320
2

Medewerker rijksoverheid

Geboren en getogen in een troosteloze gemeente in de Oostelijke Mijnstreek. Na, of door, twee jaar fabrieksarbeid overtuigd van de meerwaarde van een universitaire opleiding, Nederlands recht gestudeerd. Via de route Middelburg, Rotterdam en Utrecht weer afgedaald naar, en thans wonend in, Den Bosch. Daar verdient hij ook zijn boterham, in dienst van de Rijksoverheid. In zijn vrije tijd wordt hij steeds meer bezocht door de behoefte zijn gedachten via het toetsenbord te verwoorden.

De blik van een opgezet ijsvogeltje

Ze herinnert me er niet alleen aan dat ik sterfelijk ben, ze doet me beseffen dat ik in zekere zin meer sterfelijk ben dan zij

Voor me, rechts van het beeldscherm, staat een ijsvogeltje. Opgezet. Op een takje.
Het is een vrouwtje. Dat heeft de preparateur me uitgelegd. Je kunt het zien aan de onderkant van de verder zwarte snavel. Die heeft bij een vrouwtjesijsvogel een oranje streep. Dat maakt ze nét iets mooier dan de mannetjes; hún snavel is enkel zwart.

Mijn vriendin heeft haar gevonden. Op een zondagochtend, vorige winter. De periode met strenge vorst was net begonnen. Ze lag in de tuin op het terras, het ijsvogeltje. Tussen de dichtgevroren vijver en de werkplaats. We vermoeden dat ze tegen het raam van de werkplaats is gevlogen. Glas is hard. Schuldgevoel ook. Het was ons raam, ons glas. Zonder een sticker met een vliegende roofvogel. Zo’n sticker had dit kunnen voorkomen. Maar nog nooit hadden we op die plek een dode vogel gevonden. Vandaar, geen sticker.

En nu dus een ijsvogeltje. Misschien wel de mooiste in Nederland voorkomende vogel. 

Zeldzaam ook.

Maar het was de schoonheid, niet de zeldzaamheid van het diertje dat me er toe bracht haar op te laten zetten. Te mooi om in de Kliko te gooien. Er speelde ook iets van berouw.

Nu staat ze dus rechts van mijn beeldscherm. 

Het licht van mijn bureaulamp valt op dit moment zijdelings op haar. Haar ogen zijn vervangen door een soort kraaltjes. Speciale kraaltjes die op ogen lijken, waardoor het toch lijkt alsof ze me aankijkt. Haar blik, die eigenlijk geen blik genoemd kan worden, maakt me klein. 

Omdat het geen echte blik is, weet ik dat ik het ben die er in legt wat ik er in denk te lezen. Dat gaat vaak zo met blikken. Weerspiegeling.

Ze herinnert me er niet alleen aan dat ik sterfelijk ben. Ze doet me beseffen dat ik in zekere zin meer sterfelijk ben dan zij. Want als mijn vriendin en ik er niet meer zijn, er niets meer van ons over is, zal zij nog op een bureau staan. Of op een tafel, een kast. In een vreemd huis. 

Wie haar gevonden heeft, weet dan ook niemand meer.

Vannacht pak ik mijn vriendin extra stevig vast.

Geef een reactie

Laatste reacties (2)