699
4

Tekstschrijver en publicist

Mark Wagemakers is tekstschrijver en publicist.

De Prozac Periode: Het gesticht

De gekte sloeg in de gang al spreekwoordelijk om je oren. Als je het nog niet was, werd je het daar wel, was het devies van de patiënten

“Zo, jij moet Mark zijn”, zei psychiater Landgraaf in de zomer van 2003. Na een intakegesprek met een omhooggevallen psychiatrisch verpleegkundige (‘Ik wil zo graag iets met ménsen doen! Ik ben een echt mensenmens’) was ik klaar voor het echte werk: op consult bij Paul Landgraaf, op mijn eerste dag in de Klokkenberg, het psychiatrisch ziekenhuis.

De gekte sloeg in de gang al spreekwoordelijk om je oren. Als je het nog niet was, werd je het daar wel, was het devies van de patiënten. Hier en daar een door anti-psychotica kwijlende schizofreen, iemand met (ik neem aan) ADHD die de weg naar de isoleercel vakkundig tegenstribbelde met de nodige schreeuw- en bijtpartijen als broodnodig intermezzo. Een meisje dat met een sanseveria in haar armen liep en er af en toe liefkozend “Dan gaan we nu linksaf, opa” mompelde.

“Let maar niet op hen, jij komt hier niet terecht”, probeerde Paul me te vertellen, toen hij mijn argwanende gezicht zag. Of iets in die geest, want de eerlijkheid gebiedt me te zeggen dat ik verbouwereerd naar het schouwspel keek wat zich voor mij voltrok. “Ga maar zitten, hier heb je een glaasje water”.

De behandelkamer was klinisch opgeruimd. Op zijn bureau stond een stel houten hersens in vrolijke kleurtjes, een anatomiepop die ze ook wel eens tijdens tekenlessen gebruiken, maar bovenal een hoop boeken. Boeken over hersenafwijkingen, over automutilatie, over het gedrag van puberende kinderen en boeken over, hoe kan het ook anders, Sigmund Freud. De zielenknijper der zielenknijpers. Vol met psychopoespas en droomduidingen.

“Kom ik daar echt niet terecht, dokter Landgraaf?”, nog terug refererend aan de afdeling waar we zojuist doorheen liepen. “Nee, daar kom je echt niet terecht. En zeg maar Paul.” “Gelukkig, Paul.” Een klein beetje gerustgesteld leunde ik wat achterover om de ouverture van mijn nieuwe, psychiatrisch leventje even z’n beloop te laten. Al die indrukken, al die mensen, al die gestoorden, het ging me niet in mijn koude kleren zitten. “Ik wil hier niet zijn, Paul, ik wil naar huis.” “Mark, je zit hier niet verplicht, maar het is echt voor je eigen bestwil om hier even te verblijven. Je kunt alleen niet naar huis.” “Ik zou niet weten waarom”, antwoordde ik met klem.

Ik zat er nog geen dag en was het al kotsbeu. Ik, gezond van lijf en leden, een doorsnee dertienjarige puber die wars was van autoriteit, maar het zag als een symptoom van de vroeg ingeslagen puberteit. Een eloquent, zeg maar gerust bijdehand, kereltje dat zichzelf over het algemeen graag in de belangstelling plaatste, maar door wat concentratieproblemen en een klein dipje wat terughoudender was geworden. Daar was toch niets mis mee?

“Je hebt de afgelopen drie maanden zeven keer de badkamer van je ouders gemolesteerd, je bent twee keer met een mes van het toilet afgeplukt en bent vier keer huilend door de counselor naar huis gestuurd omdat je niet meer verder wilde leven. Dan kun je zeggen dat het de puberteit is, maar naar mijn mening is het beste om even ter observatie negen weken te verblijven op onze behandelafdeling.”
“Daar heb je gelijk in, Paul.” “Je mag me Paul noemen, maar toch heb ik wel liever dat je u blijft zeggen”. Het bekende autoriteitsprobleempje. “Daar heeft u gelijk in, Paul.” “Goed zo. Fred zal je zo de weg wijzen naar je kamer. Hij zal ook meteen de huisregels met je doornemen, maar eerst moeten jij en je ouders nog wat papieren ondertekenen.”

Geef een reactie

Laatste reacties (4)