1.214
10

Schrijver

Caspar Visser ‘t Hooft is de auteur van de romans Koningskinderen (IJzer,
2010), Feniksbloem (IJzer, 2012) en Waldenberg (IJzer, 2014). Caspar Visser 't Hooft woont en werkt in Frankrijk.

De blindheid en minachting van onze regering

De regering is blind voor het politiek bewustzijn van de burger: we zijn niet alléén maar egoïsten

In Frankrijk, net zo goed als in Nederland, hebben bij de gemeenteraadsverkiezingen van de afgelopen maand maart de regeringspartijen een flinke dreun moeten incasseren. Hoe je het ook wendt of keert, de historisch lage score van de lokale socialistische lijsten is een teken van onvrede met de politiek van François Hollande en zijn regering.

En in Nederland geldt hetzelfde waar het gaat om de VVD en de PvdA. Hoe reageren de regeerders? Ze zeggen: Tja, dat heb je wanneer je het vuile werk moet opknappen. Ze nemen de pose aan van slachtoffers. Onze bezuinigingspolitiek zonder welke we de crisis niet te boven komen (beweren ze), maakt ons impopulair. Dat hebben we altijd geweten.

Toegegeven, een regering heeft zich niet te laten leiden door de waan van de dag. Een vaste koers volgen, is een politieke deugd. Toch is die martelaarshouding van onze regeringen misplaatst. Waarom? Omdat het ongenoegen van zo veel mensen niet alleen voortkomt uit de concrete verliezen die de bezuinigingsmaatregelen met zich meebrengen, maar ook (en misschien vooral) uit het gevoel van bedrogen uit te komen. In Frankrijk is dit heel duidelijk het geval. Tussen de beloften van president Hollande en zijn extreem liberale economische politiek ligt een heelal van verschil. Wie herinnert zich niet die stoere uitspraak van hem: “De financiële wereld is mijn vijand”? In Nederland liggen in die zin de dingen anders dat niemand van de VVD anders had verwacht dan wat ze doen. Maar wie op de PvdA stemde, heeft daar tot nu toe niets van gemerkt. Het tegenwicht dat deze partij de VVD biedt is te licht.

Zoals de waard is vertrouwt hij zijn gasten
En dit zouden de regeringen, na de klap die ze hebben ontvangen, toe mogen geven: we zijn onze beloften niet nagekomen, we zien de afkeuring die jullie uitspreken als een aanzet om erop terug te komen. Maar nee, dat doen ze niet. Ze interpreteren onze houding als enkel voortkomend uit eigenbelang. Iedereen komt op voor zijn eigen hachje, begint te schreeuwen wanneer er wat ingeleverd moet worden. Wij zien de dingen globaal, wij houden stand, later zal de mensheid ons dankbaar zijn. Dit is onuitstaanbaar: de burgers in hun politiek handelen te reduceren tot losse atomen die geen oog zouden hebben voor het algemeen belang. Het heeft iets weg van “zoals de waard is vertrouwt hij zijn gasten”.

Maar hoe kan het ook anders? Regeringen die zich volkomen aan het liberale dogma onderwerpen, wat zouden ze de burgers anders dan egoïsme toe kunnen schrijven? Dit dogma is gebaseerd op de gedachte dat alleen het egoïsme de mensen drijft. En dat dit goed is, zo (de “onzichtbare hand” zal ervoor zorgen dat door het mechanisme van de vrije concurrentie uit het egoïsme van de enkelingen een harmonisch evenwicht ontstaat). Deze regeringen zijn in wezen blind voor het politiek bewustzijn van de burger: ze kunnen wel degelijk voor zaken staan die hun eigenbelang overstijgen, ze zijn niet alléén maar egoïsten. Om deze blindheid hebben we onze regeringen gedesavoueerd. Om hun minachting. En – ja, om hun loze beloften. Om het niet nakomen van de belofte een andere koers te volgen.

Minachting voor de democratie
Onze regeerders, onderworpen als ze zijn aan dit liberale dogma, geloven niet in de “homo politicus”. Ze hebben geen plezier in het politieke debat. Want de democratie is iets waar je plezier in moet hebben. Een regering heeft dit plezier uit te stralen, door een (wat mij betreft) enigszins paternalistisch opvoedende houding. De burgers hebben het nodig telkens weer aan hun verantwoordelijkheid te worden herinnerd. Een regering heeft ervan uit te gaan dat de burgers dit ook, ten diepste, verwachten. Maar wanneer je hen enkel als egoïstische consumenten beschouwt, en je hen zelfs, vanuit ideologische overwegingen, in die houding aanmoedigt, ondergraaf je de democratie. De regering wordt een lichaam van technocraten dat het spel van de vrije, op concurrentie gebaseerde markt waarborgt, dat voor de rest met geld schuift: nu eens een kleine toegift hier, dan een kleine stimulans daar. En dat is alles.

