1.540
14

Politiek historicus

Ewout Klei (1981) is historicus en heeft zich gespecialiseerd in de contemporaine politieke geschiedenis.

De emancipatie van de SGP

De partij die nu het dichtst bij de SGP staat, is de PVV. Beide partijen zijn anti-links, anti-islam en pro-Israël.

In de meidagen van 2011 verwierven de staatkundig-gereformeerde mannenbroeders een politieke sleutelpositie, toen VVD, CDA en officiële gedoogpartner PVV hun meerderheid in de senaat verloren en afhankelijk werden van de officieuze gedoogsteun van de SGP. Veel reacties hierop in de media waren even voorspelbaar als fel. De streng-christelijke partij zou fundamentalistisch zijn, en in wezen niet verschillen van de Taliban in Afghanistan. De domeinnaam www.poldertaliban.nl werd geclaimd door Alexander Klöpping, vaste gast in De Wereld Draait Door, die deze URL meteen doorlinkte naar de homepage van de SGP.

Veel politici daarentegen reageerden realistischer. Zij realiseerden zich heel goed, dat de kleine SGP in haar eentje niet vier decennia van secularisatie kon terugdraaien, maar begrepen dat het spookbeeld van  Staphorst een stok was om de VVD mee te slaan. Vooral D66 liet het niet na de VVD verloochening van liberale principes te verwijten, met als achterliggende boodschap natuurlijk dat de echte liberalen bij D66 moesten zijn. 

In plaats van heel verontwaardigd te zijn en in de slachtofferrol te kruipen, wilde de SGP de aanvallen met humor pareren. Menno de Bruyne, al meer dan een kwart eeuw persvoorlichter van de Tweede Kamerfractie van de SGP, slingerde enkele tweets met zijn Blackberry de wereld in: 

In verband met de nieuwe politieke verhoudingen is de SGP voortaan ook te bereiken onder www.poldertaliban.nl

 Om te voorkomen dat het beeld van de SGP te ver af komt te staan van de werkelijkheid, overwegen de SGP-kamerleden hun baard te laten staan.

Vandaag bespreekt de ministerraad het nog geheime voorstel van de SGP dat heel Nederland de biblebelt moet aanhalen. #SGPinvloed

Ook de SGP-jongeren probeerden ludiek te zijn. Zij trokken en masse naar de Jaarbeurs te Utrecht, waar D66 een partijcongres hield, en schonken bij de ingang oranjebitter. De boodschap was duidelijk:  SGP’ers waren echt geen fundamentalisten, en hoorden helemaal bij Nederland. 

De VVD, die afhankelijk was geworden van steun van de SGP, sprong voor de kleine partij in de bres. VVD-coryfee Hans Wiegel noteerde in zijn column in De Pers dat de SGP altijd een constructieve houding innam, VVD-premier Mark Rutte zei eerder al dat de SGP een hele gezellige club mensen is en in december 2011 wijdde Liberaal Réveil, het orgaan van het wetenschappelijk bureau van de VVD, zelfs een speciaal themanummer aan de SGP-gedoogsteun. Dit themanummer bevatte onder andere een artikel van SGP-leider Kees van der Staaij, die daarin de ‘echte liberalen’ (hiermee bedoelde Van der Staaij VVD’ers, niet D66’ers) prees om hun ‘tolerantie’ tegenover ‘minderheden’ (hiermee bedoelde Van der Staaij orthodoxe protestanten, niet moslims). De VVD bleef investeren in een goede band met de SGP. Op 10 maart 2012 trad Mark Rutte op als hoofdspreker tijdens de SGP-jongerendag in Utrecht en oogstte een daverend applaus met zijn speech, waarin hij beweerde dat VVD en SGP dichter bij elkaar staan dan VVD en SP. 

