2.446
25

Econoom & Bedrijfsadviseur

Ad Broere, van huis uit econoom, is al meer dan 30 jaar actief in het bedrijfsleven. Als oud bankier, zelfstandig gevestigd bedrijfsadviseur, en docent/ontwikkelaar van leergangen bij diverse Business Schools, weet hij als geen ander zijn licht te laten schijnen op de sterke en zwakke plekken in de economie.

De overheid verzaakt haar zorgplicht

Zonder de diefstal uit de pensioenpot door de regering Lubbers en veel werkgevers zou er nu niet gekort hoeven worden

Behalve dat de aanvullende pensioenen worden verlaagd, zijn de belastingtarieven in de laagste schijf tot 18.945 euro vanaf 1 januari 2013 van 1,95% naar 5,85% verhoogd. Voor 65-plussers betekent dit een belastingverhoging tot 740 euro per jaar of 60 euro per maand. In april 2013 volgt de eerste aangekondigde korting van de aanvullende pensioenen, met een open einde want de tweede korting van onbekende omvang volgt een jaar later. De sterk groeiende groep van 65-plussers wordt dus op meerdere manieren gekort. Ten eerste door de overheid die het voldoen aan de begrotingsafspraken binnen de EU voorop stelt en die er niet voor terugschrikt om ouderen met een laag pensioen die al moeten rekenen om rond te komen nog wat meer te korten. Ten tweede door de pensioeninstellingen, die te weinig reserves zouden hebben om aan hun (zeer) langlopende verplichtingen te kunnen voldoen.

Een verantwoordelijke overheid
De afhankelijkheid van de beurs heeft de pensioenfondsen in de ‘gouden’ jaren enorme voordelen opgeleverd. In de periode tussen 1980 en 2006 werd er dermate veel verdiend door de pensioenfondsen, dat de vermogens waarover men beschikte ruimschoots voldoende waren om aan alle verplichtingen voor de zeer lange termijn te kunnen voldoen. Tenminste, dat dacht men met de kennis van toen. Het was dan ook zeer verleidelijk voor de werkgevers, inclusief de grootste van Nederland, de overheid, om de bijdragen aan het fonds te verminderen. Er was immers toch genoeg.

Jarenlang hebben vrijwel alle werkgevers daarom het werkgeversdeel van de pensioenpremies niet afgedragen aan de pensioenfondsen. Dit tot groot genoegen van de aandeelhouders van de bedrijven met bedrijfspensoenfondsen zoals Shell, ING etc., die profiteerden van de besparingen op de kosten, die hierdoor werden geboekt. En de overheid profiteerde van de lagere uitgaven, waardoor er geld beschikbaar kwam voor andere doeleinden.

Hier bleef het helaas niet bij. Veel werkgevers deden bovendien ook nog een greep in de pensioenpot. Zij onttrokken geld uit de kas van ‘hun’ pensioenfonds om dit geld op een andere manier te besteden dan waarvoor het bestemd was. In Zembla van de VARA werd op 5 februari 2011 uit de doeken gedaan, dat in de regeringsperiode van minister president Ruud Lubbers en minister van financiën Onno Ruding 30 miljard gulden werd onttrokken aan de kas van het ABP. Ruding verklaarde op het waarom van deze handeling in Zembla, dat de reorganisatie van de overheid met deze middelen moest worden gefinancierd en dat de aardgasbaten niet meer toereikend waren om het daaruit te kunnen doen. Zoiets heet gelegaliseerde diefstal! Gelegaliseerd omdat er een ‘uitnamewet’ door het parlement werd goedgekeurd en er dus juridisch niets tegen deze onttrekking kon worden gedaan.

In opdracht van Zembla werd verder uitgezocht dat als alle premies normaal zouden zijn doorbetaald en er geen onttrekkingen zouden zijn gedaan uit de kas, het totale vermogen van de pensioenfondsen meer dan het dubbele zou zijn geweest van wat het nu is. Er zou geen sprake zijn geweest van onderdekking en nood maatregelen. Zelfs al zou de overheid het geld dat onttrokken is nu terugstorten in de kas van het ABP, dan is het gemiste rendement over 30 jaar (tussen 1982 en 2012) nog een belangrijke factor. Het gemiddelde 15-jaarsrendement van het ABP is 6%. Als er in de jaren 80 geen 30 miljard gulden zou zijn onttrokken, dan zou er 172 miljard gulden meer vermogen zijn geweest. Nog afgezien van het effect van de te lage premieafdrachten, die volgens Frijns, oud-directeur beleggingen van het ABP, in de jaren negentig zo’n 25 miljard euro hebben bedragen.