Werkelijk democratische politiek is meer dan alleen maar beslissen aan wie geld wordt gegeven en aan wie niet, het doet appèl op de burgerzin van de burgers en stelt de vraag, telkens opnieuw (!): welke maatschappij willen we samen opbouwen in de wereld waarin we vandaag leven, op ons kwetsbare stukje aarde? Voor wie het heil verwacht van een kil mechanisme, dat wil zeggen het spel van de concurrentie dat vrije markt wordt genoemd, kan de democratie niet anders dan een noodzakelijk kwaad zijn. Het steekt spaken in het wiel van de machine. En niet alleen een noodzakelijk kwaad, ook een farce. Geloof in de heilzame werking van het kille mechanisme veronderstelt een mensbeeld, namelijk dat van de egoïst, de mens als atoom. En van een verzameling egoïsten, losse atomen kun je geen werkelijk democratisch debat verwachten, en zonder debat over essentiële zaken die het eigenbelang van de enkeling overstijgen, wordt een democratie een schijndemocratie. Ja, daar wringt hem de schoen: onze regeerders minachten de democratie, minachten de burgers. Daarom kregen ze bij de afgelopen gemeenteraadsverkiezingen een dreun. En nog begrijpen ze niet waarom…

Afleidingslinks
In Frankrijk hebben de socialisten hun extreem liberale politiek – volkomen in het verlengde van de politiek van Sarkozy – proberen te verdoezelen door zich ‘links’ te tonen waar het gaat om een kwestie als het homohuwelijk. De Franse filosoof Jean-Claude Michéa wijst er op hoe een “cultureel links”, dat zich door stelselmatige steun aan emancipatiebewegingen (proabortus, pro-euthanasie, prohomohuwelijk enzovoort) en minderheidsgroepen kenmerkt, vaak samengaat met een liberale stellingname op economisch gebied. Hij ziet dit “culturele links” als voortkomend uit het verlichtingsdenken van de 18e eeuw. De Franse revolutie was geen socialistische revolutie maar een revolutie van bourgeois, die erop uit waren zich uit de greep van de feodaliteit en de kerkelijke macht (van wat er van over was) te emanciperen, en dat met het oog op de vestiging van een liberaal systeem gebaseerd op privébezit, vrij ondernemen en het nastreven van eigenbelang. Individuele vrijheid is het grote woord, wat zich in steeds sterkere mate ging vertalen in keuzevrijheid op ethisch en levensbeschouwelijk vlak en sympathie voor emancipatiebewegingen (die de schaal van keuzes vergroten). Tegenover de restauratieve krachten die na de revolutie hun kop weer op kwamen steken (kerk, monarchie, adel), bleven de liberalen zich “links” noemen, maar ze hadden in wezen niets met het socialisme te maken, dat pas van na de revolutie dateert en voortkwam uit een kritiek op de verpaupering en ellende die juist het liberale bestel teweegbracht.

Het socialisme werd sindsdien gekenmerkt door voornamelijk standpunten op sociaal-economisch terrein. De afgelopen dertig jaar is de grens tussen het “culturele” links van de liberale bourgeois (in Frankrijk worden ze “bobos” genoemd, van “bourgeois bohémiens”) en het socialisme vervaagd. En hieraan schrijft Michéa de huidige verwarring van veel mensen toe die op socialistische kandidaten stemmen. Op wie stemmen ze eigenlijk? Op het “culturele” links van de liberale bobos, of op het links van de socialisten, dat wil zeggen van hen die voor sociale gerechtigheid en eerlijke verdeling staan? Maar ze komen er geleidelijk achter: de socialistische partij is niet socialistisch meer, maar “cultureel links” – en liberaal, extreem liberaal. Ook dit is een reden waarom de partij van president Hollande zo’n harde klap heeft moeten incasseren. Ze zijn niet wat ze zich noemen. Is deze tendens ook in Nederland waarneembaar? De D66 was natuurlijk altijd al de partij van het “culturele” links. En de PvdA – wat is het eigenlijk?

Hoe dan ook, het wordt tijd de dingen weer scherp te stellen. Zodat we weer onderscheid kunnen maken tussen twee linksen – het een liberaal, het ander sociaal – en we ons niet meer in de luren laten leggen door een links dat door zich bezig te houden met bepaalde cultureel-maatschappelijke kwesties – met name emancipatiebewegingen – die weinig kosten, onze aandacht probeert af te leiden van zaken die veel meer mensen betreffen, maar die meer moed vereisen willen we ze veranderen. Ik noem dat “afleidingslinks”. Hiermee is niets tegen het fenomeen emancipatie gezegd (dat is een ander debat), maar het mag niet als afleidingsmanoeuvre worden gebruikt.

Dit artikel staat ook op de website van Caspar


Laatste publicatie van Caspar Visser 't Hooft

  • Frankrijk in 50 klanken

    Verhalen

    2018


Geef een reactie

Laatste reacties (10)