Nederland verandert dankzij de officieuze gedoogsteun van de SGP niet plotseling in Poldertalibanland. Seculiere verworvenheden als abortus, euthanasie en het homohuwelijk staan niet op de tocht. De ChristenUnie heeft in de periode 2007-2010 als coalitiepartner op het orthodox-christelijke vlak niets bereikt. Het zal de SGP als gedoogpartij niet anders vergaan. Hooguit houdt de partij bepaalde wetgeving tijdelijk tegen. Voor D66 is dat even zuur (of juist niet omdat D66 de VVD nu heerlijk kan bekritiseren als ‘niet meer liberaal’), maar op langere termijn valt het allemaal reuze mee. Wat wel verandert door de SGP-gedoogsteun is die partij zélf. Ze ondergaat een ware metamorfose. Hoe ontwikkelde de SGP zich vanaf haar oprichting tot nu? En wat is er nu radicaal anders geworden?

Preekstoel

De SGP was in 1918 opgericht om de ‘bevindelijk-gereformeerden’ – ultraorthodoxe protestanten – van een stem te voorzien. Vanwege het in 1918 ingevoerde kiesstelsel van evenredige vertegenwoordiging, kon een kleine partij als de SGP ook in het parlement worden verkozen. Predikant G.H. Kersten, die van 1922 tot 1948 de SGP in de Tweede Kamer zou voorzitten, waarschuwde in felle bewoordingen tegen het Roomse gevaar. Hij speelde de rol van het orthodoxe geweten van de Antirevolutionaire Partij, één van de voorlopers van het CDA. De SGP, die altijd met twee of drie zetels in de Tweede Kamer vertegenwoordigd is, ademt continuïteit uit. Niet alleen het aantal zetels, maar ook de standpunten van de SGP lijken voor de buitenstaander constant te blijven.

Andere partijen namen de SGP niet serieus. Als Kersten sprak, gingen de andere Kamerleden aan de koffie en stond de SGP-leider voor een lege zaal. De SGP-stemmers vonden het best, politiek interesseerde ze toch weinig. Politiek bedrijven was voor hen getuigen vanaf de zijlijn. De eerste leidsmannen van de SGP beschouwden het spreekgestoelte in het parlement vooral als preekstoel.

Volgens de Italiaanse politicoloog Giovanni Sartori zijn alle politieke partijen, hoe klein en marginaal ook, relevant voor het politieke machtsspel. Hoewel de SGP-woordvoerders niet serieus werden genomen, was de partij in 1925 zeer relevant, toen het eerste kabinet-Colijn viel over het gezantschap bij de paus. De motie van SGP-leider Kersten werd uit opportunistische redenen gesteund door de socialisten en liberalen, die daarmee het kabinet een pootje wilden lichten. De hervormde Christelijk-Historische Unie steunde de motie ook, omdat deze regeringspartij bang was dat haar antikatholieke achterban anders zou weglopen. Kersten, die zijn motie bedoelde als een profetisch getuigenis, had niet verwacht dat hij zo veel succes zou hebben.   

De SGP streefde een theocratisch ideaal na. Dit betekende in de SGP-optiek overigens niet dat kerk en staat moeten worden vermengd. De SGP was niet voor een kerkstaat en ook niet voor een staatskerk. Kerk en staat moesten niet worden gescheiden, maar wel worden onderscheiden. De overheid moest volgens de SGP een christelijke overheid zijn. Belangrijk in dit verband was het vasthouden aan het onverkorte artikel 36 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis, dus ook aan de omstreden passage ‘om te weren en uit te roeien alle afgoderij en valsen godsdienst, om het rijk des antichrists te gronde te werpen’. SGP’ers waren om deze reden tegen de vrijheid van godsdienst. De vrijheid van geweten werd daarentegen geaccepteerd. Vervolging van andersgelovigen werd door de SGP niet gepromoot, maar het relativistische idee dat alle religies gelijk zijn en door de overheid gelijk dienen te worden behandeld, werd door de SGP fel bestreden. 

