niet een waarin excentriekelingen, non-conformisten en intellectuele buitenbeentjes goed gedijen. Af en toe vraag ik me af hoe het onbetwiste grootheden in mijn vakgebied zou vergaan als ze nu in Nederland wetenschappers zouden willen worden. Ludwig Wittgenstein is een van de grootste filosofen van de 20e eeuw, maar hij publiceerde tijdens zijn leven slechts één kort boekje, één artikel, en één boekbespreking. Jarenlang verdween hij uit beeld en werkte hij als tuinman en leraar op een lagere school. Tijdgenoten beschrijven hem als een hele merkwaardige, intense man die moeilijk uit zijn woorden kon komen. Niettemin werd hij professor in Cambridge. Zijn collegeaantekeningen ― bespiegelingen over de aard van taal ― houden al verschillende generaties wetenschappers bezig in een hele reeks vakgebieden.

De kans dat iemand als Wittgenstein vandaag in Nederland nog hoogleraar wordt, is nihil. Wat voor evaluaties zouden de studenten hem geven? De Amerikaanse antropoloog David Graeber merkte een tijd terug op dat de universiteit ooit een plek was voor “odd balls,” voor rare vogels zoals Wittgenstein, maar dat je nu een academische carrière op je buik kan schrijven als je je niet gedraagt als een professionele manager. Dat geld ook voor Nederland. Universiteiten zijn historisch vaak plekken waar nieuwe ideeën bruisen en veranderingen in gang worden gezet. De onderzoeksfondsen roepen wetenschappers ook nog steeds op tot grensverleggend onderzoek, maar de professionalisering en bureaucratisering van de universiteiten smoren dwarsdenkerij en eigenaardigheid.

Passiviteit boven roerigheid
Historisch spelen universiteiten een belangrijke rol in het verbeelden van alternatieven, in het omdenken van vastgelopen werkwijzen en in het ontketenen van energie voor maatschappelijke verandering. De academische wereld zou een van de plekken moeten zijn waar nieuwe inzichten gisten voor een wereld die economisch niet meer werkt voor grote groepen burgers, die aanloopt tegen de ecologische grenzen van de groei, die duurzame alternatieven moet invoeren voor fossiele brandstoffen en die politiek en bestuurlijk kraakt in haar voegen. Voor een effectieve invulling van deze rol is de huidige universiteit echter te braaf geworden.

Geef een reactie

Laatste reacties (18)