De directe korting tot 15% op de aanvullende pensioenen is niet het enige konijn, dat uit de hoge hoed is getoverd. Al jaren wordt er indirect gekort op pensioenen, door van eindloonregeling over te stappen op middelloonregeling. Een pensioenuitkering over het eindloon houdt in, dat de basis voor de uitkering het laatst genoten salaris is. Vanzelfsprekend is dit een dure regeling, want de premies zijn, in de veertig jaar waarin iemand zijn pensioen opbouwt, betaald over de echte lonen en die zijn altijd lager dan het laatst genoten loon. Een pensioen over het gemiddelde loon of anders gezegd, een middelloonregeling, is daarom beter op te brengen voor de pensioenfondsen dan een eindloonregeling. Maar toch, de kosten van levensonderhoud zijn voor gepensioneerden niet gebaseerd op het gemiddelde van de kosten over de afgelopen veertig jaar.

In het licht van het bovenstaande is de uitspraak van Riemen bij Pauw en Witteman, dat we niet zo zwaar moeten tillen aan de lagere pensioenuitkeringen omdat het bij aanvullende pensioenen gaat om gemiddeld niet meer dan 500 euro per maand per huishouden en dat we per slot van rekening toch ook nog de AOW hebben, wel erg badinerend. Als er op die manier over pensioenen wordt gesproken, dan vrees ik het ergste voor nieuwe onttrekkingen. Met een beroep op de solidariteit van pensioengerechtigden in deze tijden van nood zou het verschuldigde geld zomaar kunnen worden ‘geleend’ uit de pensioenfondsen. Nadat de pensioengerechtigden zich door de verhalen over ernstige onderdekking eerst hebben verzoend met de gedachte dat onze pensioenen niets meer waard zijn en deze zwaar gekort zijn, valt er een belangrijk deel van de verplichtingen van de pensioenfondsen vrij. Na wat er in het verleden is uitgehaald, kan deze redenering in elk geval niet naar het rijk der fabelen worden verwezen.

Pensioengerechtigden verkeren in een afhankelijke positie. Een verantwoordelijke overheid zorgt ervoor, dat deze positie wordt beschermd. Door de uitnamewet in de tachtiger jaren aan te nemen en grote bedragen aan het ABP te onttrekken heeft diezelfde overheid in dit verband een verkeerd signaal afgegeven. Pensioenreserves werden beschouwd als geld dat naar believen voor andere doeleinden kon worden gebruikt. De algemene gedachte was dat er toch meer dan voldoende aanwezig was.

Deze mentaliteit bleef onveranderd in de negentiger jaren toen het niet zo nauw werd genomen met de premiestortingen in de pensioenfondsen. Werkgevers, waaronder ook de overheid hebben jarenlang gekort op hun premiestortingsverplichting en maakten hierin de werknemers tot ‘medeplichtigen’ door ook op het werknemersdeel te korten. Want er was immers toch voldoende dekking. Onbegrijpelijk, want het kan gewoon niet waar zijn dat de planners geen rekening hebben gehouden met economische tegenwind en het ouder worden van de babyboom generatie.

Er waren eind 2011 volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek 2,6 miljoen 65plussers in Nederland. 60% hiervan had een inkomen beneden 20.000 euro en 80% minder dan 30.000 euro. Verreweg de meeste Nederlanders hebben dus een bescheiden inkomen na hun 65ste.  De overheid haalt door de belastingverhoging 1,4 miljard euro weg bij een groep die deze inkomensverlaging niet kan missen. Dit is in strijd met de zorgplicht van diezelfde overheid en het is daarom vanzelfsprekend dat de 80% worden gecompenseerd. Dit betekent een extra uitgave van 1,4 miljard euro. Beschouw het als een terechte compensatie voor het onttrokken geld tijdens de periode Lubbers-Ruding en leg Brussel maar uit dat deze lastenverzwaring iets te enthousiast is geweest.


Laatste publicatie van Ad Broere

  • Geld komt uit het niets

    De financiële goocheltrucs ontmaskerd

    2012


Geef een reactie

Laatste reacties (25)