Andere typische kenmerken van de SGP waren nationalisme, afwijzing van stemplicht en vrouwenkiesrecht en het verzet tegen aanpassing aan de tijdgeest in het algemeen. In haar afwijzing van het vrouwenkiesrecht stond de SGP in het interbellum overigens niet alleen. Ook de ARP wilde dit terugdraaien. Volgens de SGP had de overheid op moreel gebied een taak, maar mocht ze zich niet met de economie bemoeien. De SGP was tegen sociale verzekeringswetten en vaccinatiedwang. De partij verzette zich in de jaren dertig hevig tegen de crisiswetten en kwam sterk op voor de boeren en middenstanders. Volgens partijbiograaf Wim Fieret toonde de SGP zich hiermee een belangenpartij.  

Kersten beschouwde de Duitse overheid als het door God aangestelde wettige gezag, waaraan men zich gehoorzaam aan diende te onderwerpen. Hij riep niet op tot verzet, maar tot gebed en verootmoediging. Kersten wilde dat de uitgeverij van zijn partijblad De Banier (in familie-eigendom) de oorlog zou overleven en knoopte daarom contacten met de Duitsers aan. Dit had tot gevolg dat de Commissie Zuivering Staten-Generaal hem na de oorlog de toegang tot de Tweede Kamer ontzegde De SGP geloofde echter heilig in de onschuld van haar leider.  Na het proefschrift van Fieret uit 1990 zou de SGP haar standpunt hierover voorzichtig herzien. 

De predikant Kersten werd als leider opgevolgd door de predikant Pieter Zandt, die nu vooral voortleeft als de naamgever van de bevindelijk-gereformeerde scholengemeenschap in Kampen. Zandt was minder fel dan Kersten en had last van spreekangst. Hij beklaagde zich vaak over het verval van Nederland en greep terug op het mythische calvinistisch Nederland van de zeventiende eeuw. Ook waarschuwde Zandt dikwijls tegen het wereldkatholicisme en pleitte hij voor de herinvoering van de doodstraf. Zandt was zo gezichtsbepalend voor de SGP, dat er vijf jaar na zijn overlijden in 1961 nog een journalist was die hem wilde interviewen. Na zijn dood liet Zandt een slecht georganiseerde partij achter. 

In het naoorlogse Nederland was de SGP de enige partij in het parlement die stemde tegen de toetreding tot de Verenigde Naties in 1945, het verdrag van Rome in 1950 (EEG) en de protocollen van Parijs in 1952 (NAVO). De SGP was beducht voor supranationale organisaties omdat die de nationale identiteit van Nederland zouden bedreigen, die door het protestantisme gevormd zou zijn. De partij verzette zich daarnaast tegen de groeiende macht van de centrale overheid, met name tegen het Landbouwschap. In de jaren zestig kreeg de SGP concurrentie daarom van de Boerenpartij, die vooral de minder trouwe SGP-kiezers aantrok. Maar ook in andere kwesties voelde de SGP zich bedreigd door de centrale overheid. Dorpen in de zogenoemde Bible Belt met een SGP-meerderheid wilden het zwembad op zondag sluiten, maar werden door de rijksoverheid overruled. Theocratie op gemeentelijk niveau werd, zeker vanaf de jaren zestig, steeds onbereikbaarder. 

