740
18

Emeritus hoogleraar Vrije Universiteit

Ruben Gowricharn (sociologie en economie) was van 2002-2017 hoogleraar sociale cohesie en transnationale vraagstukken aan de Universiteit van Tilburg en van 2015-2020 bijzonder hoogleraar Hindostaanse diaspora studies aan de Vrije Universiteit. Vraagstukken van cultureel plurale democratieën, de integratie van etnische minderheden in Nederland, de emancipatie van etnische groepen, transnationale en diasporagemeenschappen, en economische ontwikkeling staan centraal in zijn wetenschappelijk onderzoek. Over deze onderwerpen heeft hij nationaal en internationaal verschillende publicaties doen verschijnen. Gowricharn is daarnaast actief als beleidsadviseur, bestuurder, en beleidsonderzoeker. Voor zijn bijdrage in het publieke debat over de multiculturele samenleving is hij onderscheiden met de ASN-ADO Mediaprijs voor de schrijvende pers. Sinds 2005 bestuurt Gowricharn de Stichting de Promotiekamer, een organisatie die kennis produceert ter versterking van instituties in de multiculturele samenleving.

De onzin van macht en tegenmacht

Het enige wat het parlement kan doen wanneer de macht al te arrogant wordt is boos worden, zeuren, trammelant maken, en doorzetten. Meer niet

Sinds de toeslagenaffaire zijn macht en tegenmacht gevleugelde woorden geworden. Haast alles wat misgaat in de verhouding tussen regering en parlement wordt geduid als een verstoring van de balans tussen macht en tegenmacht. Die verstoring komt vaak tot uiting in het achterhouden van informatie aan het parlement, maar ook in de loyaliteit van parlementsleden aan hun regerende partijen. Deze dubbelzinnigheid wordt met dualisme aangeduid. Dit dualisme vooronderstelt echter een evenwicht in de opstelling van het parlement dat voor elke partij anders kan komen te liggen. Het herbergt een enorme potentie aan ruzies tussen partijen onderling.

macht
cc-foto: Roel Wijnants

De Tweede Kamer, de wetgevende macht en controlerende instantie, is weerloos tegenover een regering, de uitvoerende macht, waarvan zelfs haar uitvoerende diensten zoals de Belastingdienst zelf bepalen welke informatie zij prijsgeven. De Tweede Kamer is daardoor altijd de vragende partij – het is de regering die wikt en beslist. Daardoor is het onduidelijk wie nu formeel de macht heeft en wie de tegenmacht uitoefent. In elk geval hebben diverse schandalen in de afgelopen decennia genoegzaam aangetoond dat het laatste woord niet bij het parlement rust, maar bij de regering. Een sterke VVD, met Mark Rutte als boegbeeld, heeft deze waarneming vaker onderstreept.

Maar de disbalans tussen regering en parlement zal blijven bestaan. Afgezien van de onduidelijkheid over wat een precieze balans is tussen macht en tegenmacht, is de disbalans een onverbiddelijk uitvloeisel van een weeffout in de parlementaire democratie. In dit stelsel worden parlementsleden gekozen via politieke partijen die ‘zonder last of ruggespraak’ het volk moeten vertegenwoordigen en dienen. Anderzijds opereren parlementsleden namens de politieke partij en moeten zij ‘hun’ coalities in het zadel houden. Elk parlementslid opereert zodoende in een spanningsveld tussen ondersteunende partijloyaliteit en parlementaire onafhankelijkheid. Deze verstrengeling is onverenigbaar met het concept van de scheiding van de machten in de trias politica. Alleen politieke partijen in de oppositie zijn niet verbonden met de regering en kunnen van alles roepen. Hier is Geert Wilders een goed voorbeeld van.

Nog een reden waarom de regering het laatste woord heeft is de beschikking over kennis. Ambtenaren zijn de uitvoerders van de uitvoerende macht en vallen dus onder ministers en niet parlementsleden. Zo kan het gebeuren dat ministers en ambtenaren bepalen wat het parlement mag weten en wat niet. Wanneer zij liegen of de draak steken met de wensen van het parlement, zijn er geen sancties tegen ministers of ambtenaren. De oppositie kan wel moties indienen, maar zonder steun van de regeringspartijen halen die voorstellen het niet. Het enige wat het parlement kan doen wanneer de macht al te arrogant wordt is boos worden, zeuren, trammelant maken, en doorzetten. Meer niet. De minister kan soms naar huis worden gestuurd, maar wordt opgevolgd door een partijgenoot. Het parlement heeft dan weer het nakijken.

Het parlement speelt dus altijd de tweede viool. Dat heeft niets te maken met een verstoorde verhouding tussen macht en tegenmacht of een ongewenste bestuurscultuur. Het heeft zijdelings te maken met de openbaarheid van informatie zoals informateur Tjeenk Willink meent. De problemen ontstaan doordat zowel wetgevende als regerende macht via de politieke partij tot eenzelfde subcultuur behoren, vergelijkbaar met stammen die leden hebben in zowel het parlement als de regering. Van een scheiding der machten kan dus geen sprake zijn en ook de diagnose van macht en tegenmacht is om deze reden een merkwaardig  gedachtespinsel.

Deze weeffout is fundamenteel en een herstel ervan is niet eenvoudig. De eerste stap zal moeten zijn om de wetgevende en uitvoerende macht van elkaar te scheiden. Dat kan alleen wanneer ministers en parlementsleden tot verschillende volksstammen behoren en beide worden gekozen. Dat wordt een nieuw democratisch experiment en moet dus stap voor stap worden uitgeprobeerd. Ten tweede zou het parlement over eigen bureaus moeten beschikken om niet afhankelijk te zijn van wat een minister vertelt of kwijt wil. Tegenmacht kan je alleen uitoefenen als je over een eigen apparaat beschikt. Tenslotte is het raadzaam stevige sancties te formuleren om ministers maar vooral ambtenaren weg te sturen bij het verstrekken van onjuiste of onvolledige informatie. We zien vaker dat ambtenaren willens en wetens de informatieverstrekking manipuleren, zelfs misbruik maken van hun macht (zoals in de toeslagenaffaire), maar toch ermee wegkomen. Alleen onder deze drie voorwaarden kan het parlement uit zijn rol kruipen van een klagende tijger. Macht en tegenmacht organiseren? Het hele politieke systeem moet op de schop!

Geef een reactie

Laatste reacties (18)