De zwak georganiseerde SGP kwam in de jaren zestig en zeventig in woelige wateren. Er woedde een interne strijd tussen behouders en vernieuwers. De vernieuwers wilden dat de SGP een wat politieker en jonger gezicht kreeg. Ouderen en dominees domineerden de partij. Op SGP-bijeenkomsten werd er niet echt over politiek gesproken, maar vooral gepreekt. De vernieuwers probeerden via voorkeurstemmen enkele ‘progressieve’ SGP’ers hoger op de lijst te zetten. Dit was zeer ongebruikelijk, omdat de SGP-achterban bekend stond als volgzaam en zeer gezagsgetrouw. De hervormde predikant H.G. Abma – die van 1963 tot 1981 in de Tweede Kamer zat en van 1961 tot 1985 voorzitter van de SGP was – behoorde ook tot de vernieuwende vleugel. Hij probeerde de SGP een wat vriendelijker gezicht te geven – wat minder hel en verdoemenis – en zich losmaken uit het isolement waarin de partij verkeerde. Bij Kersten draaide het om de bevindelijk gereformeerden als een aparte uitverkoren geloofsgroep, die door de boze buitenwereld werd bedreigd. Abma werkte samen met de andere orthodox-protestantse partij in het Nederlandse parlement, het Gereformeerd Politiek Verbond. In 1980 diende hij samen met GPV’er dr. A.J. Verbrugh een – overigens kansloos – initiatiefwetsvoorstel in, dat beoogde abortus absoluut te verbieden. De rekkelijke Abma stuitte echter op grote oppositie en moest het veld ruimen. 

In 1981 kwam ir. B.J. van der Vlies in de Tweede Kamer, die in 1986 fractievoorzitter werd. Hij behoorde weer tot de behoudende vleugel van de partij, hoewel zijn parlementaire optreden zeer zakelijk was. Voor de meest behoudende groep binnen de SGP, verenigd in de Landelijke Stichting ter Bevordering van de Staatkundig Gereformeerde Beginselen die het blad In het spoor uitgeeft, week de SGP onder leiding van Van der Vlies dan ook af van het enige ware spoor van Kersten en Zandt.  De verzakelijking leidde ook tot meer waardering van de kant van de buitenwacht.  Al vond men de SGP-standpunten over theocratie, homoseksualiteit en vrouwenemancipatie maar zozo, buitenstaanders waardeerden Van der Vlies – het afgelopen decennium de nestor van de Tweede Kamer – om diens constructieve politieke opstelling en diens pleidooi voor parlementair fatsoen. Ria Beckers van GroenLinks noemde Van der Vlies ooit ‘een schatje met een hoog knuffelgehalte’.

Barricaden
SGP’ers hadden altijd al het gevoel gehad, vreemdelingen te zijn in eigen land, maar dit gevoel werd in de jaren negentig heel sterk, toen de paarse kabinetten Kok-I en II Nederland regeerden. Met name de legalisatie in 2001 van het homohuwelijk en de euthanasie, door de SGP te vuur en te zwaard bestreden, was een zware nederlaag. De politici van SGP en ChristenUnie protesteerden fel, maar met hun bezwaren werd in het debat nauwelijks rekening gehouden en ze werden bovendien van intolerantie beschuldigd. Toen de centrale overheid tijdens de MKZ-crisis dat jaar ook nog eens besloot om zo’n 200 bedrijven in de buurt van het Gelderse dorp Kootwijkerbroek te ruimen, was de maat vol. Boze boeren hielden de ruimingsploegen van de Rijksdienst voor keuring van Vee en Vlees (RVV) tegen en raakten slaags met de ME.  Maar in plaats van dat de SGP net als in de Tweede Wereldoorlog het overheidsgezag verdedigde en opriep tot verootmoediging en gebed, sprong de strijdbaar geworden partij nu voor de boeren op de bres. 

Naar aanleiding van de rellen filosofeerde SGP-senator Gerrit Holdijk over het zogenaamde ‘recht van opstand’.  In de zestiende eeuw had Calvijn hierover een theorie ontwikkeld, waardoor gezagsgetrouwe gereformeerden zonder gewetensbezwaren zich tegen een ‘antichristelijke’ overheid konden verzetten. De paapse tirannie van de zestiende eeuw was een paarse tirannie geworden. Het feit dat de paarse kabinetten democratisch tot stand waren gekomen en  calvinisten niet naar de brandstapel werden gebracht maar in alle vrijheid hun godsdienst konden belijden, deed daar niets aan af. 

De paarse kabinetten hebben voor een cultuuromslag bij de SGP gezorgd. SGP’ers klommen een voor een de preekstoel af, en gingen de barricaden op. Het profetische getuigenis in de Kamer was onvruchtbaar gebleken, voor politieke successen moest echt geknokt worden. De weg van het isolement was een doodlopende. Politieke journalist Bart Jan Spruyt van het aan de SGP verbonden Reformatorisch Dagblad richtte in 2000 de Edmund Burke stichting op, een denktank die christelijke en niet-christelijke conservatieve krachten wilde bundelen tegen de paarse en progressieve dominantie. Vooral onder SGP-jongeren sloeg Spruyt aan. Zij gingen zich conservatief of christelijk-conservatief noemen en namen ook Spruyts polemische stijl over. 

Nestor Van der Vlies was de knuffelbeer van de Tweede Kamer. De SGP van nu lijkt hier in de verste verte niet meer op, behalve misschien op Lotso, de roze beer uit de Pixar-animatiefilm ‘Toy Story 3′ die anderen met zijn trauma’s en zwart-witte wereldbeeld wil opzadelen. De SGP van nu zit vol rechts ressentiment. De nieuwe generatie vernieuwers wil niet alleen dat de partij weer wat politieker en jonger wordt, maar wil de SGP het liefst omvormen tot een christelijk-conservatieve partij, die de strijd moet aangaan met links, liberaal en islamitisch Nederland.

De identiteit van de SGP was natuurlijk altijd al christelijk en conservatief. Het christelijke element was lange tijd dominant, maar dankzij Spruyt en de SGP-jongeren nu krijgt het conservatisme de overhand. Weg met het machteloze getuigenispartijtje, leve het kloppend hart van het conservatieve verzet tegen de linkse jaren zestig en de paarse, seculiere jaren negentig. Nu Nederland als gevolg van de populistische Pim Fortuyn en de polariserende Geert Wilders enorm is verrechtst, ziet de nieuwe generatie SGP’ers haar kans schoon. Zij zijn zich zeer bewust van de nieuwe machtspositie van hun partij in het politieke spel.

Bij nieuwe tijden hoort een nieuw vijandsbeeld. Tot ver in de jaren zestig was de grote tegenstrever van de SGP Rome en alles wat katholiek was, nu hebben de progressieve partijen en vooral de islam die rol overgenomen. Met de komst van nieuwe vijanden heeft de SGP andere allianties nodig. Van de weeromstuit kunnen SGP’ers samenwerken met oude vijanden. 

Conservatieve katholieken zijn plotseling bondgenoten geworden. Toen begin 2010 verscheidene vooruitstrevende katholieken én PvdA-voorzitter Lilianne Ploumen protesteerden tegen een behoudende priester die homoseksuelen de hostie weigerde, sprong niet het CDA maar de SGP meteen voor hem in de bres. De godsdienstvrijheid zou door agressieve seculieren worden bedreigd. Ook Mariska Orbán, hoofdredacteur van het orthodoxe Katholiek Nieuwsblad en onorthodox bestrijder van abortus provocatus, is een bondgenoot. Ze was eregast op Refo500, het door de christelijk-gereformeerde Theologische Universiteit van Apeldoorn tien jaar durende festijn ter herdenking van de Reformatie van 1517. Ten slotte is de SGP erg gecharmeerd van Amanda Kluveld. Deze voormalig vrijzinnige vrouw heeft zich mede dankzij haar contacten met Spruyt tot het conservatieve christendom bekeerd. Als een ware bekeerlinge is ze gepassioneerd en fel. In de Volkskrant schrijft ze niet alleen over het lijden en sterven van vervolgde christenen in het buitenland, maar bovendien haalt ze hard uit naar moslims, die bij haar ‘toevallig’ altijd de vervolgers zijn. Begin 2012 heeft ze van de Guido de Brès Stichting, het wetenschappelijk instituut van de SGP, een beurs gekregen, om een onderzoek naar christenvervolging en godsdienstvrijheid te doen.  

Met oude bondgenoten loopt de samenwerking stroever. De ChristenUnie, lange tijd de beste politieke vriend van de SGP, werd tijdens de Eerste Kamerverkiezingen van mei 2011 onbarmhartig gedumpt. De SGP had liever een sleutelrol in de senaat, dan dat de kleine christelijke partijen er een zeteltje bij kregen. De ChristenUnie is bovendien in de ogen van SGP’ers veel te links. Nu ‘rooie’ André Rouvoet echter plaats heeft gemaakt voor de kleurloze Arie Slob en het ideologische debat in de ChristenUnie wordt beheerst door de islamkritische Gert-Jan Segers, is hernieuwde samenwerking in de toekomst echter beslist niet uitgesloten. 

De partij die nu het dichtst bij de SGP staat, is de PVV. Beide partijen zijn anti-links, anti-islam en pro-Israël. Kees van der Staaij, die Bas van der Vlies in 2010 heeft opgevolgd als partijleider, was de eerste politicus die Geert Wilders openlijk zijn steun aanbood voor een nieuw te vormen kabinet. De SGP wilde meteen een VVD-PVV-CDA-kabinet, terwijl het CDA hier erg over liep te twijfelen en Mark Rutte ook ‘paars plus’ wilde uitproberen. Deze Een jaar eerder had de SGP bij monde van Van der Staaij een anti-minarettenmotie verdedigd. Islamitische minaretten zouden, in tegenstelling tot christelijke kerktorens, niet passen bij het Nederlandse landschap, ‘vervreemd werken’ en de ‘Nederlandse identiteit’ aantasten. Dat Van der Staaij zich beriep op de ‘Nederlandse identiteit’ en niet op artikel 36 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis is opvallend en veelzeggend. Niet een calvinistische theocratie maar een christelijk nationalisme is troef. Niettemin houdt de SGP toch enige afstand tot de PVV, die ondanks haar conservatieve imago ook enkele liberale standpunten heeft. De PVV staat pal voor de rechten van homo’s en lesbiennes, iets waar een rechtgeaarde SGP’er alleen maar van kan gruwen.

Vroeger was de SGP isolationistisch en defensief, de SGP van nu is opener en offensiever. Vooral bij de SGP-jongeren merk je de cultuuromslag. De SGP telt nu de grootste politieke jongerenorganisatie van het land, en deze jongeren zijn mondiger dan ooit. Omdat bevindelijk-gereformeerde dominees wel de televisie maar niet het internet in de ban hebben gedaan, zitten veel SGP-jongeren (en ook steeds meer ouderen) op twitter, alwaar ze zich – al dan niet met open vizier –  in volle geestelijke wapenuitrusting  (Efeze 6:10-18) op de islamitische en vrijzinnige vijanden storten. Toen er in februari 2012 De Balie in Amsterdam een debat werd georganiseerd met de radicale imam Al-Haddad, twitterde Wouter van de Berg, lid van het landelijk bestuur van de SGPJ: “De imam gaat zo vertellen dat hij D66 stemt. #debalie”.  

Behalve aan twitter doen SGP-jongeren mee aan forums en aan Facebook. Ze spuien hierop niet alleen hun mening, maar vormen  tevens eigen virtuele gemeenschappen. Deze communities zijn soms alleen gericht op de eigen zuil zoals Refoweb, maar er bestaan ook bredere (christelijk-)conservatieve gemeenschappen als BitterLemon (inmiddels ter ziele), De Dagelijkse Standaard, de Dutch Teaparty, en Politant. Naast virtuele communities ontstaan er ook echte. SGP’er Wilco Boender, beter bekend onder zijn bloggerpseudoniem ConservatieForever, is één van de oprichters van het Conservatief Café (samen met CDJA’er Rutger Schimmel en de jonge journalist Frank Verhoef) en is daarnaast betrokken bij het Christelijk Conservatief Beraad.

Binnen de nieuwe conservatieve gemeenschappen zijn de SGP’ers trouwens wel de meest fatsoenlijke mensen. Het zijn de vrienden van de SGP die voor de ketelmuziek zorgen. Kluveld roept met haar columns wekelijks woedende reacties op, Orbán schopte stennis met haar open brief aan VVD-Kamerlid Jeanine Hennis, en Schimmel werd virtueel aan de schandpaal genageld naar aanleiding van zijn beruchte tweet: “Daarbij is een ieder die schrijft voor Joop (opiniewebsite van de VARA) de Nederlandse zuurstof niet waard.”

Wellicht zorgt de oude SGP-cultuur van isolationisme voor een zekere voorzichtigheid: SGP’ers zijn nu weliswaar mondiger dan vroeger, maar ze huiveren nog steeds een beetje voor de boze buitenwereld. Hun conservatieve vrienden zijn ongeremder. 

Emancipatie
De SGP is geregeld in het nieuws. Voordat de partij gedoogpartner werd, ging dit nieuws het vaakst over met de zogenoemde vrouwenkwestie. De SGP was tegen vrouwen in de politiek, en legde in 1993 in de statuten vast dat vrouwen geen lid mochten worden. Onder druk van de rechter en de vernieuwende vleugel van de partij stelde de SGP in 2006 het lidmaatschap open voor vrouwen, hoewel vrouwen uitgesloten bleven voor politieke ambten. Voor het feministische Clara Wichmann Instituut was dit niet genoeg en stapte naar de rechter. Hij eiste dat de SGP haar statuten helemaal moest wijzigen en vrouwen het passief kiesrecht moest geven, anders moest de subsidie aan de partij worden stopgezet. Het ingewikkelde politiek-juridische steekspel is nog steeds niet voorbij. 

Het is de vraag of de externe druk van het Clara Wichmann Instituut succes heeft, of juist contraproductief werkt. Aan de ene kant heeft de SGP mede onder druk van buiten het lidmaatschap nu opengesteld, maar aan de andere kant zijn er ook SGP’ers die in reactie op de druk van progressieve en seculiere zijde willen vasthouden aan de status quo, niet omdat ze tegen vrouwen in de politiek zijn, maar omdat ze voor het ‘recht’ van een kleine religieuze minderheid zijn om eigen regels te maken. 

Hoewel de SGP dus bepaald niet geëmancipeerd is in feministische zin, heeft de partij zich in sociologische zin wel degelijk geëmancipeerd. De SGP begon als een in zichzelf gekeerde getuigenispartij en ontwikkelde zich, vooral vanaf de jaren nul, in een naar buiten toe tredende politieke partij die niet vies is van macht. Nogmaals, de SGP is geen poldertaliban. SGP-jongeren delen oranjebitter uit om D66’ers te plagen. Ze binden geen bomgordel om, ze duwen niet als de Bijbelse held Simson twee zuilen omver, zodat het hele gebouw instort en alle vijanden worden verpletterd. SGP’ers zijn in de eerste plaats conservatieven, geen fundamentalisten. Hun partij heeft een gedaanteverwisseling ondergaan door veranderingen die de hele Nederlandse samenleving raken, de rechtse reactie op paars en de islam, en als gevolg van ingrijpende veranderingen in eigen kring, vooral het internetgebruik.

Ondanks haar geringe omvang is de SGP geen margeverschijnsel meer. Dankzij de gedoogsteun aan het kabinet-Rutte en de internetactiviteiten van haar jongeren is de partij een belangrijke steunpilaar geworden van de rechtse kerk in aanbouw, die in de (nieuwe) media en politiek het stokje van de wankelende linkse kerk poogt over te nemen. De vraag is natuurlijk, wat de toekomst brengt. De open houding is niet zonder risico’s, en zou wel eens kunnen leiden tot de (onvermijdelijke?) secularisatie. 

Dit is een hoofdstuk uit het nog te verschijnen boek ‘Het einde van de christelijke politiek?’

Volg Ewout op Twitter

Geef een reactie

Laatste reacties (14)